Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-08
ECLI:NL:RBMNE:2026:2323
ECLI:NL:RBMNE:2026:2323 text/xml public 2026-06-01T10:37:01 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-08 UTR 26/1606 en UTR 25/1604 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2323 text/html public 2026-06-01T10:36:38 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2323 Rechtbank Midden-Nederland , 08-05-2026 / UTR 26/1606 en UTR 25/1604 25 Wpg; voorlopige voorziening met kortsluiting beroep; verzoek om inzage politieregistratie; weigeringsgrond artikel 27, eerste lid onder d Wpg en belangenafweging onvoldoende gemotiveerd; beroep gegrond; zelf in de zaak voorzien. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 26/1606 en UTR 26/1604 uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. L.J. Moerdijk), en De korpschef van politie (gemachtigde: mr. S.S. Madarie). Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om inzage op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). 1.1. Verzoeker heeft op 16 januari 2026 een verzoek gedaan om inzage in zijn politiegegevens. Aanleiding van dit verzoek is dat verzoeker een Verklaring omtrent Gedrag met politiegegevens (VOG-P) heeft aangevraagd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) is afgewezen. Deze afwijzing is gemotiveerd met verwijzing naar de politiegegevens. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en wil inzage in zijn politiegegevens om de gronden van zijn beroep te kunnen onderbouwen. 1.2. De korpschef heeft de inzage in de politiegegevens met het besluit van 2 februari 2026 (het besluit) toegewezen, maar heeft daarbij inzage in de politieregistratie met kenmerk PL01 00-2024294677-1 geweigerd. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. 1.3. De korpschef heeft op 24 maart 2026 stukken onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank gezonden. De rechtbank heeft op 7 april 2026 met toepassing van artikel 8:29 van de Awb beslist dat beperkte kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft de rechtbank vervolgens toestemming gegeven om deze stukken bij de beoordeling te betrekken. 1.4. De korpschef heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de korpschef. Beoordeling door de voorzieningenrechter Doet de voorzieningenrechter ook uitspraak op het beroep? 2. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek, maar ook op het beroep van eiser. 3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op de zitting zijn beroepsgrond dat het onbegrijpelijk is dat de staatssecretaris in het kader van een procedure over de afwijzing van een VOG-P verzoeker, wel over de politieregistratie mag beschikken maar verzoeker, de persoon waarover deze melding gaat, niet, heeft ingetrokken. Ook de beroepsgrond dat het onjuist is dat de korpschef in de vier jaren voorafgaand aan het inzageverzoek de politieregistratie niet met iemand anders heeft gedeeld, heeft verzoeker op de zitting ingetrokken. Deze punten vormen daarom geen onderdeel meer van het beroep en worden niet verder besproken. Wat voert verzoeker aan? 4. Verzoeker voert in beroep aan dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat de korpschef niet heeft toegelicht waarom de politieregistratie die op verzoeker als persoon ziet, niet me Pas na concrete vragen hierover van de voorzieningenrechter heeft de korpschef onderkend dat de weigeringsgrond niet van toepassing is op de openbare informatie zoals hiervoor omschreven. Tussenconclusie 7. De voorzieningenrechter concludeert gezien het voorgaande dat het besluit is genomen in strijd met artikel 27 Wpg en artikel 3:46 van de Awb. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het besluit. Met inachtneming van de motivering in het verweerschrift beoordeelt de voorzieningenrechter hierna of zij aanleiding ziet om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (voor zover niet betreft het gedeelte van de registratie genoemd in overweging 6.2 dat niet met een beroep op artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wpg geweigerd mocht worden) in stand blijven en/of dat zij zelf in de zaak voorziet. Heeft de korpschef inzage voor het overige (los van het gedeelte vermeld in overweging 6.2) mogen weigeren? 8. De Wpg bevat een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van die wet. Voor de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt, is onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Daarbij dient te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor die persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Voor ieder gegeven in een mutatie dient een dergelijke beoordeling te worden gemaakt. 8.1. De voorzieningenrechter is – mede na kennisname van de vertrouwelijk aan de voorzieningenrechter verstrekte informatie- van oordeel de korpschef voldoende heeft gemotiveerd waarom de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder d, van de Wpg voor het overige deel van de registratie in dit geval van toepassing is. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de korpschef in het verweerschrift terecht heeft volstaan met een beperkte motivering, omdat anders alsnog informatie bekend wordt die het doel van de weigering zou ondermijnen. In zoverre heeft de korpschef het motiveringsgebrek voldoende hersteld. 8.2. Dit betekent dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de korpschef de inzage in de politieregistratie voor het overige heeft mogen weigeren op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wpg ter bescherming van de rechten en vrijheden van derde(n). De voorzieningenrechter licht dat hieronder toe. 8.3. De politieregistratie bevat gegevens die tegelijkertijd zowel verzoeker als derde(n) betreffen. De politieregistratie is, gelet op de specifieke omstandigheden waarover de registratie gaat en de kleine groep personen die betrokken is, daarmee herleidbaar tot individuele personen. De voorzieningenrechter is het daarom met het de korpschef eens dat kennisneming van de politieregistratie kan leiden tot ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken derde(n). Om dezelfde reden heeft de korpschef – zoals hiervoor reeds vermeld - ook de motivering van de gemaakte belangenafweging geheim mogen houden, omdat ook daarmee inzicht zou kunnen worden gekregen in de aard en inhoud van de politieregistratie en daarmee afbreuk kan doen aan de bescherming van de rechten en vrijheden van derde(n). Daarbij heeft de korpschef terecht van belang geacht dat kennisneming van de informatie een onomkeerbaar karakter heeft. Als verzoeker eenmaal kennis heeft genomen van de inhoud van de politieregistratie en de motivering, kan dit niet meer worden teruggedraaid, terwijl dat afbreuk kan doen aan de bescherming van de rechten en vrijheden van derde(n). 8.4. Dat de politieregistratie wél met de staatssecretaris kunnen worden gedeeld, laat onverlet dat de korpschef is gehouden aan zijn eigen wettelijk kader van het recht op inzage van politiegegevens neergelegd in artikel 25 Wpg en de op dat recht geformuleerde uitzonderingen van artikel 27 Wpg. In dat kader merkt de voorzieningenrechter no