Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-15
ECLI:NL:RBMNE:2026:2296
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,805 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2296 text/xml public 2026-05-11T12:10:14 2026-05-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-15 12006651 \ AC EXPL 25-2782 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amersfoort Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2296 text/html public 2026-05-11T12:09:38 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2296 Rechtbank Midden-Nederland , 15-04-2026 / 12006651 \ AC EXPL 25-2782 betaling factuur, opschortingsrecht en vordering tot schadevergoeding RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer: 12006651 \ AC EXPL 25-2782 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eiser] H.O.D.N. [handelsnaam] , wonend in [woonplaats] , eisende partij in conventie verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: J. van de Loosdrecht, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 27 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De kern van de zaak [gedaagde] huurt [eiser] in voor het leggen van dan wel het repareren van parketvloeren. [eiser] vordert in deze procedure betaling van een factuur van € 2.606,40 voor in opdracht van [gedaagde] bij de familie [naam] verrichte werkzaamheden. [gedaagde] weigert deze factuur te voldoen. Zij beroept zich op een opschortingsrecht. Tevens stelt [gedaagde] dat [eiser] schade heeft veroorzaakt. Zij wil dan ook dat [eiser] haar een bedrag van ruim € 6.000,00 betaalt. 3 De beoordeling 3.1 De vordering van [eiser] wordt toe- en die van [gedaagde] wordt afgewezen. Hieronder wordt deze beslissing uitgelegd. in conventie De familie [naam] 3.2 [gedaagde] betwist de factuur van [eiser] niet, maar beroept zich op haar opschortingsrecht. Zij heeft uitgelegd dat de werkzaamheden bij de familie [naam] betrekking hadden op schade aan de vloer, die [eiser] op verzoek van [gedaagde] heeft gerepareerd. [gedaagde] was op haar beurt ingeschakeld door een verzekeraar. Tijdens de herstelwerkzaamheden aan de vloer heeft [eiser] schade veroorzaakt aan keukenkastjes. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij de factuur van [eiser] niet hoeft te betalen, zolang de schade aan de keukenkastjes niet is afgehandeld. Uit de door [eiser] overgelegde brief van 13 januari 2026 (productie 1 bij conclusie van antwoord in reconventie) volgt dat ASR de schade heeft vergoed. Voor zover [gedaagde] zich al op een opschortingsrecht mocht beroepen, is dit recht geëindigd toen zij bekend werd met het feit dat de schade was afgehandeld. 3.3 Ook verklaarde [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling dat zij [eiser] niet hoeft te betalen zolang zij zelf niet is betaald door de verzekeraar. Volgens [gedaagde] zou dit zo (mondeling) zijn afgesproken met [eiser] en bovendien is dit - aldus [gedaagde] - algemeen gangbaar in de parketvloerenwereld. Namens [eiser] heeft het bestaan van deze mondelinge afspraak betwist. Nu [gedaagde] haar stelling verder niet heeft onderbouwd, komt haar ook om deze reden geen beroep op opschorting toe. Daar komt bij dat [eiser] geen partij is in de rechtsverhouding [gedaagde] - Verzekeraar. 3.4 Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde hoofdsom van [eiser] toegewezen wordt. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag kan worden toegewezen. In de dagvaarding had [eiser] het bedrag aan wettelijke rente berekend op € 64,49 van 2 september 2025 tot 21 november 2025. Dat kan niet juist zijn. Daarom wijst de kantonrechter de wettelijke rente toe vanaf het moment van de vervaldatum van de factuur, 2 september 2025, tot het moment van volledige betaling. 3.5 [eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 385,64 worden toegewezen. 3.6 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,35 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.011,85 in reconventie 3.7 [gedaagde] vordert schade in verband met twee klachten van klanten. De familie [naam] 3.8 Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de opdracht niet goed uitgevoerd, omdat er geen vochtfolie onder de vloer is gelegd. [eiser] verklaarde tijdens de zitting dat de folie niet geleverd is door [gedaagde] . Wat hier verder ook van zij, dat schade is ontstaan door toedoen van [eiser] kan niet worden beoordeeld, omdat [gedaagde] haar vordering niet dan wel onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Evenmin is komen vast te staan dat - voor zo ver [eiser] al tekort zou zijn geschoten - hij in gebreke is gesteld en een termijn is gegeven om de problemen op te lossen. Dat betekent dat [eiser] niet in verzuim is en [gedaagde] op grond van artikel 6:74 BW geen recht heeft op schadevergoeding. De familie [naam] 3.9 In opdracht van [gedaagde] heeft [eiser] een parketvloer gelegd bij de familie [naam] . De familie was ontevreden over de vloer en uiteindelijk is de overeenkomst ontbonden. Volgens [gedaagde] is [eiser] aansprakelijk voor de schade, omdat [eiser] de hele vloer heeft gelegd, terwijl de klant niet tevreden was. Ook deze stelling is niet voldoende onderbouwd. Onduidelijk is of [gedaagde] niet een verkeerde vloer heeft geleverd en ook is onbekend wanneer [eiser] te horen kreeg dat de vloer niet aan de verwachting van de familie [naam] voldeed. Nu [gedaagde] de gang van zaken onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd, kan niet beoordeeld worden of en zo ja, op welke juridische grondslag [eiser] aansprakelijk zou kunnen zijn. 3.10 Nu [gedaagde] in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij in de kosten van reconventie veroordeeld, zijnde één salarispunt voor de gemachtigde van [eiser] van € 360,00. 4 De beslissing De kantonrechter in conventie 4.1 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.606,40, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.606,40, met ingang van 2 september 2025 tot de dag van volledige betaling, 4.2 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 385,64 aan buitengerechtelijke kosten, 4.3 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.011,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, in reconventie 4.4 wijst de vordering af, 4.5 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 360,00 voor salaris gemachtigde, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, in conventie en reconventie 4.6 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. 698
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2296 text/xml public 2026-05-11T12:10:14 2026-05-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-15 12006651 \ AC EXPL 25-2782 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amersfoort Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2296 text/html public 2026-05-11T12:09:38 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2296 Rechtbank Midden-Nederland , 15-04-2026 / 12006651 \ AC EXPL 25-2782 betaling factuur, opschortingsrecht en vordering tot schadevergoeding RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer: 12006651 \ AC EXPL 25-2782 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eiser] H.O.D.N. [handelsnaam] , wonend in [woonplaats] , eisende partij in conventie verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: J. van de Loosdrecht, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 27 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De kern van de zaak [gedaagde] huurt [eiser] in voor het leggen van dan wel het repareren van parketvloeren. [eiser] vordert in deze procedure betaling van een factuur van € 2.606,40 voor in opdracht van [gedaagde] bij de familie [naam] verrichte werkzaamheden. [gedaagde] weigert deze factuur te voldoen. Zij beroept zich op een opschortingsrecht. Tevens stelt [gedaagde] dat [eiser] schade heeft veroorzaakt. Zij wil dan ook dat [eiser] haar een bedrag van ruim € 6.000,00 betaalt. 3 De beoordeling 3.1 De vordering van [eiser] wordt toe- en die van [gedaagde] wordt afgewezen. Hieronder wordt deze beslissing uitgelegd. in conventie De familie [naam] 3.2 [gedaagde] betwist de factuur van [eiser] niet, maar beroept zich op haar opschortingsrecht. Zij heeft uitgelegd dat de werkzaamheden bij de familie [naam] betrekking hadden op schade aan de vloer, die [eiser] op verzoek van [gedaagde] heeft gerepareerd. [gedaagde] was op haar beurt ingeschakeld door een verzekeraar. Tijdens de herstelwerkzaamheden aan de vloer heeft [eiser] schade veroorzaakt aan keukenkastjes. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij de factuur van [eiser] niet hoeft te betalen, zolang de schade aan de keukenkastjes niet is afgehandeld. Uit de door [eiser] overgelegde brief van 13 januari 2026 (productie 1 bij conclusie van antwoord in reconventie) volgt dat ASR de schade heeft vergoed. Voor zover [gedaagde] zich al op een opschortingsrecht mocht beroepen, is dit recht geëindigd toen zij bekend werd met het feit dat de schade was afgehandeld. 3.3 Ook verklaarde [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling dat zij [eiser] niet hoeft te betalen zolang zij zelf niet is betaald door de verzekeraar. Volgens [gedaagde] zou dit zo (mondeling) zijn afgesproken met [eiser] en bovendien is dit - aldus [gedaagde] - algemeen gangbaar in de parketvloerenwereld. Namens [eiser] heeft het bestaan van deze mondelinge afspraak betwist. Nu [gedaagde] haar stelling verder niet heeft onderbouwd, komt haar ook om deze reden geen beroep op opschorting toe. Daar komt bij dat [eiser] geen partij is in de rechtsverhouding [gedaagde] - Verzekeraar. 3.4 Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde hoofdsom van [eiser] toegewezen wordt. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag kan worden toegewezen. In de dagvaarding had [eiser] het bedrag aan wettelijke rente berekend op € 64,49 van 2 september 2025 tot 21 november 2025. Dat kan niet juist zijn. Daarom wijst de kantonrechter de wettelijke rente toe vanaf het moment van de vervaldatum van de factuur, 2 september 2025, tot het moment van volledige betaling. 3.5 [eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 385,64 worden toegewezen. 3.6 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,35 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.011,85 in reconventie 3.7 [gedaagde] vordert schade in verband met twee klachten van klanten. De familie [naam] 3.8 Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de opdracht niet goed uitgevoerd, omdat er geen vochtfolie onder de vloer is gelegd. [eiser] verklaarde tijdens de zitting dat de folie niet geleverd is door [gedaagde] . Wat hier verder ook van zij, dat schade is ontstaan door toedoen van [eiser] kan niet worden beoordeeld, omdat [gedaagde] haar vordering niet dan wel onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Evenmin is komen vast te staan dat - voor zo ver [eiser] al tekort zou zijn geschoten - hij in gebreke is gesteld en een termijn is gegeven om de problemen op te lossen. Dat betekent dat [eiser] niet in verzuim is en [gedaagde] op grond van artikel 6:74 BW geen recht heeft op schadevergoeding. De familie [naam] 3.9 In opdracht van [gedaagde] heeft [eiser] een parketvloer gelegd bij de familie [naam] . De familie was ontevreden over de vloer en uiteindelijk is de overeenkomst ontbonden. Volgens [gedaagde] is [eiser] aansprakelijk voor de schade, omdat [eiser] de hele vloer heeft gelegd, terwijl de klant niet tevreden was. Ook deze stelling is niet voldoende onderbouwd. Onduidelijk is of [gedaagde] niet een verkeerde vloer heeft geleverd en ook is onbekend wanneer [eiser] te horen kreeg dat de vloer niet aan de verwachting van de familie [naam] voldeed. Nu [gedaagde] de gang van zaken onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd, kan niet beoordeeld worden of en zo ja, op welke juridische grondslag [eiser] aansprakelijk zou kunnen zijn. 3.10 Nu [gedaagde] in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij in de kosten van reconventie veroordeeld, zijnde één salarispunt voor de gemachtigde van [eiser] van € 360,00. 4 De beslissing De kantonrechter in conventie 4.1 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.606,40, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.606,40, met ingang van 2 september 2025 tot de dag van volledige betaling, 4.2 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 385,64 aan buitengerechtelijke kosten, 4.3 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.011,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, in reconventie 4.4 wijst de vordering af, 4.5 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 360,00 voor salaris gemachtigde, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, in conventie en reconventie 4.6 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. 698