Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-08
ECLI:NL:RBMNE:2026:2326
ECLI:NL:RBMNE:2026:2326 text/xml public 2026-06-01T12:00:01 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-08 UTR 24/4827 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2326 text/html public 2026-06-01T11:59:27 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2326 Rechtbank Midden-Nederland , 08-05-2026 / UTR 24/4827 Boete op grond van de Meststoffenwet vanwege overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen in het jaar 2020. Minister is terecht uitgegaan van best beschikbare gegevens. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/4927 uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres] V.O.F., gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: C. Blokland), en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (de minister), verweerder (gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa). Procesverloop 1. Eiseres exploiteert een veehandels- en landbouwbedrijf. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft bij eiseres een onderzoek verricht om te beoordelen of eiseres zich over de jaren 2020 en 2021 aan de wet- en regelgeving van het mestbeleid heeft gehouden. De NVWA heeft de bevindingen neergelegd in het rapport van bevindingen van 13 december 2021. 2. Vervolgens heeft de minister met het besluit van 4 maart 2024 een boete van € 23.617,- aan eiseres opgelegd, omdat zij in het jaar 2020 de gebruiksnorm dierlijke meststoffen heeft overschreden met 3.731 kilogram. Met het besluit van 18 juni 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven. 3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 4. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres samen met [eiseres] en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het toetsingskader en de bewijslastverdeling 5. In artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) staat dat het verboden is om in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen. In artikel 8, aanhef en onder a, van de Msw is bepaald dat dit verbod niet geldt als de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen niet overschrijdt. Voor de toepassing van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen wordt de hoeveelheid op of in de bodem gebrachte meststoffen (uitgedrukt in kg stikstof dan wel fosfaat) bepaald door de in het desbetreffende jaar op het bedrijf geproduceerde, aangevoerde en per saldo uit opslag gekomen hoeveelheden (dierlijke) meststoffen bij elkaar op te tellen, en de uitkomst te verminderen met de in dat jaar van het bedrijf afgevoerde hoeveelheid (dierlijke) meststoffen. 6. Een landbouwer/veehouder zoals eiseres mag dus alleen mest gebruiken als zij geen van de in artikel 8 bedoelde van Msw gebruiksnormen overschrijdt. Eiseres moet zelf feiten stellen en bewijs aandragen die aannemelijk maken dat zij de gebruiksnormen niet heeft overschreden. De wet legt eiseres verder de verplichting op om bepaalde gegevens over de meststoffenhuishouding van het landbouwbedrijf te administreren en over te leggen. Eiseres kan ook met ander bewijs aannemelijk maken dat zij de gebruiksnormen niet heeft overschreden, maar dat bewijs moet wel voldoende onderbouwd en betrouwbaar zijn. Dat eiseres zelf aannemelijk moet maken dat zij de gebruiksnormen niet overschrijdt, neemt niet weg dat de minister, als hij een bestuurlijke boete wil opleggen, op basis van concrete feiten en omstandigheden dient aan te tonen dat de overtreding is begaan. Beroepsgronden van eiseres 7. Eiseres voert aan dat de vermeende overschrijding van de gebruiksnormen over het jaar 2020 is ontstaan, doordat de Rijksdienst v Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, kan gerekend worden met de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalten van de in het betreffende jaar bemonsterde afgevoerde mest. Als laatste, alleen als geen afvoer heeft plaatsgevonden, kan gebruik worden gemaakt van forfaitaire gehalten. Deze invulling van ‘best beschikbare gegevens’ is ook opgenomen in het door de minister gehanteerde Boetebeleid. In dit geval heeft de minister gerekend met het gemiddelde van daadwerkelijk gemeten gehalten in daadwerkelijk afgevoerde vrachten. Dat dit niet de best beschikbare gegevens zijn omdat deze niet representatief zijn, volgt de rechtbank niet. Weliswaar heeft eiseres aangevoerd dat bij de twee vrachten in mei 2019 overjarige mest is afgevoerd met een zeer afwijkend gehalte, maar zij heeft deze stelling niet onderbouwd met concrete en controleerbare gegevens. De enkele foto die eiseres heeft overgelegd voor de hoorzitting in bezwaar is daarvoor in ieder geval onvoldoende, omdat deze geen concrete informatie levert over de vrachten van 22 en 24 mei 2019. Eiseres heeft ook niet verzocht om een heranalyse van de bij de afvoer genomen monsters. Voor zover eiseres hierover tijdens de zitting heeft verklaard dat zij van deze twee vrachten geen analyseverslagen heeft ontvangen, heeft de minister terecht opgemerkt dat ook hiervoor geldt dat eiseres zelf in de gaten moet houden of zij de resultaten van de bemonstering ontvangt. Dat bij die twee vrachten sprake is geweest van zulke specifieke omstandigheden dat de minister niet van de gemiddelden over het hele jaar 2019 kon uitgaan, heeft eiseres dus niet aannemelijk gemaakt. Bovendien had eiseres tijdig maatregelen kunnen nemen om de mestbalans weer op orde te krijgen. 11. Wat eiseres aanvoert over de verschrijvingen in het NVWA-rapport en het tijdsverloop tussen dit rapport en het voornemen een boete op te leggen, brengt de rechtbank niet tot het oordeel dat de minister de boete had moeten matigen. De hoogte van de opgelegde boete is vastgesteld in overeenstemming met artikel 12 van de Meststoffenwet, in samenhang met artikel 57 van de Meststoffenwet. Omdat het gaat om bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen, legt het bestuursorgaan alleen een lagere boete op als de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Binnen dit kader wordt beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan de hand van met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet reeds bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden. De rechtbank ziet in deze zaak geen feiten of omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de boete niet passend is. Dat deze boete ingrijpend is voor eiseres is duidelijk, maar dit ontslaat haar niet van haar verplichting om de regelgeving na te leven. De verschrijving in het NVWA-rapport is, zoals eiseres zelf al aangeeft, slordig maar leidt niet tot de conclusie dat de boete lager had moeten uitvallen. Het tijdsverloop heeft de minister al verdisconteerd in de boete. Redelijke termijn 12. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn in deze zaak twee jaar bedraagt en begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Dat is in dit geval 6 december 2023, de datum waarop de minister het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete heeft uitgebracht, zodat de redelijke termijn op 6 december 2025 is verstreken. De rechtbank doet vandaag uitspraak. Dat betekent dat de redelijke termijn met ongeveer vijf maanden is overschreden. 13. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de minister de bestuurlijke boete al heeft gematigd met 10% wege