Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-29
ECLI:NL:RBMNE:2026:2304
Civiel recht
Kort geding
3,185 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2304 text/xml public 2026-05-12T14:23:47 2026-05-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-29 12143846 \ UV EXPL 26-67 WMB/61313 Uitspraak Kort geding NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2304 text/html public 2026-05-12T14:23:02 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2304 Rechtbank Midden-Nederland , 29-04-2026 / 12143846 \ UV EXPL 26-67 WMB/61313 Verstekvonnis in kort geding. Vorderingen betaling achterstallig loon en pensioenafdracht worden toegewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht, kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 12143846 \ UV EXPL 26-67 WMB/61313 Verstekvonnis in kort geding van 29 april 2026 in de zaak van [eiser] , wonend in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: de heer E.R. Eymann (DAS Rechtsbijstand), tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1 [eiser] heeft [gedaagde] op 26 maart 2026 gedagvaard. Daarop is geen reactie gekomen van [gedaagde] . De mondelinge behandeling vond plaats op 22 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] is daar samen met de heer Eymann verschenen. [gedaagde] is niet verschenen. De kantonrechter heeft aan het eind van de zitting bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1 [gedaagde] is een uitzendbureau. [eiser] werkt sinds 1 oktober 2018 via [gedaagde] bij een technisch installatiebedrijf als Senior Werkvoorbereider. [eiser] wil dat [gedaagde] een loonsverhoging doorvoert die hem toekomt op grond van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en [gedaagde] hem per 1 februari 2026 een brutoloon van € 5.227,77 per maand uitbetaalt. Verder wil [eiser] dat [gedaagde] hem € 1.100,00 en € 609,08 bruto aan achterstallig loon tot 31 januari 2026 betaalt, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente daarover, omdat de loonsverhoging nog niet is doorgevoerd. Daarnaast wil [eiser] dat [gedaagde] hem met terugwerkende kracht per 1 november 2024 weer aanmeldt bij de Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten, de per die datum verschuldigde pensioenpremies aan de stichting afdraagt, en hem bewijs laat zien dat zij dat heeft gedaan, op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag. De vorderingen van [eiser] worden toegewezen, waarbij de dwangsommen worden gemaximeerd. 3 De beoordeling 3.1 Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat heeft hij, omdat hij betaling van achterstallig loon en afdracht van pensioenpremies vordert waarvan hij afhankelijk is voor zijn levensonderhoud als hij in juli 2026 met pensioen gaat. 3.2 De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Tijdens de zitting heeft [eiser] gezegd dat zijn contactpersoon bij [gedaagde] hem kort voor de zitting telefonisch heeft aangegeven te zullen betalen en zij dus (een deel van de vorderingen) erkent. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd. De vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en die zullen daarom worden toegewezen. Daarbij worden de door [eiser] gevorderde dwangsommen beiden gemaximeerd op € 4.000,00. 3.3 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 155,67 - griffierecht € 753,00 - salaris gemachtigde € 577,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.629,67 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 1.100,00 bruto te betalen ter zake van achterstallig loon over de periode van 1 maart 2025 tot en met 31 januari 2026; 4.2 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] met ingang van 1 februari 2026 aan [eiser] een periodiek loon te voldoen van € 5.227,77 bruto per maand, exclusief toeslagen en emolumenten; 4.3 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 609,08 bruto te betalen ter zake van achterstallig loon over de periode van 1 oktober 2025 tot en met 31 januari 2026; 4.4 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] de maximale wettelijke verhoging ex. artikel 7:625 BW te betalen over de bij 4.1. en 4.3. genoemde bedragen en het bij 4.2. genoemde bedrag voor zover dat niet maandelijks tijdig en volledig wordt betaald; 4.5 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] de wettelijke rente te betalen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening over de bij 4.1. en 4.3. genoemde bedragen, het bij 4.2. genoemde bedrag voor zover dat niet maandelijks tijdig en volledig wordt betaald, en de wettelijke verhoging als bedoeld in 4.4.; 4.6 veroordeelt [gedaagde] om [eiser] met terugwerkende kracht per 1 november 2024 opnieuw aan te melden bij Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (StiPP); 4.7 veroordeelt [gedaagde] om aan Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (StiPP) te voldoen het verschuldigde bedrag aan pensioenpremies over de periode van 1 november 2024 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd ten name van [eiser] met vermelding van klantnummer [nummer] , op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] dat niet doet, tot het maximum van € 4000,00 is bereikt; 4.8 veroordeelt [gedaagde] om bewijsmiddelen aan [eiser] te verstrekken waaruit [eiser] kan en mag afleiden dat de bij 4.7. bedoelde afdracht van pensioenpremies heeft plaatsgevonden, op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] dat niet doet, tot het maximum van € 4000,00 is bereikt; 4.9 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.629,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 4.10 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2304 text/xml public 2026-05-12T14:23:47 2026-05-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-29 12143846 \ UV EXPL 26-67 WMB/61313 Uitspraak Kort geding NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2304 text/html public 2026-05-12T14:23:02 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2304 Rechtbank Midden-Nederland , 29-04-2026 / 12143846 \ UV EXPL 26-67 WMB/61313 Verstekvonnis in kort geding. Vorderingen betaling achterstallig loon en pensioenafdracht worden toegewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht, kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 12143846 \ UV EXPL 26-67 WMB/61313 Verstekvonnis in kort geding van 29 april 2026 in de zaak van [eiser] , wonend in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: de heer E.R. Eymann (DAS Rechtsbijstand), tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1 [eiser] heeft [gedaagde] op 26 maart 2026 gedagvaard. Daarop is geen reactie gekomen van [gedaagde] . De mondelinge behandeling vond plaats op 22 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] is daar samen met de heer Eymann verschenen. [gedaagde] is niet verschenen. De kantonrechter heeft aan het eind van de zitting bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1 [gedaagde] is een uitzendbureau. [eiser] werkt sinds 1 oktober 2018 via [gedaagde] bij een technisch installatiebedrijf als Senior Werkvoorbereider. [eiser] wil dat [gedaagde] een loonsverhoging doorvoert die hem toekomt op grond van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en [gedaagde] hem per 1 februari 2026 een brutoloon van € 5.227,77 per maand uitbetaalt. Verder wil [eiser] dat [gedaagde] hem € 1.100,00 en € 609,08 bruto aan achterstallig loon tot 31 januari 2026 betaalt, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente daarover, omdat de loonsverhoging nog niet is doorgevoerd. Daarnaast wil [eiser] dat [gedaagde] hem met terugwerkende kracht per 1 november 2024 weer aanmeldt bij de Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten, de per die datum verschuldigde pensioenpremies aan de stichting afdraagt, en hem bewijs laat zien dat zij dat heeft gedaan, op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag. De vorderingen van [eiser] worden toegewezen, waarbij de dwangsommen worden gemaximeerd. 3 De beoordeling 3.1 Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat heeft hij, omdat hij betaling van achterstallig loon en afdracht van pensioenpremies vordert waarvan hij afhankelijk is voor zijn levensonderhoud als hij in juli 2026 met pensioen gaat. 3.2 De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Tijdens de zitting heeft [eiser] gezegd dat zijn contactpersoon bij [gedaagde] hem kort voor de zitting telefonisch heeft aangegeven te zullen betalen en zij dus (een deel van de vorderingen) erkent. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd. De vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en die zullen daarom worden toegewezen. Daarbij worden de door [eiser] gevorderde dwangsommen beiden gemaximeerd op € 4.000,00. 3.3 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 155,67 - griffierecht € 753,00 - salaris gemachtigde € 577,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.629,67 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 1.100,00 bruto te betalen ter zake van achterstallig loon over de periode van 1 maart 2025 tot en met 31 januari 2026; 4.2 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] met ingang van 1 februari 2026 aan [eiser] een periodiek loon te voldoen van € 5.227,77 bruto per maand, exclusief toeslagen en emolumenten; 4.3 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 609,08 bruto te betalen ter zake van achterstallig loon over de periode van 1 oktober 2025 tot en met 31 januari 2026; 4.4 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] de maximale wettelijke verhoging ex. artikel 7:625 BW te betalen over de bij 4.1. en 4.3. genoemde bedragen en het bij 4.2. genoemde bedrag voor zover dat niet maandelijks tijdig en volledig wordt betaald; 4.5 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] de wettelijke rente te betalen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening over de bij 4.1. en 4.3. genoemde bedragen, het bij 4.2. genoemde bedrag voor zover dat niet maandelijks tijdig en volledig wordt betaald, en de wettelijke verhoging als bedoeld in 4.4.; 4.6 veroordeelt [gedaagde] om [eiser] met terugwerkende kracht per 1 november 2024 opnieuw aan te melden bij Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (StiPP); 4.7 veroordeelt [gedaagde] om aan Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (StiPP) te voldoen het verschuldigde bedrag aan pensioenpremies over de periode van 1 november 2024 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd ten name van [eiser] met vermelding van klantnummer [nummer] , op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] dat niet doet, tot het maximum van € 4000,00 is bereikt; 4.8 veroordeelt [gedaagde] om bewijsmiddelen aan [eiser] te verstrekken waaruit [eiser] kan en mag afleiden dat de bij 4.7. bedoelde afdracht van pensioenpremies heeft plaatsgevonden, op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] dat niet doet, tot het maximum van € 4000,00 is bereikt; 4.9 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.629,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 4.10 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.