Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-29
ECLI:NL:RBMNE:2026:2310
Civiel recht
Kort geding
8,040 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2310 text/xml public 2026-05-15T10:52:17 2026-05-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-29 12160674 \ AV EXPL 26-20 Uitspraak Kort geding NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2310 text/html public 2026-05-15T10:50:13 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2310 Rechtbank Midden-Nederland , 29-04-2026 / 12160674 \ AV EXPL 26-20 Kort geding; ontruimingsvordering toegewezen; hoge huurachterstand; gedaagde beroept zich o.a. op een overeenkomst met een voorwaarde, maar die voorwaarde is niet in vervulling gegaan. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 12160674 \ AV EXPL 26-20 Vonnis in kort geding van 29 april 2026 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2] , beiden wonende in [plaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s. (aangeduid in mannelijk enkelvoud), gemachtigde: mr. A.J.M. de Bruijn, tegen 1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] , beiden wonende in [plaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s. (aangeduid in mannelijk enkelvoud), gemachtigde: mr. L.C.M. de Vos. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 2 april 2026, met producties, - de conclusie van antwoord, met producties, - de mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van [eiser sub 1] c.s. - de pleitnota van [gedaagde sub 1] c.s. 1.2 Tenslotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser sub 1] c.s. verhuurt een woonboerderij met opstallen (o.a. schuren) (‘het gehuurde’) aan [gedaagde sub 1] c.s. [eiser sub 1] c.s. wil met dit kort geding bereiken dat [gedaagde sub 1] c.s. het gehuurde verlaat. [eiser sub 1] c.s. vordert dit onder andere vanwege een huurachterstand van € 38.400,00 en omdat [gedaagde sub 1] c.s. mensen laat wonen in de schuren op nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] (hierna ook ‘nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] ’) op het terrein van [eiser sub 1] c.s., terwijl dat in strijd met het bestemmingsplan is. [gedaagde sub 1] c.s. is het hier niet mee eens en vindt dat hij in de woning mag blijven wonen. De kantonrechter komt tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] c.s. de huurachterstand moet betalen en de woning moet verlaten. 3 De beoordeling Het beoordelingskader in kort geding 3.1 Een vordering tot ontruiming in kort geding kan worden toegewezen als [eiser sub 1] c.s. hierbij zoveel spoed heeft dat hij de uitkomst van een normale, uitgebreide procedure (bodemprocedure) niet hoeft af te wachten. Als er een spoedeisend belang is, moet de kantonrechter daarna beoordelen of de vordering van [eiser sub 1] c.s. in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. [eiser sub 1] c.s. heeft een spoedeisend belang 3.2 Van [eiser sub 1] c.s. kan niet verwacht worden dat hij een eventuele bodemprocedure afwacht. [gedaagde sub 1] c.s. heeft een aanzienlijke huurachterstand van € 38.400,00. Alleen al om die reden is het spoedeisend belang gegeven met betrekking tot de ontruimingsvordering. De spoedeisendheid van de gevorderde betaling van de huurachterstand volgt uit de proceseconomie. Dat betekent dat [eiser sub 1] c.s. er belang bij heeft dat hij in deze procedure betaling van de huurachterstand kan vorderen en daarvoor niet een aparte bodemprocedure hoeft te starten. [gedaagde sub 1] c.s. heeft een huurachterstand laten ontstaan die hij moet betalen 3.3 [gedaagde sub 1] c.s. betaalt sinds mei 2022 per maand € 1.550,00 aan huur in plaats van € 2.350,00 wat partijen bij aanvang van de huurovereenkomst hebben afgesproken. Dat betekent dat zijn huurachterstand inmiddels is opgelopen tot € 38.400,00. [gedaagde sub 1] c.s. heeft aangevoerd dat geen sprake is van een huurachterstand omdat hij en [eiser sub 1] c.s. onvoorwaardelijk hadden afgesproken dat [gedaagde sub 1] c.s. € 800,00 per maand minder huur hoefde te betalen vanaf 1 mei 2022. Daarom schiet hij naar eigen zeggen niet tekort in de nakoming van de huurovereenkomst. Dit verweer slaagt niet. 3.4 De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. een huurkorting van € 800,00 hebben afgesproken onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] c.s. nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] uiterlijk 11 mei 2022 niet meer tegen betaling in gebruik zou geven aan anderen. Het is in ieder geval aannemelijk dat [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. daarvan uit zijn gegaan. 3.5 Voor de totstandkoming van een overeenkomst is aanbod en aanvaarding nodig (art. 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Daarbij speelt een rol wat [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. uit elkaars verklaringen en gedragingen konden en mochten verwachten. Dit speelt ook een rol bij de uitleg van de overeenkomst. Zowel [eiser sub 1] c.s. als [gedaagde sub 1] c.s. hebben op de mondelinge behandeling verteld dat de aankondiging van de gemeente dat zij een dwangsom van € 10.000,00 oplegt als nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] op/na 11 mei 2022 nog bewoond zijn de aanleiding van deze afspraak was. Het gaat daarbij niet om bewoning van de ruimte die [gedaagde sub 1] c.s. zelf bewoont, maar om de schuren die door anderen worden bewoond en waarvoor [gedaagde sub 1] c.s. van die anderen een vergoeding ontvangt. Uitgangspunt van de onderhandelingen was dat [gedaagde sub 1] c.s. deze schuren niet meer in gebruik kon geven en daardoor inkomsten misliep. Daarbij is tussen [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. besproken welke bedragen [gedaagde sub 1] c.s. ontvangt voor het ter beschikking stellen van deze woonruimtes en dat hij € 200,00 per maand ontvangt voor [nummer/letteraanduiding 1] en € 600,00 per maand voor [nummer/letteraanduiding 2] . Daarom zijn partijen een huurkorting van € 800,00 per maand overeengekomen, als compensatie voor het mislopen van de inkomsten voor het in gebruik geven van de schuren. 3.6 Uit de e-mail van [gedaagde sub 1] c.s. van 15 december 2025 volgt dat [gedaagde sub 1] c.s. wilde dat deze huurkorting vanaf 1 januari 2022 in plaats van 1 mei 2022 in zou gaan, zodat zijn huurders een tegemoetkoming van 4 maanden huur zouden krijgen. Uit de reactie van [eiser sub 1] c.s. van 21 december 2021 volgt dat hij wilde vasthouden aan de datum van 1 mei 2022, passend bij de last onder dwangsom van de gemeente waarin wordt opgedragen om de bewoning van de schuren vóór 11 mei 2022 te stoppen. 3.7 Het staat vast dat nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] ná 11 mei 2022 (vrijwel de gehele periode) bewoond zijn gebleven en [gedaagde sub 1] c.s. daarvoor een vergoeding heeft ontvangen. De tussen [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. overeengekomen voorwaarde is dus niet in vervulling gegaan en [gedaagde sub 1] c.s. mocht daarom niet € 800,00 per maand minder huur betalen. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. ontvangt hij nu wel minder huur van de bewoners van nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] dan aanvankelijk overeen was gekomen, maar dat is een beslissing die niet aan [eiser sub 1] c.s. kan worden toegerekend. [gedaagde sub 1] c.s. heeft er zelf voor gekozen de bewoners korting te geven. [gedaagde sub 1] c.s. wordt daarom veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van € 38.400,00. [gedaagde sub 1] c.s. moet de wettelijke rente betalen 3.8 De wettelijke rente over de huurachterstand wordt zoals gevorderd toegewezen vanaf 14 maart 2026. [eiser sub 1] c.s. heeft [gedaagde sub 1] c.s. op 26 februari 2026 een brief gestuurd waarin hij hem vijftien dagen na ontvangst van de brief de tijd gaf om te betalen. Dat heeft [gedaagde sub 1] c.s. niet gedaan en daarom is hij vanaf die datum in verzuim. [gedaagde sub 1] c.s.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2310 text/xml public 2026-05-15T10:52:17 2026-05-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-29 12160674 \ AV EXPL 26-20 Uitspraak Kort geding NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2310 text/html public 2026-05-15T10:50:13 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2310 Rechtbank Midden-Nederland , 29-04-2026 / 12160674 \ AV EXPL 26-20 Kort geding; ontruimingsvordering toegewezen; hoge huurachterstand; gedaagde beroept zich o.a. op een overeenkomst met een voorwaarde, maar die voorwaarde is niet in vervulling gegaan. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 12160674 \ AV EXPL 26-20 Vonnis in kort geding van 29 april 2026 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2] , beiden wonende in [plaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s. (aangeduid in mannelijk enkelvoud), gemachtigde: mr. A.J.M. de Bruijn, tegen 1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] , beiden wonende in [plaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s. (aangeduid in mannelijk enkelvoud), gemachtigde: mr. L.C.M. de Vos. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 2 april 2026, met producties, - de conclusie van antwoord, met producties, - de mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van [eiser sub 1] c.s. - de pleitnota van [gedaagde sub 1] c.s. 1.2 Tenslotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser sub 1] c.s. verhuurt een woonboerderij met opstallen (o.a. schuren) (‘het gehuurde’) aan [gedaagde sub 1] c.s. [eiser sub 1] c.s. wil met dit kort geding bereiken dat [gedaagde sub 1] c.s. het gehuurde verlaat. [eiser sub 1] c.s. vordert dit onder andere vanwege een huurachterstand van € 38.400,00 en omdat [gedaagde sub 1] c.s. mensen laat wonen in de schuren op nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] (hierna ook ‘nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] ’) op het terrein van [eiser sub 1] c.s., terwijl dat in strijd met het bestemmingsplan is. [gedaagde sub 1] c.s. is het hier niet mee eens en vindt dat hij in de woning mag blijven wonen. De kantonrechter komt tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] c.s. de huurachterstand moet betalen en de woning moet verlaten. 3 De beoordeling Het beoordelingskader in kort geding 3.1 Een vordering tot ontruiming in kort geding kan worden toegewezen als [eiser sub 1] c.s. hierbij zoveel spoed heeft dat hij de uitkomst van een normale, uitgebreide procedure (bodemprocedure) niet hoeft af te wachten. Als er een spoedeisend belang is, moet de kantonrechter daarna beoordelen of de vordering van [eiser sub 1] c.s. in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. [eiser sub 1] c.s. heeft een spoedeisend belang 3.2 Van [eiser sub 1] c.s. kan niet verwacht worden dat hij een eventuele bodemprocedure afwacht. [gedaagde sub 1] c.s. heeft een aanzienlijke huurachterstand van € 38.400,00. Alleen al om die reden is het spoedeisend belang gegeven met betrekking tot de ontruimingsvordering. De spoedeisendheid van de gevorderde betaling van de huurachterstand volgt uit de proceseconomie. Dat betekent dat [eiser sub 1] c.s. er belang bij heeft dat hij in deze procedure betaling van de huurachterstand kan vorderen en daarvoor niet een aparte bodemprocedure hoeft te starten. [gedaagde sub 1] c.s. heeft een huurachterstand laten ontstaan die hij moet betalen 3.3 [gedaagde sub 1] c.s. betaalt sinds mei 2022 per maand € 1.550,00 aan huur in plaats van € 2.350,00 wat partijen bij aanvang van de huurovereenkomst hebben afgesproken. Dat betekent dat zijn huurachterstand inmiddels is opgelopen tot € 38.400,00. [gedaagde sub 1] c.s. heeft aangevoerd dat geen sprake is van een huurachterstand omdat hij en [eiser sub 1] c.s. onvoorwaardelijk hadden afgesproken dat [gedaagde sub 1] c.s. € 800,00 per maand minder huur hoefde te betalen vanaf 1 mei 2022. Daarom schiet hij naar eigen zeggen niet tekort in de nakoming van de huurovereenkomst. Dit verweer slaagt niet. 3.4 De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. een huurkorting van € 800,00 hebben afgesproken onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] c.s. nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] uiterlijk 11 mei 2022 niet meer tegen betaling in gebruik zou geven aan anderen. Het is in ieder geval aannemelijk dat [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. daarvan uit zijn gegaan. 3.5 Voor de totstandkoming van een overeenkomst is aanbod en aanvaarding nodig (art. 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Daarbij speelt een rol wat [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. uit elkaars verklaringen en gedragingen konden en mochten verwachten. Dit speelt ook een rol bij de uitleg van de overeenkomst. Zowel [eiser sub 1] c.s. als [gedaagde sub 1] c.s. hebben op de mondelinge behandeling verteld dat de aankondiging van de gemeente dat zij een dwangsom van € 10.000,00 oplegt als nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] op/na 11 mei 2022 nog bewoond zijn de aanleiding van deze afspraak was. Het gaat daarbij niet om bewoning van de ruimte die [gedaagde sub 1] c.s. zelf bewoont, maar om de schuren die door anderen worden bewoond en waarvoor [gedaagde sub 1] c.s. van die anderen een vergoeding ontvangt. Uitgangspunt van de onderhandelingen was dat [gedaagde sub 1] c.s. deze schuren niet meer in gebruik kon geven en daardoor inkomsten misliep. Daarbij is tussen [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. besproken welke bedragen [gedaagde sub 1] c.s. ontvangt voor het ter beschikking stellen van deze woonruimtes en dat hij € 200,00 per maand ontvangt voor [nummer/letteraanduiding 1] en € 600,00 per maand voor [nummer/letteraanduiding 2] . Daarom zijn partijen een huurkorting van € 800,00 per maand overeengekomen, als compensatie voor het mislopen van de inkomsten voor het in gebruik geven van de schuren. 3.6 Uit de e-mail van [gedaagde sub 1] c.s. van 15 december 2025 volgt dat [gedaagde sub 1] c.s. wilde dat deze huurkorting vanaf 1 januari 2022 in plaats van 1 mei 2022 in zou gaan, zodat zijn huurders een tegemoetkoming van 4 maanden huur zouden krijgen. Uit de reactie van [eiser sub 1] c.s. van 21 december 2021 volgt dat hij wilde vasthouden aan de datum van 1 mei 2022, passend bij de last onder dwangsom van de gemeente waarin wordt opgedragen om de bewoning van de schuren vóór 11 mei 2022 te stoppen. 3.7 Het staat vast dat nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] ná 11 mei 2022 (vrijwel de gehele periode) bewoond zijn gebleven en [gedaagde sub 1] c.s. daarvoor een vergoeding heeft ontvangen. De tussen [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. overeengekomen voorwaarde is dus niet in vervulling gegaan en [gedaagde sub 1] c.s. mocht daarom niet € 800,00 per maand minder huur betalen. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. ontvangt hij nu wel minder huur van de bewoners van nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] dan aanvankelijk overeen was gekomen, maar dat is een beslissing die niet aan [eiser sub 1] c.s. kan worden toegerekend. [gedaagde sub 1] c.s. heeft er zelf voor gekozen de bewoners korting te geven. [gedaagde sub 1] c.s. wordt daarom veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van € 38.400,00. [gedaagde sub 1] c.s. moet de wettelijke rente betalen 3.8 De wettelijke rente over de huurachterstand wordt zoals gevorderd toegewezen vanaf 14 maart 2026. [eiser sub 1] c.s. heeft [gedaagde sub 1] c.s. op 26 februari 2026 een brief gestuurd waarin hij hem vijftien dagen na ontvangst van de brief de tijd gaf om te betalen. Dat heeft [gedaagde sub 1] c.s. niet gedaan en daarom is hij vanaf die datum in verzuim. [gedaagde sub 1] c.s.
Volledig
moet het gehuurde ontruimen 3.9 Het is vaste jurisprudentie dat een huurachterstand van 3 maanden of meer in beginsel een ontbinding (in een bodemprocedure) van de huurovereenkomst en ontruiming rechtvaardigt. Hieraan is in dit geval dus ruimschoots voldaan, waardoor als uitgangspunt kan worden genomen dat de huurachterstand reden genoeg is om de gevorderde ontruiming toe te wijzen. 3.10 Zoals in 3.1 al staat moet de kantonrechter in deze kort geding procedure beoordelen of het voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter de (ontbinding en) ontruiming van het gehuurde, dus het hele perceel inclusief nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] , toewijst. Omdat uit de stelling van partijen blijkt dat nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] in gebruik worden gegeven tegen betaling van een tegenprestatie, springt de vraag in het oog of dit aangemerkt moet worden als de (onder)verhuur van zelfstandige woonruimte door [gedaagde sub 1] c.s. Als dat het geval is zou artikel 7:269 BW aan de ontruiming in de weg kunnen staan. In dat artikel staat kort gezegd dat als iemand een zelfstandige woning onderhuurt en daar zelf woont, de hoofdverhuurder ( [eiser sub 1] c.s.) het onderhuurcontract voortzet als de hoofdhuurovereenkomst tussen de hoofdverhuurder ( [eiser sub 1] c.s.) en de hoofdhuurder ( [gedaagde sub 1] c.s.) eindigt. De kantonrechter heeft dit op zitting aan de orde gesteld, omdat deze vraag zich zo opdringt, en ook is besproken dat er een procedure loopt over de beëindiging van de huur tussen [gedaagde sub 1] c.s. en een van haar (onder)huurders, waarvan de twee woningen in de schuur met nummer [nummer/letteraanduiding 1] deel uitmaken. [gedaagde sub 1] c.s. heeft op dit punt echter geen verweer gevoerd dat tot afwijzing van de vordering tot ontruiming dient te leiden. Had [gedaagde sub 1] c.s. gewild dat in elk geval voor nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] de ontruiming niet zou worden toegewezen, dan had dat wel op zijn weg gelegen. 3.11 De kantonrechter is van oordeel dat mogelijke verhuur van zelfstandige woonruimte alleen dan nog aan de ontruiming in de weg zou kunnen staan, als volstrekt duidelijk is dat hiervan sprake is. Daarvoor zijn geen aanknopingspunten. Eerder het tegendeel: [gedaagde sub 1] c.s. heeft verklaard zich in de andere procedure op het standpunt te stellen dat de overeenkomst ten aanzien van schuur met nummer [nummer/letteraanduiding 1] niet betrekking heeft op huur van zelfstandige woonruimte, maar eerder iets van een dienstwoning bij een huurovereenkomst die moet worden aangemerkt als een overeenkomst in de zin van artikel 7:230a BW. [gedaagde sub 1] c.s. heeft verklaard dat (in elk geval) de woningen in de schuur met nummer [nummer/letteraanduiding 1] geen eigen douche hebben. Een zelfstandige woning is op grond van de wet echter een woning met een eigen ingang, waar je kunt wonen zonder dat je belangrijke voorzieningen buiten de woning nodig hebt. Belangrijke voorzieningen zijn bijvoorbeeld een eigen keuken, eigen toilet en eigen douche of bad. Onbekend is of dit ook geldt voor de woning met nummer [nummer/letteraanduiding 2] . - [gedaagde sub 1] c.s. kwalificeert het gebruik van de woning met nummer [nummer/letteraanduiding 2] als antikraak en vraagt daarvoor betaling van een bedrag dat aanzienlijk lagere is dan de voorheen geldende huurprijs. Het Besluit Gemeente Schuldhulpverlening (‘het Besluit’) staat niet in de weg aan toewijzing van de vordering 3.12 [gedaagde sub 1] c.s. heeft ook aangevoerd dat als sprake is van een huurachterstand, [eiser sub 1] c.s. niet heeft voldaan aan het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening (‘het Besluit’), omdat hij de huurachterstand van [gedaagde sub 1] c.s. niet bij de gemeente zou hebben gemeld (de vroegsignalering). [gedaagde sub 1] c.s. vindt dat de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. hierom moeten worden afgewezen. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Het Besluit is bedoeld om schulden op tijd te kunnen signaleren en te voorkomen dat schulden verder oplopen door financiële problemen. Uit de stellingen van [gedaagde sub 1] c.s. volgt dat schuldenproblematiek nooit de reden is geweest van het niet/minder betalen van de huur. Er is daarom geen aanleiding om een consequentie te verbinden aan het niet doen van een vroegsignalering bij de gemeente. De overige argumenten van [eiser sub 1] c.s. zijn geen reden voor toewijzing van de vordering 3.13 [eiser sub 1] c.s. heeft ook gesteld dat [gedaagde sub 1] c.s. tekort zou schieten in zijn verplichting zich als een goed huurder te gedragen, doordat hij zich zou misdragen tegen de onderhuurders en hen te intimideren. [gedaagde sub 1] c.s. heeft dit betwist. De kantonrechter heeft op de mondelinge behandeling aan [eiser sub 1] c.s. gevraagd in welke zin hij door dit vermeende handelen wordt benadeeld, waarop hij antwoordde daar niet door te worden benadeeld en het hem (voornamelijk) gaat om betaling van de achterstallige huur. De gestelde misdragingen zijn daarom niet meegenomen in de beslissing om de ontruiming toe te wijzen. 3.14 Tot slot heeft [eiser sub 1] c.s. het standpunt ingenomen dat [gedaagde sub 1] c.s. in strijd met het bestemmingsplan heeft gehandeld en ook dit tot ontruiming zou moeten leiden. Hoewel [gedaagde sub 1] c.s. zich eerst op het standpunt stelde dat niet meer in strijd met het bestemmingsplan wordt gehandeld, heeft hij op de mondelinge behandeling verteld dat nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] worden gebruikt als woonruimte en in zoverre nog steeds wordt gehandeld in strijd met het bestemmingsplan. [gedaagde sub 1] c.s. stelt echter dat deze enkele omstandigheid de ontruiming niet rechtvaardigt omdat [eiser sub 1] c.s. niet het risico zou lopen om dwangsommen te verbeuren. Uit de stukken volgt dat het aannemelijk is dat de vordering van de gemeente op basis van het eerdere besluit mogelijk is verjaard en hoewel dat niet in de weg staat aan een nieuw besluit van de gemeente gericht aan [eiser sub 1] c.s., is daarvan op dit moment geen sprake. [eiser sub 1] c.s. heeft daarom onvoldoende gesteld om een spoedeisend belang op dit punt aan te nemen. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op twee weken 3.15 [eiser sub 1] c.s. vordert een ontruimingstermijn van twee weken. [gedaagde sub 1] c.s. vindt dit te kort, omdat het moeilijk is om een andere woonruimte te vinden en hij ook voor zijn twee inwonende meerderjarige kinderen andere woonruimte moet zoeken. Hij verzoekt daarom een ontruimingstermijn van ten minste acht maanden. De kantonrechter ziet geen aanleiding om een langere ontruimingstermijn toe te wijzen dan die is gevorderd. Het is door het huidige woningtekort over het algemeen voor iedereen moeilijk om een (andere) woning te vinden. De inwonende kinderen van [gedaagde sub 1] c.s. zijn meerderjarig, waardoor ook van hen mag worden verwacht dat zij zelfstandig op zoek gaan naar een andere woonruimte en dit niet alleen afhangt van [gedaagde sub 1] c.s. De ontruimingstermijn wordt daarom vastgesteld op de gebruikelijke termijn van twee weken. Bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten zijn om een langere termijn toe te kennen zijn niet gesteld en niet gebleken. Deze termijn gaat in vanaf het moment dat dit vonnis aan [gedaagde sub 1] c.s. door de deurwaarder is bezorgd. [gedaagde sub 1] c.s. moet de huur doorbetalen totdat het gehuurde is ontruimd 3.16 [gedaagde sub 1] c.s. moet € 2.350,00 aan huur blijven betalen totdat het gehuurde daadwerkelijk wordt ontruimd. [gedaagde sub 1] c.s. mag namelijk in het gehuurde blijven totdat [eiser sub 1] c.s. deze uitspraak laat betekenen en voor het gebruik van het gehuurde moet hij betalen. Als [gedaagde sub 1] c.s. de lopende huur niet op tijd betaalt, is hij hierover ook wettelijke rente verschuldigd. [gedaagde sub 1] c.s. moet de proceskosten betalen 3.17 [gedaagde sub 1] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser sub 1] c.s.
Volledig
moet het gehuurde ontruimen 3.9 Het is vaste jurisprudentie dat een huurachterstand van 3 maanden of meer in beginsel een ontbinding (in een bodemprocedure) van de huurovereenkomst en ontruiming rechtvaardigt. Hieraan is in dit geval dus ruimschoots voldaan, waardoor als uitgangspunt kan worden genomen dat de huurachterstand reden genoeg is om de gevorderde ontruiming toe te wijzen. 3.10 Zoals in 3.1 al staat moet de kantonrechter in deze kort geding procedure beoordelen of het voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter de (ontbinding en) ontruiming van het gehuurde, dus het hele perceel inclusief nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] , toewijst. Omdat uit de stelling van partijen blijkt dat nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] in gebruik worden gegeven tegen betaling van een tegenprestatie, springt de vraag in het oog of dit aangemerkt moet worden als de (onder)verhuur van zelfstandige woonruimte door [gedaagde sub 1] c.s. Als dat het geval is zou artikel 7:269 BW aan de ontruiming in de weg kunnen staan. In dat artikel staat kort gezegd dat als iemand een zelfstandige woning onderhuurt en daar zelf woont, de hoofdverhuurder ( [eiser sub 1] c.s.) het onderhuurcontract voortzet als de hoofdhuurovereenkomst tussen de hoofdverhuurder ( [eiser sub 1] c.s.) en de hoofdhuurder ( [gedaagde sub 1] c.s.) eindigt. De kantonrechter heeft dit op zitting aan de orde gesteld, omdat deze vraag zich zo opdringt, en ook is besproken dat er een procedure loopt over de beëindiging van de huur tussen [gedaagde sub 1] c.s. en een van haar (onder)huurders, waarvan de twee woningen in de schuur met nummer [nummer/letteraanduiding 1] deel uitmaken. [gedaagde sub 1] c.s. heeft op dit punt echter geen verweer gevoerd dat tot afwijzing van de vordering tot ontruiming dient te leiden. Had [gedaagde sub 1] c.s. gewild dat in elk geval voor nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] de ontruiming niet zou worden toegewezen, dan had dat wel op zijn weg gelegen. 3.11 De kantonrechter is van oordeel dat mogelijke verhuur van zelfstandige woonruimte alleen dan nog aan de ontruiming in de weg zou kunnen staan, als volstrekt duidelijk is dat hiervan sprake is. Daarvoor zijn geen aanknopingspunten. Eerder het tegendeel: [gedaagde sub 1] c.s. heeft verklaard zich in de andere procedure op het standpunt te stellen dat de overeenkomst ten aanzien van schuur met nummer [nummer/letteraanduiding 1] niet betrekking heeft op huur van zelfstandige woonruimte, maar eerder iets van een dienstwoning bij een huurovereenkomst die moet worden aangemerkt als een overeenkomst in de zin van artikel 7:230a BW. [gedaagde sub 1] c.s. heeft verklaard dat (in elk geval) de woningen in de schuur met nummer [nummer/letteraanduiding 1] geen eigen douche hebben. Een zelfstandige woning is op grond van de wet echter een woning met een eigen ingang, waar je kunt wonen zonder dat je belangrijke voorzieningen buiten de woning nodig hebt. Belangrijke voorzieningen zijn bijvoorbeeld een eigen keuken, eigen toilet en eigen douche of bad. Onbekend is of dit ook geldt voor de woning met nummer [nummer/letteraanduiding 2] . - [gedaagde sub 1] c.s. kwalificeert het gebruik van de woning met nummer [nummer/letteraanduiding 2] als antikraak en vraagt daarvoor betaling van een bedrag dat aanzienlijk lagere is dan de voorheen geldende huurprijs. Het Besluit Gemeente Schuldhulpverlening (‘het Besluit’) staat niet in de weg aan toewijzing van de vordering 3.12 [gedaagde sub 1] c.s. heeft ook aangevoerd dat als sprake is van een huurachterstand, [eiser sub 1] c.s. niet heeft voldaan aan het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening (‘het Besluit’), omdat hij de huurachterstand van [gedaagde sub 1] c.s. niet bij de gemeente zou hebben gemeld (de vroegsignalering). [gedaagde sub 1] c.s. vindt dat de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. hierom moeten worden afgewezen. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Het Besluit is bedoeld om schulden op tijd te kunnen signaleren en te voorkomen dat schulden verder oplopen door financiële problemen. Uit de stellingen van [gedaagde sub 1] c.s. volgt dat schuldenproblematiek nooit de reden is geweest van het niet/minder betalen van de huur. Er is daarom geen aanleiding om een consequentie te verbinden aan het niet doen van een vroegsignalering bij de gemeente. De overige argumenten van [eiser sub 1] c.s. zijn geen reden voor toewijzing van de vordering 3.13 [eiser sub 1] c.s. heeft ook gesteld dat [gedaagde sub 1] c.s. tekort zou schieten in zijn verplichting zich als een goed huurder te gedragen, doordat hij zich zou misdragen tegen de onderhuurders en hen te intimideren. [gedaagde sub 1] c.s. heeft dit betwist. De kantonrechter heeft op de mondelinge behandeling aan [eiser sub 1] c.s. gevraagd in welke zin hij door dit vermeende handelen wordt benadeeld, waarop hij antwoordde daar niet door te worden benadeeld en het hem (voornamelijk) gaat om betaling van de achterstallige huur. De gestelde misdragingen zijn daarom niet meegenomen in de beslissing om de ontruiming toe te wijzen. 3.14 Tot slot heeft [eiser sub 1] c.s. het standpunt ingenomen dat [gedaagde sub 1] c.s. in strijd met het bestemmingsplan heeft gehandeld en ook dit tot ontruiming zou moeten leiden. Hoewel [gedaagde sub 1] c.s. zich eerst op het standpunt stelde dat niet meer in strijd met het bestemmingsplan wordt gehandeld, heeft hij op de mondelinge behandeling verteld dat nummers [nummer/letteraanduiding 1] en [nummer/letteraanduiding 2] worden gebruikt als woonruimte en in zoverre nog steeds wordt gehandeld in strijd met het bestemmingsplan. [gedaagde sub 1] c.s. stelt echter dat deze enkele omstandigheid de ontruiming niet rechtvaardigt omdat [eiser sub 1] c.s. niet het risico zou lopen om dwangsommen te verbeuren. Uit de stukken volgt dat het aannemelijk is dat de vordering van de gemeente op basis van het eerdere besluit mogelijk is verjaard en hoewel dat niet in de weg staat aan een nieuw besluit van de gemeente gericht aan [eiser sub 1] c.s., is daarvan op dit moment geen sprake. [eiser sub 1] c.s. heeft daarom onvoldoende gesteld om een spoedeisend belang op dit punt aan te nemen. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op twee weken 3.15 [eiser sub 1] c.s. vordert een ontruimingstermijn van twee weken. [gedaagde sub 1] c.s. vindt dit te kort, omdat het moeilijk is om een andere woonruimte te vinden en hij ook voor zijn twee inwonende meerderjarige kinderen andere woonruimte moet zoeken. Hij verzoekt daarom een ontruimingstermijn van ten minste acht maanden. De kantonrechter ziet geen aanleiding om een langere ontruimingstermijn toe te wijzen dan die is gevorderd. Het is door het huidige woningtekort over het algemeen voor iedereen moeilijk om een (andere) woning te vinden. De inwonende kinderen van [gedaagde sub 1] c.s. zijn meerderjarig, waardoor ook van hen mag worden verwacht dat zij zelfstandig op zoek gaan naar een andere woonruimte en dit niet alleen afhangt van [gedaagde sub 1] c.s. De ontruimingstermijn wordt daarom vastgesteld op de gebruikelijke termijn van twee weken. Bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten zijn om een langere termijn toe te kennen zijn niet gesteld en niet gebleken. Deze termijn gaat in vanaf het moment dat dit vonnis aan [gedaagde sub 1] c.s. door de deurwaarder is bezorgd. [gedaagde sub 1] c.s. moet de huur doorbetalen totdat het gehuurde is ontruimd 3.16 [gedaagde sub 1] c.s. moet € 2.350,00 aan huur blijven betalen totdat het gehuurde daadwerkelijk wordt ontruimd. [gedaagde sub 1] c.s. mag namelijk in het gehuurde blijven totdat [eiser sub 1] c.s. deze uitspraak laat betekenen en voor het gebruik van het gehuurde moet hij betalen. Als [gedaagde sub 1] c.s. de lopende huur niet op tijd betaalt, is hij hierover ook wettelijke rente verschuldigd. [gedaagde sub 1] c.s. moet de proceskosten betalen 3.17 [gedaagde sub 1] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser sub 1] c.s.