Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-23
ECLI:NL:RBMNE:2026:2232
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,055 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2232 text/xml public 2026-05-19T11:50:16 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-23 UTR 25/6670 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2232 text/html public 2026-05-19T11:49:34 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2232 Rechtbank Midden-Nederland , 23-03-2026 / UTR 25/6670 BNT WOO, gegrond RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6670 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen Vereniging AVROTROS, gevestigd te Hilversum, eiseres (gemachtigde: A. van Tricht), en de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 18 november 2025, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Op 2 december 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. Verweerder heeft niet tijdig een besluit genomen 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiseres heeft haar Woo-verzoek ingediend op 7 januari 2025. Bij brief van 11 februari 2025 heeft verweerder bevestigd dat het Woo-verzoek op 7 januari 2025 is ontvangen. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Verweerder had dus uiterlijk 4 februari 2025 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 8 oktober 2025 in gebreke heeft gesteld en dat eiseres op 18 november 2025 (meer dan twee weken na de ingebrekestelling) beroep heeft ingesteld. Het beroep is dus gegrond. Verweerder moet alsnog een besluit nemen 4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Als uitgangspunt geldt op basis van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dat de termijn hiervoor twee weken na het verzenden van de uitspraak is. Als de omvang van het verzoek daar aanleiding toe geeft kan de bestuursrechter, op basis van artikel 8.4, eerste lid, van de Woo, een andere termijn vaststellen. 5. Het door eiseres ingediende Woo-verzoek ziet – kort gezegd – op het contact tussen het ministerie van Justitie en Veiligheid en het Openbaar Ministerie Amsterdam over de ongeregeldheden die op 6, 7 en 8 november 2024 hebben plaatsgevonden in Amsterdam rond de voetbalwedstrijd [naam clubs] . Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 2 december 2025 aan dat hij binnen acht weken na dagtekening van het verweerschrift, dat is 27 januari 2026, een besluit kan nemen op het Woo-verzoek van eiseres. Op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet, is deze datum verstreken. De rechtbank stelt de beslistermijn daarom vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak. Rechterlijke dwangsom 6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Conclusie 7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). 8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Daarbij overweegt de rechtbank dat het beroepschrift is ingediend door een medewerker die werkzaam is als bedrijfsjurist bij eiseres. Dit blijkt uit de bij het beroepschrift gevoegde volmacht. Uit rechtspraak volgt dat alleen recht op een proceskostenvergoeding bestaat voor bijstand door een derde beroepsmatig rechtsbijstandverlener als deze niet in dienst is bij de rechtspersoon van eiseres. Nu de gemachtigde van eiseres bij haar in dienst is, is geen sprake van een door een derde verleende rechtsbijstand, zodat op grond van artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. 9. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- dat eiseres heeft betaald, aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Zie in dit verband de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 april 2013 ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6244.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2232 text/xml public 2026-05-19T11:50:16 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-23 UTR 25/6670 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2232 text/html public 2026-05-19T11:49:34 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2232 Rechtbank Midden-Nederland , 23-03-2026 / UTR 25/6670 BNT WOO, gegrond RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6670 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen Vereniging AVROTROS, gevestigd te Hilversum, eiseres (gemachtigde: A. van Tricht), en de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 18 november 2025, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Op 2 december 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. Verweerder heeft niet tijdig een besluit genomen 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiseres heeft haar Woo-verzoek ingediend op 7 januari 2025. Bij brief van 11 februari 2025 heeft verweerder bevestigd dat het Woo-verzoek op 7 januari 2025 is ontvangen. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. Verweerder had dus uiterlijk 4 februari 2025 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op 8 oktober 2025 in gebreke heeft gesteld en dat eiseres op 18 november 2025 (meer dan twee weken na de ingebrekestelling) beroep heeft ingesteld. Het beroep is dus gegrond. Verweerder moet alsnog een besluit nemen 4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Als uitgangspunt geldt op basis van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dat de termijn hiervoor twee weken na het verzenden van de uitspraak is. Als de omvang van het verzoek daar aanleiding toe geeft kan de bestuursrechter, op basis van artikel 8.4, eerste lid, van de Woo, een andere termijn vaststellen. 5. Het door eiseres ingediende Woo-verzoek ziet – kort gezegd – op het contact tussen het ministerie van Justitie en Veiligheid en het Openbaar Ministerie Amsterdam over de ongeregeldheden die op 6, 7 en 8 november 2024 hebben plaatsgevonden in Amsterdam rond de voetbalwedstrijd [naam clubs] . Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 2 december 2025 aan dat hij binnen acht weken na dagtekening van het verweerschrift, dat is 27 januari 2026, een besluit kan nemen op het Woo-verzoek van eiseres. Op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet, is deze datum verstreken. De rechtbank stelt de beslistermijn daarom vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak. Rechterlijke dwangsom 6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Conclusie 7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). 8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Daarbij overweegt de rechtbank dat het beroepschrift is ingediend door een medewerker die werkzaam is als bedrijfsjurist bij eiseres. Dit blijkt uit de bij het beroepschrift gevoegde volmacht. Uit rechtspraak volgt dat alleen recht op een proceskostenvergoeding bestaat voor bijstand door een derde beroepsmatig rechtsbijstandverlener als deze niet in dienst is bij de rechtspersoon van eiseres. Nu de gemachtigde van eiseres bij haar in dienst is, is geen sprake van een door een derde verleende rechtsbijstand, zodat op grond van artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. 9. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- dat eiseres heeft betaald, aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Zie in dit verband de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 april 2013 ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6244.