Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-29
ECLI:NL:RBMNE:2026:2294
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,129 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2294 text/xml public 2026-05-15T08:59:09 2026-05-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-29 11316748 UC EXPL 24-6403 (hoofdzaak) en 11623293 UC EXPL 25-2803 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2294 text/html public 2026-05-15T08:58:38 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2294 Rechtbank Midden-Nederland , 29-04-2026 / 11316748 UC EXPL 24-6403 (hoofdzaak) en 11623293 UC EXPL 25-2803 Nalevingsonderzoek SNCU, bestuurdersaansprakelijkheid, forfaitaire schadevergoeding wegens het niet meewerken aan het nalevingsonderzoek. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummers: 11316748 UC EXPL 24-6403 (hoofdzaak) en 11623293 UC EXPL 25-2803 (vrijwaring) Vonnis van 29 april 2026 inzake de stichting Stichting Naleving CAO Voor Uitzendkrachten , gevestigd te Barendrecht, verder ook te noemen SNCU, eisende partij in de hoofdzaak, gemachtigde: mr. M.H.D. Vergouwen en mr. D.P. op den Velde, tegen: 1. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 2] B.V. , gevestigd te [plaats 1] , verder te noemen [procesdeelneemster 2] , procederend bij [procesdeelnemer 6] , 2. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 3] B.V., in haar hoedanigheid van voormalig bestuurder van gedaagde sub 1, gevestigd te [plaats 1] , verder te noemen [procesdeelneemster 3] , gemachtigde: mr. E. Hoekstra, 3. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 4] B.V., in haar hoedanigheid van voormalig (indirect) bestuurder van gedaagde sub 1, gevestigd te [plaats 2] , verder te noemen [procesdeelneemster 4] , gemachtigde: mr. E. Hoekstra, 4. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 5] B.V., in haar hoedanigheid van voormalig (indirect) bestuurder van gedaagde sub 1, gevestigd te [plaats 1] , verder te noemen [procesdeelneemster 5] , gemachtigde: mr. E. Hoekstra, 5. [procesdeelnemer 6] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van gedaagde sub 1, wonende te [plaats 3] , verder te noemen [procesdeelnemer 6] , procederende in persoon, 6. [procesdeelnemer 7] , in haar hoedanigheid van voormalig (indirect) bestuurder van gedaagde sub 1, wonende te [plaats 4] , verder te noemen [procesdeelnemer 7] , gemachtigde: mr. E. Hoekstra, 7. [procesdeelnemer 8] , in zijn hoedanigheid van voormalig (indirect) bestuurder van gedaagde sub 1, wonende te [plaats 4] , verder te noemen [procesdeelnemer 8] , gemachtigde: mr. E. Hoekstra, gedaagde partijen in de hoofdzaak, en in de vrijwaring van: 1. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 3] B.V., gevestigd te [plaats 1] , verder te noemen [procesdeelneemster 3] , 2. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 4] B.V., gevestigd te [plaats 2] , verder te noemen [procesdeelneemster 4] , 3. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 5] B.V., gevestigd te [plaats 1] , verder te noemen [procesdeelneemster 5] , 4. [procesdeelnemer 7] , wonende te [plaats 4] , verder te noemen [procesdeelnemer 7] , 5. [procesdeelnemer 8] , wonende te [plaats 4] , verder te noemen [procesdeelnemer 8] , eisende partijen in de vrijwaring, gemachtigde: mr. E. Hoekstra, tegen 1. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 2] B.V. , gevestigd te [plaats 1] , verder te noemen [procesdeelneemster 2] , 2. [procesdeelnemer 6] , wonende te [plaats 3] , verder te noemen [procesdeelnemer 6] , gedaagde partijen in de vrijwaring, niet verschenen. 1 De procedure in de hoofdzaak 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van SNCU met 30 producties de incidentele conclusie van gedaagden sub 2, 3, 4, 6 en 7 met 4 producties de incidentele conclusie van antwoord van SNCU met productie 31 het vonnis in het incident van 15 januari 2025 de conclusie van antwoord van gedaagden sub 2, 3, 4, 6 en 7 met 7 producties de akte van gedaagden sub 2, 3, 4, 6 en 7 tot overlegging nadere producties 8 en 9 de berichten van 27 mei 2025 en 10 juni 2025 van mr. Van den Velde met aanvullende stukken het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 11 juni 2025 de conclusie van antwoord van [procesdeelnemer 6] . 1.2 De mondelinge behandeling is voortgezet op 17 maart 2026. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Zij hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en hebben op elkaar kunnen reageren. [procesdeelnemer 6] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij is verschenen mede namens [procesdeelneemster 2] . Door alsnog te verschijnen hebben [procesdeelnemer 6] en [procesdeelneemster 2] hun verstek gezuiverd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er op de mondelinge behandeling is besproken. 1.3 Ten slotte is vonnis bepaald. in de vrijwaring 1.4 Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met 5 producties. [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] hebben hier niet op gereageerd en hebben ook geen uitstel gevraagd om op een later moment alsnog te mogen reageren. De kantonrechter heeft daarom in de vrijwaring verstek verleend tegen [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] . 1.5 Ten slotte is vonnis bepaald 2 De kern van de zaken Het gaat in de hoofdzaak om de vraag of gedaagden hun medewerking moeten verlenen aan het door SNCU ingestelde onderzoek naar de naleving van de cao voor uitzendkrachten en de cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. De kantonrechter is van oordeel dat die verplichting alleen rust op [procesdeelneemster 2] en haar huidige bestuurder [procesdeelnemer 6] . De andere gedaagden in de hoofdzaak zijn voormalig (direct of indirect) bestuurders en hebben geen zeggenschap meer over [procesdeelneemster 2] . Zij hebben ook geen toegang meer tot de administratie van [procesdeelneemster 2] . De kantonrechter acht niet komen vast te staan dat de voormalig bestuurders ernstig kan worden verweten dat door [procesdeelneemster 2] niet is meegewerkt aan het nalevingsonderzoek. Dat kan [procesdeelnemer 6] wel worden verweten. De vordering van SNCU tot hoofdelijke veroordeling van gedaagden om een forfaitaire schadevergoeding te betalen wegens het niet meewerken aan het nalevingsonderzoek, is daarom alleen toewijsbaar ten aanzien van [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] . De hoogte van de gevorderde schadevergoeding wordt wel gematigd, omdat SNCU de door haar geleden schade niet concreet heeft onderbouwd. Omdat in de hoofdzaak de vorderingen van SNCU op de voormalig bestuurders worden afgewezen, is er geen grond voor toewijzing van de vorderingen in de vrijwaring. 3 De achtergrond van de zaken 3.1 SNCU is opgericht door werkgevers- en werknemersorganisaties in de uitzendbranche. Eén van haar taken is het toezien op een correcte naleving van de cao voor uitzendkrachten en de cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche (hierna: de cao’s). Deze cao’s zijn in verschillende periodes algemeen verbindend verklaard. 3.2 [procesdeelneemster 2] is een bedrijf in de uitzendbranche. Van 5 juli 2021 tot 21 november 2023 was [procesdeelneemster 3] enig aandeelhouder en bestuurder van [procesdeelneemster 2] . [procesdeelnemer 8] en [procesdeelnemer 7] zijn via hun ondernemingen [procesdeelneemster 4] en [procesdeelneemster 5] bestuurders van [procesdeelneemster 3] . Tot 21 november 2023 was [procesdeelneemster 3] dus direct bestuurder van [procesdeelneemster 2] en waren [procesdeelneemster 4] , [procesdeelneemster 5] , [procesdeelnemer 7] en [procesdeelnemer 8] indirect bestuurders van [procesdeelneemster 2] . 3.3 Op 26 september 2023 is SNCU een onderzoek gestart naar naleving van de cao’s door [procesdeelneemster 2] in de periode van 31 augustus 2022 tot en met 1 januari 2023. Op 19 oktober 2023 heeft [procesdeelneemster 2] verzocht om uitstel voor het aanleveren van stukken. 3.4 Op 21 november 2023 is [procesdeelneemster 3] uitgeschreven als bestuurder en aandeelhouder van [procesdeelneemster 2] en heeft [procesdeelnemer 6] het bedrijf overgenomen. 3.5 Op 28 november 2023 heeft [procesdeelneemster 2] de verzochte gegevens aan SNCU aangeleverd.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2294 text/xml public 2026-05-15T08:59:09 2026-05-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-29 11316748 UC EXPL 24-6403 (hoofdzaak) en 11623293 UC EXPL 25-2803 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2294 text/html public 2026-05-15T08:58:38 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2294 Rechtbank Midden-Nederland , 29-04-2026 / 11316748 UC EXPL 24-6403 (hoofdzaak) en 11623293 UC EXPL 25-2803 Nalevingsonderzoek SNCU, bestuurdersaansprakelijkheid, forfaitaire schadevergoeding wegens het niet meewerken aan het nalevingsonderzoek. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummers: 11316748 UC EXPL 24-6403 (hoofdzaak) en 11623293 UC EXPL 25-2803 (vrijwaring) Vonnis van 29 april 2026 inzake de stichting Stichting Naleving CAO Voor Uitzendkrachten , gevestigd te Barendrecht, verder ook te noemen SNCU, eisende partij in de hoofdzaak, gemachtigde: mr. M.H.D. Vergouwen en mr. D.P. op den Velde, tegen: 1. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 2] B.V. , gevestigd te [plaats 1] , verder te noemen [procesdeelneemster 2] , procederend bij [procesdeelnemer 6] , 2. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 3] B.V., in haar hoedanigheid van voormalig bestuurder van gedaagde sub 1, gevestigd te [plaats 1] , verder te noemen [procesdeelneemster 3] , gemachtigde: mr. E. Hoekstra, 3. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 4] B.V., in haar hoedanigheid van voormalig (indirect) bestuurder van gedaagde sub 1, gevestigd te [plaats 2] , verder te noemen [procesdeelneemster 4] , gemachtigde: mr. E. Hoekstra, 4. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 5] B.V., in haar hoedanigheid van voormalig (indirect) bestuurder van gedaagde sub 1, gevestigd te [plaats 1] , verder te noemen [procesdeelneemster 5] , gemachtigde: mr. E. Hoekstra, 5. [procesdeelnemer 6] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van gedaagde sub 1, wonende te [plaats 3] , verder te noemen [procesdeelnemer 6] , procederende in persoon, 6. [procesdeelnemer 7] , in haar hoedanigheid van voormalig (indirect) bestuurder van gedaagde sub 1, wonende te [plaats 4] , verder te noemen [procesdeelnemer 7] , gemachtigde: mr. E. Hoekstra, 7. [procesdeelnemer 8] , in zijn hoedanigheid van voormalig (indirect) bestuurder van gedaagde sub 1, wonende te [plaats 4] , verder te noemen [procesdeelnemer 8] , gemachtigde: mr. E. Hoekstra, gedaagde partijen in de hoofdzaak, en in de vrijwaring van: 1. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 3] B.V., gevestigd te [plaats 1] , verder te noemen [procesdeelneemster 3] , 2. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 4] B.V., gevestigd te [plaats 2] , verder te noemen [procesdeelneemster 4] , 3. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 5] B.V., gevestigd te [plaats 1] , verder te noemen [procesdeelneemster 5] , 4. [procesdeelnemer 7] , wonende te [plaats 4] , verder te noemen [procesdeelnemer 7] , 5. [procesdeelnemer 8] , wonende te [plaats 4] , verder te noemen [procesdeelnemer 8] , eisende partijen in de vrijwaring, gemachtigde: mr. E. Hoekstra, tegen 1. de besloten vennootschap [procesdeelneemster 2] B.V. , gevestigd te [plaats 1] , verder te noemen [procesdeelneemster 2] , 2. [procesdeelnemer 6] , wonende te [plaats 3] , verder te noemen [procesdeelnemer 6] , gedaagde partijen in de vrijwaring, niet verschenen. 1 De procedure in de hoofdzaak 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van SNCU met 30 producties de incidentele conclusie van gedaagden sub 2, 3, 4, 6 en 7 met 4 producties de incidentele conclusie van antwoord van SNCU met productie 31 het vonnis in het incident van 15 januari 2025 de conclusie van antwoord van gedaagden sub 2, 3, 4, 6 en 7 met 7 producties de akte van gedaagden sub 2, 3, 4, 6 en 7 tot overlegging nadere producties 8 en 9 de berichten van 27 mei 2025 en 10 juni 2025 van mr. Van den Velde met aanvullende stukken het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 11 juni 2025 de conclusie van antwoord van [procesdeelnemer 6] . 1.2 De mondelinge behandeling is voortgezet op 17 maart 2026. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Zij hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en hebben op elkaar kunnen reageren. [procesdeelnemer 6] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij is verschenen mede namens [procesdeelneemster 2] . Door alsnog te verschijnen hebben [procesdeelnemer 6] en [procesdeelneemster 2] hun verstek gezuiverd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er op de mondelinge behandeling is besproken. 1.3 Ten slotte is vonnis bepaald. in de vrijwaring 1.4 Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met 5 producties. [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] hebben hier niet op gereageerd en hebben ook geen uitstel gevraagd om op een later moment alsnog te mogen reageren. De kantonrechter heeft daarom in de vrijwaring verstek verleend tegen [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] . 1.5 Ten slotte is vonnis bepaald 2 De kern van de zaken Het gaat in de hoofdzaak om de vraag of gedaagden hun medewerking moeten verlenen aan het door SNCU ingestelde onderzoek naar de naleving van de cao voor uitzendkrachten en de cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. De kantonrechter is van oordeel dat die verplichting alleen rust op [procesdeelneemster 2] en haar huidige bestuurder [procesdeelnemer 6] . De andere gedaagden in de hoofdzaak zijn voormalig (direct of indirect) bestuurders en hebben geen zeggenschap meer over [procesdeelneemster 2] . Zij hebben ook geen toegang meer tot de administratie van [procesdeelneemster 2] . De kantonrechter acht niet komen vast te staan dat de voormalig bestuurders ernstig kan worden verweten dat door [procesdeelneemster 2] niet is meegewerkt aan het nalevingsonderzoek. Dat kan [procesdeelnemer 6] wel worden verweten. De vordering van SNCU tot hoofdelijke veroordeling van gedaagden om een forfaitaire schadevergoeding te betalen wegens het niet meewerken aan het nalevingsonderzoek, is daarom alleen toewijsbaar ten aanzien van [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] . De hoogte van de gevorderde schadevergoeding wordt wel gematigd, omdat SNCU de door haar geleden schade niet concreet heeft onderbouwd. Omdat in de hoofdzaak de vorderingen van SNCU op de voormalig bestuurders worden afgewezen, is er geen grond voor toewijzing van de vorderingen in de vrijwaring. 3 De achtergrond van de zaken 3.1 SNCU is opgericht door werkgevers- en werknemersorganisaties in de uitzendbranche. Eén van haar taken is het toezien op een correcte naleving van de cao voor uitzendkrachten en de cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche (hierna: de cao’s). Deze cao’s zijn in verschillende periodes algemeen verbindend verklaard. 3.2 [procesdeelneemster 2] is een bedrijf in de uitzendbranche. Van 5 juli 2021 tot 21 november 2023 was [procesdeelneemster 3] enig aandeelhouder en bestuurder van [procesdeelneemster 2] . [procesdeelnemer 8] en [procesdeelnemer 7] zijn via hun ondernemingen [procesdeelneemster 4] en [procesdeelneemster 5] bestuurders van [procesdeelneemster 3] . Tot 21 november 2023 was [procesdeelneemster 3] dus direct bestuurder van [procesdeelneemster 2] en waren [procesdeelneemster 4] , [procesdeelneemster 5] , [procesdeelnemer 7] en [procesdeelnemer 8] indirect bestuurders van [procesdeelneemster 2] . 3.3 Op 26 september 2023 is SNCU een onderzoek gestart naar naleving van de cao’s door [procesdeelneemster 2] in de periode van 31 augustus 2022 tot en met 1 januari 2023. Op 19 oktober 2023 heeft [procesdeelneemster 2] verzocht om uitstel voor het aanleveren van stukken. 3.4 Op 21 november 2023 is [procesdeelneemster 3] uitgeschreven als bestuurder en aandeelhouder van [procesdeelneemster 2] en heeft [procesdeelnemer 6] het bedrijf overgenomen. 3.5 Op 28 november 2023 heeft [procesdeelneemster 2] de verzochte gegevens aan SNCU aangeleverd.
Volledig
3.6 Op 23 januari 2024 heeft SNCU [procesdeelneemster 2] meegedeeld dat er een gegrond vermoeden is van niet naleving van de cao’s door [procesdeelneemster 2] en dat besloten is om een nalevingsonderzoek bij [procesdeelneemster 2] in te stellen. 3.7 [procesdeelneemster 2] heeft SNCU vervolgens schriftelijk verzocht om een toelichting. Die brief is gedateerd op 16 februari 2024 en door SNCU ontvangen op 12 maart 2024. [procesdeelneemster 2] heeft ook een nabetaling gedaan. 3.8 In de maanden daarna heeft SNCU [procesdeelneemster 2] herhaaldelijk gesommeerd om contact op te nemen met een onafhankelijk controlebureau om een nalevingsverzoek in te plannen. [procesdeelneemster 2] heeft niet gereageerd, waarna SNCU [procesdeelneemster 2] op 3 mei 2024 nogmaals heeft gesommeerd om haar medewerking te verlenen. In die brief, die is gestuurd aan alle gedaagden in de hoofdzaak, is ook aanspraak gemaakt op betaling van een forfaitaire schadevergoeding van € 100.000, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten. De voormalig bestuurders hebben de vordering betwist en [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] hebben niet gereageerd. 3.9 SNCU vordert daarom in deze procedure (in de hoofdzaak) hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot naleving van de cao’s indien en voor zover deze algemeen verbindend zijn verklaard, onder meer door het verlenen van medewerking aan het nalevingsonderzoek, op straffe van een dwangsom. SNCU vordert verder hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van € 100.000 als forfaitaire schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Gedaagden in de hoofdzaak hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van SNCU. 3.10 De voormalig bestuurders vorderen in de vrijwaring dat [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] worden veroordeeld om datgene te doen en/of te betalen waartoe de voormalig bestuurders in de hoofdzaak jegens SNCU worden veroordeeld. 4 De beoordeling in de hoofdzaak 4.1 Beoordeeld moet worden of de vorderingen van SNCU tot naleving van de cao’s en tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding toewijsbaar zijn. De kantonrechter zal eerst de vorderingen ingesteld tegen [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] beoordelen en daarna tegen de voormalig bestuurders. [procesdeelneemster 2] moet de cao’s naleven en aan SNCU een forfaitaire schadevergoeding betalen 4.2 [procesdeelneemster 2] heeft niet betwist dat zij onder de werkingssfeer van de cao’s valt. Zij is daarom verplicht de cao’s na te leven tijdens de periodes dat de cao’s algemeen verbindend zijn verklaard. Hieronder valt ook de verplichting tot het verlenen van medewerking aan een nalevingsonderzoek door een afspraak in te plannen met een door SNCU aangewezen controlebureau. De kantonrechter zal [procesdeelneemster 2] daarom veroordelen tot naleving van de cao’s zoals door SNCU is gevorderd. Aan deze veroordeling zal een dwangsom worden verbonden. De dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 1.000 met een maximum van € 25.000. 4.3 SNCU vordert ook een forfaitaire schadevergoeding van € 100.000. Deze schadevergoeding is op grond van artikel 9 lid 1 van Reglement II verschuldigd als de onderneming nalatig blijft in het verstrekken van de door SNCU gevraagde gegevens. [procesdeelnemer 6] heeft, mede namens [procesdeelneemster 2] , om matiging van deze vergoeding gevraagd. 4.4 De kantonrechter stelt voorop dat schade in beginsel concreet moet worden begroot. In de cao’s en in artikel 5 lid 1 en 2 van de statuten van SNCU is opgenomen dat de schadevergoeding dient ter dekking van de kosten die SNCU maakt als gevolg van haar toezichthoudende taak. In de door SNCU overgelegde beleidsnotitie ‘ Beleid methodiek (forfaitaire) schadevergoeding SNCU’ is weliswaar opgenomen dat die bepalingen slechts zien op het bestedingsdoel van de verkregen gelden en niet op de aard van de schadevergoeding, maar dat blijkt niet uit de betreffende bepalingen en is door SNCU in deze procedure ook onvoldoende onderbouwd. Het uitgangspunt blijft dus dat de schade concreet moet worden begroot. SNCU heeft niet gesteld wat de concrete schade is die zij lijdt door het niet meewerken van [procesdeelneemster 2] aan een nalevingsonderzoek. In de beleidsnotitie is slechts opgenomen dat het bestuur heeft besloten de hoogte van de forfaitaire schadevergoeding te bepalen op € 100.000. Dit sluit namelijk aan bij het bedrag dat als maximum is gekozen voor de gestaffelde schadevergoeding die verschuldigd is als wordt volhard in vastgestelde cao-overtredingen (artikel 9 lid 2 van Reglement II). SNCU heeft hiermee de hoogte van de thans gevorderde schadevergoeding onvoldoende concreet onderbouwd. Nu het wel aannemelijk is dat SNCU enige schade heeft geleden, zal de kantonrechter de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.000. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de dag van de dagvaarding, te weten 3 september 2024 tot de voldoening. [procesdeelnemer 6] is hoofdelijk aansprakelijk voor naleving van de cao’s door [procesdeelneemster 2] en de te betalen forfaitaire schadevergoeding 4.5 SNCU stelt dat de weigering van [procesdeelneemster 2] om mee te werken aan een nalevingsonderzoek het directe gevolg is van het (niet) handelen van de huidige bestuurder van de onderneming, [procesdeelnemer 6] . Zij stelt dan ook dat [procesdeelnemer 6] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid hoofdelijk aansprakelijk is voor de naleving van de cao’s en de te betalen forfaitaire schadevergoeding. De kantonrechter is het hiermee eens en zal dit toelichten. 4.6 Wanneer een vennootschap wanprestatie pleegt of onrechtmatig handelt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, behalve die vennootschap, ook de bestuurder van die vennootschap aansprakelijk zijn voor de schade. Daarbij geldt als maatstaf dat hij voor de schade van de schuldeiser aansprakelijk kan worden gehouden als zijn handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken vennootschap ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt kan in de eerste plaats sprake zijn als de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan terwijl hij wist, althans behoorde te weten, dat de vennootschap de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet zou kunnen nakomen en evenmin verhaal zou bieden. Van ernstige persoonlijke verwijtbaarheid van de bestuurder kan ook sprake zijn als de bestuurder willens en wetens heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt met schade voor de schuldeiser als voorzienbaar gevolg. Die laatste situatie doet zich hier voor. 4.7 Het kan [procesdeelnemer 6] ernstig worden verweten dat [procesdeelneemster 2] niet (langer) heeft meegewerkt aan het door SNCU in september 2023 gestarte onderzoek. [procesdeelnemer 6] is weliswaar pas vanaf 21 november 2023 enig bestuurder en aandeelhouder van [procesdeelneemster 2] , maar volgens zijn eigen verklaring was hij al ruim voor die tijd betrokken bij de bedrijfsvoering van [procesdeelneemster 2] . Ter onderbouwing hiervan heeft hij een intentieverklaring overgelegd van 11 januari 2023 waaruit zijn intentie om [procesdeelneemster 2] van [procesdeelneemster 3] over te nemen blijkt. [procesdeelnemer 6] heeft verklaard dat hij al vanaf augustus 2023 feitelijke werkzaamheden verrichtte bij [procesdeelneemster 2] en dat hij wist van het door SNCU in september 2023 gestarte onderzoek. Hij heeft verder verklaard dat hij op 28 november 2023 gegevens aan SNCU heeft verstrekt en in februari 2024 met hulp van [procesdeelnemer 7] , voormalig indirect bestuurder van [procesdeelneemster 2] , een brief aan SNCU heeft gestuurd met vragen. Het staat vast dat [procesdeelnemer 6] daarna op geen enkel verzoek van SNCU meer heeft gereageerd. 4.8 Volgens [procesdeelnemer 6] was er sprake van een overmachtsituatie, omdat hij van 22 februari 2024 tot 4 februari 2025 gedetineerd was in Duitsland. Dit verweer treft geen doel.
Volledig
3.6 Op 23 januari 2024 heeft SNCU [procesdeelneemster 2] meegedeeld dat er een gegrond vermoeden is van niet naleving van de cao’s door [procesdeelneemster 2] en dat besloten is om een nalevingsonderzoek bij [procesdeelneemster 2] in te stellen. 3.7 [procesdeelneemster 2] heeft SNCU vervolgens schriftelijk verzocht om een toelichting. Die brief is gedateerd op 16 februari 2024 en door SNCU ontvangen op 12 maart 2024. [procesdeelneemster 2] heeft ook een nabetaling gedaan. 3.8 In de maanden daarna heeft SNCU [procesdeelneemster 2] herhaaldelijk gesommeerd om contact op te nemen met een onafhankelijk controlebureau om een nalevingsverzoek in te plannen. [procesdeelneemster 2] heeft niet gereageerd, waarna SNCU [procesdeelneemster 2] op 3 mei 2024 nogmaals heeft gesommeerd om haar medewerking te verlenen. In die brief, die is gestuurd aan alle gedaagden in de hoofdzaak, is ook aanspraak gemaakt op betaling van een forfaitaire schadevergoeding van € 100.000, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten. De voormalig bestuurders hebben de vordering betwist en [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] hebben niet gereageerd. 3.9 SNCU vordert daarom in deze procedure (in de hoofdzaak) hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot naleving van de cao’s indien en voor zover deze algemeen verbindend zijn verklaard, onder meer door het verlenen van medewerking aan het nalevingsonderzoek, op straffe van een dwangsom. SNCU vordert verder hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van € 100.000 als forfaitaire schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Gedaagden in de hoofdzaak hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van SNCU. 3.10 De voormalig bestuurders vorderen in de vrijwaring dat [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] worden veroordeeld om datgene te doen en/of te betalen waartoe de voormalig bestuurders in de hoofdzaak jegens SNCU worden veroordeeld. 4 De beoordeling in de hoofdzaak 4.1 Beoordeeld moet worden of de vorderingen van SNCU tot naleving van de cao’s en tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding toewijsbaar zijn. De kantonrechter zal eerst de vorderingen ingesteld tegen [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] beoordelen en daarna tegen de voormalig bestuurders. [procesdeelneemster 2] moet de cao’s naleven en aan SNCU een forfaitaire schadevergoeding betalen 4.2 [procesdeelneemster 2] heeft niet betwist dat zij onder de werkingssfeer van de cao’s valt. Zij is daarom verplicht de cao’s na te leven tijdens de periodes dat de cao’s algemeen verbindend zijn verklaard. Hieronder valt ook de verplichting tot het verlenen van medewerking aan een nalevingsonderzoek door een afspraak in te plannen met een door SNCU aangewezen controlebureau. De kantonrechter zal [procesdeelneemster 2] daarom veroordelen tot naleving van de cao’s zoals door SNCU is gevorderd. Aan deze veroordeling zal een dwangsom worden verbonden. De dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 1.000 met een maximum van € 25.000. 4.3 SNCU vordert ook een forfaitaire schadevergoeding van € 100.000. Deze schadevergoeding is op grond van artikel 9 lid 1 van Reglement II verschuldigd als de onderneming nalatig blijft in het verstrekken van de door SNCU gevraagde gegevens. [procesdeelnemer 6] heeft, mede namens [procesdeelneemster 2] , om matiging van deze vergoeding gevraagd. 4.4 De kantonrechter stelt voorop dat schade in beginsel concreet moet worden begroot. In de cao’s en in artikel 5 lid 1 en 2 van de statuten van SNCU is opgenomen dat de schadevergoeding dient ter dekking van de kosten die SNCU maakt als gevolg van haar toezichthoudende taak. In de door SNCU overgelegde beleidsnotitie ‘ Beleid methodiek (forfaitaire) schadevergoeding SNCU’ is weliswaar opgenomen dat die bepalingen slechts zien op het bestedingsdoel van de verkregen gelden en niet op de aard van de schadevergoeding, maar dat blijkt niet uit de betreffende bepalingen en is door SNCU in deze procedure ook onvoldoende onderbouwd. Het uitgangspunt blijft dus dat de schade concreet moet worden begroot. SNCU heeft niet gesteld wat de concrete schade is die zij lijdt door het niet meewerken van [procesdeelneemster 2] aan een nalevingsonderzoek. In de beleidsnotitie is slechts opgenomen dat het bestuur heeft besloten de hoogte van de forfaitaire schadevergoeding te bepalen op € 100.000. Dit sluit namelijk aan bij het bedrag dat als maximum is gekozen voor de gestaffelde schadevergoeding die verschuldigd is als wordt volhard in vastgestelde cao-overtredingen (artikel 9 lid 2 van Reglement II). SNCU heeft hiermee de hoogte van de thans gevorderde schadevergoeding onvoldoende concreet onderbouwd. Nu het wel aannemelijk is dat SNCU enige schade heeft geleden, zal de kantonrechter de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.000. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de dag van de dagvaarding, te weten 3 september 2024 tot de voldoening. [procesdeelnemer 6] is hoofdelijk aansprakelijk voor naleving van de cao’s door [procesdeelneemster 2] en de te betalen forfaitaire schadevergoeding 4.5 SNCU stelt dat de weigering van [procesdeelneemster 2] om mee te werken aan een nalevingsonderzoek het directe gevolg is van het (niet) handelen van de huidige bestuurder van de onderneming, [procesdeelnemer 6] . Zij stelt dan ook dat [procesdeelnemer 6] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid hoofdelijk aansprakelijk is voor de naleving van de cao’s en de te betalen forfaitaire schadevergoeding. De kantonrechter is het hiermee eens en zal dit toelichten. 4.6 Wanneer een vennootschap wanprestatie pleegt of onrechtmatig handelt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, behalve die vennootschap, ook de bestuurder van die vennootschap aansprakelijk zijn voor de schade. Daarbij geldt als maatstaf dat hij voor de schade van de schuldeiser aansprakelijk kan worden gehouden als zijn handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken vennootschap ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt kan in de eerste plaats sprake zijn als de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan terwijl hij wist, althans behoorde te weten, dat de vennootschap de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet zou kunnen nakomen en evenmin verhaal zou bieden. Van ernstige persoonlijke verwijtbaarheid van de bestuurder kan ook sprake zijn als de bestuurder willens en wetens heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt met schade voor de schuldeiser als voorzienbaar gevolg. Die laatste situatie doet zich hier voor. 4.7 Het kan [procesdeelnemer 6] ernstig worden verweten dat [procesdeelneemster 2] niet (langer) heeft meegewerkt aan het door SNCU in september 2023 gestarte onderzoek. [procesdeelnemer 6] is weliswaar pas vanaf 21 november 2023 enig bestuurder en aandeelhouder van [procesdeelneemster 2] , maar volgens zijn eigen verklaring was hij al ruim voor die tijd betrokken bij de bedrijfsvoering van [procesdeelneemster 2] . Ter onderbouwing hiervan heeft hij een intentieverklaring overgelegd van 11 januari 2023 waaruit zijn intentie om [procesdeelneemster 2] van [procesdeelneemster 3] over te nemen blijkt. [procesdeelnemer 6] heeft verklaard dat hij al vanaf augustus 2023 feitelijke werkzaamheden verrichtte bij [procesdeelneemster 2] en dat hij wist van het door SNCU in september 2023 gestarte onderzoek. Hij heeft verder verklaard dat hij op 28 november 2023 gegevens aan SNCU heeft verstrekt en in februari 2024 met hulp van [procesdeelnemer 7] , voormalig indirect bestuurder van [procesdeelneemster 2] , een brief aan SNCU heeft gestuurd met vragen. Het staat vast dat [procesdeelnemer 6] daarna op geen enkel verzoek van SNCU meer heeft gereageerd. 4.8 Volgens [procesdeelnemer 6] was er sprake van een overmachtsituatie, omdat hij van 22 februari 2024 tot 4 februari 2025 gedetineerd was in Duitsland. Dit verweer treft geen doel.
Volledig
In die situatie had van [procesdeelnemer 6] namelijk mogen worden verwacht dat hij een derde zou machtigen om tijdens zijn afwezigheid aan de verplichtingen van de onderneming te voldoen. Hoewel hij wist van het door SNCU gestarte onderzoek heeft hij dit nagelaten. Hij heeft dus bewerkstelligd of toegelaten dat [procesdeelneemster 2] haar verplichtingen uit de cao’s niet is nagekomen. Dat [procesdeelnemer 6] op geen enkel moment gedurende zijn detentie in de gelegenheid is geweest iemand te machtigen, acht de kantonrechter niet aannemelijk. 4.9 Dit alles leidt ertoe dat [procesdeelnemer 6] hoofdelijk zal worden veroordeeld tot naleving van de cao’s en tot betaling van de forfaitaire schadevergoeding. Voor de hoogte van die schadevergoeding en de daarover verschuldigde rente verwijst de kantonrechter kortheidshalve naar hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen. De vordering van SNCU tegen de voormalige bestuurders wordt afgewezen 4.10 SNCU vordert hoofdelijke veroordeling van de voormalig (directe en indirecte) bestuurders van [procesdeelneemster 2] tot naleving van de cao’s, onder meer door het verlenen van medewerking aan het nalevingsonderzoek. Deze vordering is niet toewijsbaar. De voormalig bestuurders hebben vanaf 21 november 2023 geen zeggenschap meer over [procesdeelneemster 2] . Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de voormalig bestuurders op dit moment nog de beschikking hebben of toegang kunnen krijgen tot de administratie van [procesdeelneemster 2] . De administratie van een rechtspersoon hoort toe aan die rechtspersoon en blijft na overdracht van de aandelen ook bij de rechtspersoon. 4.11 SNCU vordert daarnaast hoofdelijke veroordeling van de voormalig bestuurders tot betaling van de forfaitaire schadevergoeding. Volgens haar zijn de voormalig bestuurders (mede) aansprakelijk voor het niet naleven van de cao’s door [procesdeelneemster 2] . Op het moment dat de voormalig bestuurders de onderneming aan [procesdeelnemer 6] hebben overgedragen wisten zij van het lopende onderzoek door SNCU. Van een bestuurder van een onderneming mag, zeker in dat geval, verwacht worden dat zij gedegen onderzoek doet naar de verkrijgende partij bij overname. Een bestuurder moet zich er dan van vergewissen dat de nieuwe bestuurder medewerking verleent aan het nalevingsonderzoek van SNCU. SNCU stelt dat de voormalig bestuurders dat volledig hebben nagelaten. Zij hebben de onderneming overgedaan aan een katvanger, een bestuurder die niet de bedoeling had om de bedrijfsactiviteiten voort te zetten en geen verhaal zou bieden aan (ex-)werknemers en SNCU. De voormalig bestuurders van [procesdeelneemster 2] hebben uitdrukkelijk betwist dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan onbehoorlijke taakvervulling of ernstig verwijtbaar handelen. 4.12 Bij de bespreking van de aansprakelijkheid van [procesdeelnemer 6] is al overwogen dat onder bijzondere omstandigheden een bestuurder aansprakelijk kan zijn voor schade. Dat geldt ook voor voormalig bestuurders voor zover die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid bestuurder waren. Artikel 2:11 BW bepaalt bovendien dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon ook rust op de bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder. 4.13 De kantonrechter acht niet komen vast te staan dat de voormalig bestuurders [procesdeelnemer 6] hebben gebruikt als katvanger om zo onder hun verplichtingen uit te komen. [procesdeelnemer 7] en [procesdeelnemer 8] hebben verklaard dat zij al ruim voor aanvang van het onderzoek door SNCU de intentie hadden om de onderneming aan [procesdeelnemer 6] over te dragen. [procesdeelnemer 6] woont sinds 1998 in Nederland, spreekt goed Nederlands en had de ambitie om in de uitzendbranche te gaan werken. In januari 2023 hebben de voormalig bestuurders met [procesdeelnemer 6] een intentieverklaring gesloten. De kantonrechter heeft geen aanknopingspunten om aan te nemen dat die verklaring is geantidateerd, zoals door SNCU is aangevoerd. [procesdeelnemer 7] en [procesdeelnemer 8] hebben op de mondeling behandeling verklaard dat zij met [procesdeelnemer 6] een samenwerking wilden aangaan. [procesdeelneemster 2] had aflopende contracten en [procesdeelnemer 6] had een groot netwerk. Het was volgens [procesdeelnemer 7] en [procesdeelnemer 8] de bedoeling dat [procesdeelnemer 6] na overname van [procesdeelneemster 2] klanten zou aantrekken en opdrachten zou aannemen, waarvoor zij vervolgens personeel zouden leveren. Omdat [procesdeelnemer 6] nog geen ervaring had in de uitzendbranche, is hij vanaf augustus 2023 gaan werken bij [procesdeelneemster 2] en heeft [procesdeelnemer 7] hem begeleid. [procesdeelnemer 6] is ook na de aandelenoverdracht begeleid door [procesdeelnemer 7] , namelijk bij het verstrekken van gegevens aan SNCU in november 2023 en bij het opstellen van de brief met vragen aan SNCU in februari 2024. [procesdeelnemer 7] stelt dat zij daarna nog contact heeft gezocht met [procesdeelnemer 6] , maar dat [procesdeelnemer 6] vanwege zijn detentie in Duitsland niet heeft gereageerd. 4.14 De kantonrechter stelt vast dat de verklaringen van [procesdeelnemer 7] en [procesdeelnemer 8] over de gang van zaken vóór en ná de overname aansluiten bij de verklaring van [procesdeelnemer 6] , de overgelegde intentieverklaring en de correspondentie. Uit deze gang van zaken kan niet worden afgeleid dat het onderzoek van SNCU de aanleiding was voor de aandelenoverdracht. Evenmin kan hieruit worden afgeleid dat de voormalig bestuurders wisten of hadden moeten weten dat de bedrijfsactiviteiten van [procesdeelneemster 2] na overdracht door [procesdeelnemer 6] gestaakt zouden worden en/of dat [procesdeelneemster 2] haar verplichtingen uit de cao’s niet zou nakomen. Dat de voormalig bestuurders door de verkoop van de onderneming aan [procesdeelnemer 6] willens en wetens een situatie hebben gecreëerd waardoor verhaal door (ex-)werknemers en SNCU onmogelijk werd, is dus niet komen vast te staan. De vordering van SNCU om de voormalig bestuurders hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de forfaitaire schadevergoeding wordt daarom afgewezen. [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] moeten de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten van SNCU vergoeden 4.15 SNCU maakt aanspraak op vergoeding van € 1.775 aan buitengerechtelijke kosten. [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] hebben geen verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid en de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Die vordering is daarom toewijsbaar. 4.16 De proceskosten komen voor rekening van [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] omdat zij ongelijk krijgen. De proceskosten aan de zijde van SNCU worden begroot op € 2.052,02, bestaande uit € 304,02 aan explootkosten (2 x € 152,01), € 524 aan griffierecht, € 1.080 aan salaris gemachtigde (3 punten x € 360) en € 144 aan nakosten. De kantonrechter is bij die begroting uitgegaan van de toe te wijzen bedragen. Omdat een deel van de vordering wordt afgewezen, blijft het griffierecht voor zover dit het bedrag van € 524 te boven gaat, als nodeloos veroorzaakt voor rekening van SNCU. SNCU moet de proceskosten van de voormalig bestuurders vergoeden 4.17 SNCU wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de voormalig bestuurders. Die kosten worden begroot op € 3.174, bestaande uit € 3.030 aan salaris gemachtigde (3 punten x € 1.010) en € 144 aan nakosten. in de vrijwaring 4.18 De voormalig bestuurders worden in de hoofdzaak niet veroordeeld tot het naleven van de cao’s of het betalen van een schadevergoeding. De vorderingen in de vrijwaring van de voormalig bestuurders jegens [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] zijn reeds daarom niet toewijsbaar. Wat de voormalig bestuurders verder in het kader van de vrijwaringszaak naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking. 4.19 De proceskosten in de vrijwaringszaak komen voor rekening van de voormalig bestuurders omdat zij ongelijk krijgen. Nu [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] niet zijn verschenen, worden die kosten bepaald op nihil.
Volledig
In die situatie had van [procesdeelnemer 6] namelijk mogen worden verwacht dat hij een derde zou machtigen om tijdens zijn afwezigheid aan de verplichtingen van de onderneming te voldoen. Hoewel hij wist van het door SNCU gestarte onderzoek heeft hij dit nagelaten. Hij heeft dus bewerkstelligd of toegelaten dat [procesdeelneemster 2] haar verplichtingen uit de cao’s niet is nagekomen. Dat [procesdeelnemer 6] op geen enkel moment gedurende zijn detentie in de gelegenheid is geweest iemand te machtigen, acht de kantonrechter niet aannemelijk. 4.9 Dit alles leidt ertoe dat [procesdeelnemer 6] hoofdelijk zal worden veroordeeld tot naleving van de cao’s en tot betaling van de forfaitaire schadevergoeding. Voor de hoogte van die schadevergoeding en de daarover verschuldigde rente verwijst de kantonrechter kortheidshalve naar hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen. De vordering van SNCU tegen de voormalige bestuurders wordt afgewezen 4.10 SNCU vordert hoofdelijke veroordeling van de voormalig (directe en indirecte) bestuurders van [procesdeelneemster 2] tot naleving van de cao’s, onder meer door het verlenen van medewerking aan het nalevingsonderzoek. Deze vordering is niet toewijsbaar. De voormalig bestuurders hebben vanaf 21 november 2023 geen zeggenschap meer over [procesdeelneemster 2] . Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de voormalig bestuurders op dit moment nog de beschikking hebben of toegang kunnen krijgen tot de administratie van [procesdeelneemster 2] . De administratie van een rechtspersoon hoort toe aan die rechtspersoon en blijft na overdracht van de aandelen ook bij de rechtspersoon. 4.11 SNCU vordert daarnaast hoofdelijke veroordeling van de voormalig bestuurders tot betaling van de forfaitaire schadevergoeding. Volgens haar zijn de voormalig bestuurders (mede) aansprakelijk voor het niet naleven van de cao’s door [procesdeelneemster 2] . Op het moment dat de voormalig bestuurders de onderneming aan [procesdeelnemer 6] hebben overgedragen wisten zij van het lopende onderzoek door SNCU. Van een bestuurder van een onderneming mag, zeker in dat geval, verwacht worden dat zij gedegen onderzoek doet naar de verkrijgende partij bij overname. Een bestuurder moet zich er dan van vergewissen dat de nieuwe bestuurder medewerking verleent aan het nalevingsonderzoek van SNCU. SNCU stelt dat de voormalig bestuurders dat volledig hebben nagelaten. Zij hebben de onderneming overgedaan aan een katvanger, een bestuurder die niet de bedoeling had om de bedrijfsactiviteiten voort te zetten en geen verhaal zou bieden aan (ex-)werknemers en SNCU. De voormalig bestuurders van [procesdeelneemster 2] hebben uitdrukkelijk betwist dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan onbehoorlijke taakvervulling of ernstig verwijtbaar handelen. 4.12 Bij de bespreking van de aansprakelijkheid van [procesdeelnemer 6] is al overwogen dat onder bijzondere omstandigheden een bestuurder aansprakelijk kan zijn voor schade. Dat geldt ook voor voormalig bestuurders voor zover die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid bestuurder waren. Artikel 2:11 BW bepaalt bovendien dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon ook rust op de bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder. 4.13 De kantonrechter acht niet komen vast te staan dat de voormalig bestuurders [procesdeelnemer 6] hebben gebruikt als katvanger om zo onder hun verplichtingen uit te komen. [procesdeelnemer 7] en [procesdeelnemer 8] hebben verklaard dat zij al ruim voor aanvang van het onderzoek door SNCU de intentie hadden om de onderneming aan [procesdeelnemer 6] over te dragen. [procesdeelnemer 6] woont sinds 1998 in Nederland, spreekt goed Nederlands en had de ambitie om in de uitzendbranche te gaan werken. In januari 2023 hebben de voormalig bestuurders met [procesdeelnemer 6] een intentieverklaring gesloten. De kantonrechter heeft geen aanknopingspunten om aan te nemen dat die verklaring is geantidateerd, zoals door SNCU is aangevoerd. [procesdeelnemer 7] en [procesdeelnemer 8] hebben op de mondeling behandeling verklaard dat zij met [procesdeelnemer 6] een samenwerking wilden aangaan. [procesdeelneemster 2] had aflopende contracten en [procesdeelnemer 6] had een groot netwerk. Het was volgens [procesdeelnemer 7] en [procesdeelnemer 8] de bedoeling dat [procesdeelnemer 6] na overname van [procesdeelneemster 2] klanten zou aantrekken en opdrachten zou aannemen, waarvoor zij vervolgens personeel zouden leveren. Omdat [procesdeelnemer 6] nog geen ervaring had in de uitzendbranche, is hij vanaf augustus 2023 gaan werken bij [procesdeelneemster 2] en heeft [procesdeelnemer 7] hem begeleid. [procesdeelnemer 6] is ook na de aandelenoverdracht begeleid door [procesdeelnemer 7] , namelijk bij het verstrekken van gegevens aan SNCU in november 2023 en bij het opstellen van de brief met vragen aan SNCU in februari 2024. [procesdeelnemer 7] stelt dat zij daarna nog contact heeft gezocht met [procesdeelnemer 6] , maar dat [procesdeelnemer 6] vanwege zijn detentie in Duitsland niet heeft gereageerd. 4.14 De kantonrechter stelt vast dat de verklaringen van [procesdeelnemer 7] en [procesdeelnemer 8] over de gang van zaken vóór en ná de overname aansluiten bij de verklaring van [procesdeelnemer 6] , de overgelegde intentieverklaring en de correspondentie. Uit deze gang van zaken kan niet worden afgeleid dat het onderzoek van SNCU de aanleiding was voor de aandelenoverdracht. Evenmin kan hieruit worden afgeleid dat de voormalig bestuurders wisten of hadden moeten weten dat de bedrijfsactiviteiten van [procesdeelneemster 2] na overdracht door [procesdeelnemer 6] gestaakt zouden worden en/of dat [procesdeelneemster 2] haar verplichtingen uit de cao’s niet zou nakomen. Dat de voormalig bestuurders door de verkoop van de onderneming aan [procesdeelnemer 6] willens en wetens een situatie hebben gecreëerd waardoor verhaal door (ex-)werknemers en SNCU onmogelijk werd, is dus niet komen vast te staan. De vordering van SNCU om de voormalig bestuurders hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de forfaitaire schadevergoeding wordt daarom afgewezen. [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] moeten de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten van SNCU vergoeden 4.15 SNCU maakt aanspraak op vergoeding van € 1.775 aan buitengerechtelijke kosten. [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] hebben geen verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid en de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Die vordering is daarom toewijsbaar. 4.16 De proceskosten komen voor rekening van [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] omdat zij ongelijk krijgen. De proceskosten aan de zijde van SNCU worden begroot op € 2.052,02, bestaande uit € 304,02 aan explootkosten (2 x € 152,01), € 524 aan griffierecht, € 1.080 aan salaris gemachtigde (3 punten x € 360) en € 144 aan nakosten. De kantonrechter is bij die begroting uitgegaan van de toe te wijzen bedragen. Omdat een deel van de vordering wordt afgewezen, blijft het griffierecht voor zover dit het bedrag van € 524 te boven gaat, als nodeloos veroorzaakt voor rekening van SNCU. SNCU moet de proceskosten van de voormalig bestuurders vergoeden 4.17 SNCU wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de voormalig bestuurders. Die kosten worden begroot op € 3.174, bestaande uit € 3.030 aan salaris gemachtigde (3 punten x € 1.010) en € 144 aan nakosten. in de vrijwaring 4.18 De voormalig bestuurders worden in de hoofdzaak niet veroordeeld tot het naleven van de cao’s of het betalen van een schadevergoeding. De vorderingen in de vrijwaring van de voormalig bestuurders jegens [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] zijn reeds daarom niet toewijsbaar. Wat de voormalig bestuurders verder in het kader van de vrijwaringszaak naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking. 4.19 De proceskosten in de vrijwaringszaak komen voor rekening van de voormalig bestuurders omdat zij ongelijk krijgen. Nu [procesdeelneemster 2] en [procesdeelnemer 6] niet zijn verschenen, worden die kosten bepaald op nihil.