Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-23
ECLI:NL:RBMNE:2026:2164
Civiel recht
Kort geding
4,073 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2164 text/xml public 2026-05-12T10:44:44 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-23 12094954 \ MV EXPL 26-15 Uitspraak Kort geding NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2164 text/html public 2026-05-12T10:43:13 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2164 Rechtbank Midden-Nederland , 23-04-2026 / 12094954 \ MV EXPL 26-15 onterechte loonstop; geen waarschuwing vooraf gegeven; werknemer werkte voldoende mee aan re-integratie RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 12094954 \ MV EXPL 26-15 Vonnis in kort geding van 23 april 2026 in de zaak van [eiser] , wonende in [woonplaats] , eiser, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. L.N. Hermes, tegen PRAKTIJK BCE EN NATUURGENEESKUNDE B.V. , gevestigd in 's-Graveland, gedaagde, hierna te noemen: Praktijk BCE, gemachtigde: mr. drs. N. Mauer. 1 De procedure 1.1 De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen: - de dagvaarding van 19 februari 2026, met 21 producties; - de conclusie van antwoord, met 9 producties; - de aanvullende producties 22 tot en met 27 van [eiser] . 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. [eiser] was aanwezig, bijgestaan door mr. Hermes. Namens Praktijk BCE waren aanwezig de heer [A] en mevrouw [B] , bijgestaan door mr. Mauer. Mr. Hermes en mr. Mauer hebben pleitaantekeningen overgelegd. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken. 1.3 Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 23 april 2026 uitspraak zal worden gedaan. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] is op 1 juli 2024 bij Praktijk BCE in dienst gekomen als [functie] op basis van een arbeidsovereenkomst voor twee jaar voor een salaris van € 3.800,00 bruto per maand. Op 24 maart 2025 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Praktijk BCE heeft met ingang van 7 november 2025 het loon stopgezet. [eiser] vindt de loonstop niet terecht. Hij vordert daarom dat Praktijk BCE vanaf 7 november 2025 70% van het salaris doorbetaalt en dat Praktijk BCE achterstallig salaris over de periode van 24 november tot en met 28 november 2025 betaalt. [eiser] maakt ook aanspraak op wettelijke verhoging en wettelijke rente. De kantonrechter komt tot het oordeel dat Praktijk BCE de loonstop niet had mogen opleggen. [eiser] krijgt dus gelijk, waardoor zijn vorderingen zullen worden toegewezen. 3 De beoordeling 3.1 Er speelt veel tussen partijen. Dat blijkt wel uit de schriftelijke stukken en uit wat partijen op de zitting hebben gezegd. Maar het gaat in deze procedure alleen om de vraag of Praktijk BCE de loonstop had mogen opleggen. Wat er verder tussen partijen speelt, is bij de beantwoording van die vraag niet van belang en zal daarom buiten beschouwing blijven. [eiser] heeft een spoedeisend belang 3.2 Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als er daarbij een spoedeisend belang is. Doordat Praktijk BCE het loon van [eiser] heeft stopgezet, heeft [eiser] lange tijd geen loon ontvangen. Daardoor heeft hij financiële problemen gekregen. Hij heeft het geld hard nodig voor zijn levensonderhoud. [eiser] heeft daarom een spoedeisend belang bij de vordering op Praktijk BCE om tot betaling van het loon over te gaan. Er is niet voldaan aan de vereisten voor het stopzetten van het loon 3.3 Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit en is daarmee een voorlopige beslissing. De rechter moet daarom inschatten of de rechter in een bodemprocedure de vorderingen waarschijnlijk zal toewijzen. De rechter denkt in deze zaak dat een bodemrechter dat wel zal doen. 3.4 Op grond van artikel 7:629 Burgerlijk Wetboek houdt de werknemer als hij ziek is recht op loon. Als een van de in lid 3 genoemde gevallen zich voordoet kan de werkgever de betaling van het loon stopzetten. 3.5 Praktijk BCE meent dat sprake is van zo’n geval. Nadat [eiser] zich had ziek gemeld, hebben partijen - in lijn met het advies van de bedrijfsarts - op 11 september 2025 een re-integratie- en opbouwschema opgesteld. Zij spraken daarbij af dat [eiser] in het kader van de re-integratie een handleiding zou opstellen voor het Quest-meetapparaat (hierna: Quest) van Praktijk BCE en daarvan voortgangsrapportages zou aanleveren. Op 6 oktober 2025 heeft [eiser] een handleiding voor Quest aan Praktijk BCE verstrekt en op 7 november heeft hij een voorgangsrapportage aan Praktijk BCE toegestuurd die gericht is op een ander apparaat (de Metatron). 3.6 Praktijk BCE heeft vervolgens in een e-mail aan [eiser] van 9 november 2025 medegedeeld dat zij het loon per 7 november 2025 stop zet. Als reden voor de loonstop gaf zij aan dat [eiser] niet meewerkte aan zijn re-integratie, omdat hij geen documentatie zou hebben toegestuurd met betrekking tot de standaard gebruiksprocedure en instructies van de Quest. Op zitting heeft Praktijk BCE verder toegelicht dat zij hiermee bedoelde dat de documentatie niet voldeed aan de vooraf door haar uitgesproken verwachtingen en dat zij [eiser] geen toestemming had gegeven te werken aan de rapportages voor de Metatron. 3.7 [eiser] heeft betwist dat hij niet de juiste werkzaamheden zou hebben verricht. Daarbij heeft [eiser] aangevoerd dat ook in het geval dit wel zo zou zijn, dit geen grond vormt voor de conclusie dat hij niet meewerkt aan zijn re-integratie. De voorzieningenrechter is dit met [eiser] eens. In dat kader is van belang het deskundigenrapport van UWV van 10 februari 2026 waarin de deskundige tot de conclusie komt dat de re-integratie inspanningen van [eiser] voldoende zijn. Dat dit oordeel van de deskundige niet juist zou zijn, zoals Praktijk BCE nog gesteld heeft, heeft Praktijk BCE niet aangetoond en blijkt verder nergens uit. Dit maakt ook dat, anders dan Praktijk BCE kennelijk meent, geen sprake is van het zonder deugdelijke grond niet verrichten van passende arbeid voor Praktijk BCE (als bedoeld in sub c van artikel 7:629 lid 3 BW). Er doet zich dus geen situatie voor waarin Praktijk BCE het loon had kunnen stopzetten. 3.8 Ook als er wel een grond als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 BW zou zijn geweest, geldt nog dat Praktijk BCE niet rechtsgeldig tot het stopzetten van het loon heeft kunnen overgaan. Praktijk BCE heeft namelijk niet voldaan aan haar waarschuwingsplicht uit artikel 7:629 lid 7 BW. Deze plicht komt erop neer dat een werkgever geen beroep meer kan doen op het stopzetten van het loon als hij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven. Die waarschuwing moet plaatsvinden onverwijld nadat bij de werkgever het vermoeden is ontstaan dat er een grond is om het loon niet door te betalen. Het moet namelijk voor een werknemer heel duidelijk zijn waarom hij een loonstop opgelegd zal krijgen en wat hij kan doen om dat te voorkomen. Voldoet de werkgever niet aan deze voorwaarde, dan kan hij het loon niet stopzetten. Praktijk BCE heeft een dergelijke waarschuwing niet schriftelijk vooraf gegeven. Op de zitting heeft de heer [A] nog gezegd dat [eiser] in een gesprek wel is gewaarschuwd dat er een loonstop zou volgen als hij niet volgens afspraak aan de handleiding voor de Quest zou werken, maar [eiser] betwist dat. Dat die waarschuwing mondeling is gegeven blijkt ook nergens uit. 3.9 De conclusie is dat Praktijk BCE de loonstop niet had mogen opleggen. Conform de vordering van [eiser] zal Praktijk BCE daarom het netto equivalent van loon vanaf 7 november 2025 tot en met 31 januari 2026 aan [eiser] moeten betalen, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Praktijk BCE moet vanaf 1 februari 2026 tot einde dienstverband loon betalen 3.10 [eiser] vordert betaling van het netto equivalent van het loon vanaf 1 februari 2026 tot het moment dat het dienstverband rechtsgeldig zal worden beëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging vanaf 1 februari 2026 als het salaris niet tijdig wordt betaald. Praktijk BCE moet dit loon aan [eiser] betalen. Over het loon dat te laat is en wordt betaald, is Praktijk BCE ook de wettelijke verhoging verschuldigd.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2164 text/xml public 2026-05-12T10:44:44 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-23 12094954 \ MV EXPL 26-15 Uitspraak Kort geding NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2164 text/html public 2026-05-12T10:43:13 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2164 Rechtbank Midden-Nederland , 23-04-2026 / 12094954 \ MV EXPL 26-15 onterechte loonstop; geen waarschuwing vooraf gegeven; werknemer werkte voldoende mee aan re-integratie RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 12094954 \ MV EXPL 26-15 Vonnis in kort geding van 23 april 2026 in de zaak van [eiser] , wonende in [woonplaats] , eiser, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. L.N. Hermes, tegen PRAKTIJK BCE EN NATUURGENEESKUNDE B.V. , gevestigd in 's-Graveland, gedaagde, hierna te noemen: Praktijk BCE, gemachtigde: mr. drs. N. Mauer. 1 De procedure 1.1 De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen: - de dagvaarding van 19 februari 2026, met 21 producties; - de conclusie van antwoord, met 9 producties; - de aanvullende producties 22 tot en met 27 van [eiser] . 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. [eiser] was aanwezig, bijgestaan door mr. Hermes. Namens Praktijk BCE waren aanwezig de heer [A] en mevrouw [B] , bijgestaan door mr. Mauer. Mr. Hermes en mr. Mauer hebben pleitaantekeningen overgelegd. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken. 1.3 Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 23 april 2026 uitspraak zal worden gedaan. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] is op 1 juli 2024 bij Praktijk BCE in dienst gekomen als [functie] op basis van een arbeidsovereenkomst voor twee jaar voor een salaris van € 3.800,00 bruto per maand. Op 24 maart 2025 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Praktijk BCE heeft met ingang van 7 november 2025 het loon stopgezet. [eiser] vindt de loonstop niet terecht. Hij vordert daarom dat Praktijk BCE vanaf 7 november 2025 70% van het salaris doorbetaalt en dat Praktijk BCE achterstallig salaris over de periode van 24 november tot en met 28 november 2025 betaalt. [eiser] maakt ook aanspraak op wettelijke verhoging en wettelijke rente. De kantonrechter komt tot het oordeel dat Praktijk BCE de loonstop niet had mogen opleggen. [eiser] krijgt dus gelijk, waardoor zijn vorderingen zullen worden toegewezen. 3 De beoordeling 3.1 Er speelt veel tussen partijen. Dat blijkt wel uit de schriftelijke stukken en uit wat partijen op de zitting hebben gezegd. Maar het gaat in deze procedure alleen om de vraag of Praktijk BCE de loonstop had mogen opleggen. Wat er verder tussen partijen speelt, is bij de beantwoording van die vraag niet van belang en zal daarom buiten beschouwing blijven. [eiser] heeft een spoedeisend belang 3.2 Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als er daarbij een spoedeisend belang is. Doordat Praktijk BCE het loon van [eiser] heeft stopgezet, heeft [eiser] lange tijd geen loon ontvangen. Daardoor heeft hij financiële problemen gekregen. Hij heeft het geld hard nodig voor zijn levensonderhoud. [eiser] heeft daarom een spoedeisend belang bij de vordering op Praktijk BCE om tot betaling van het loon over te gaan. Er is niet voldaan aan de vereisten voor het stopzetten van het loon 3.3 Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit en is daarmee een voorlopige beslissing. De rechter moet daarom inschatten of de rechter in een bodemprocedure de vorderingen waarschijnlijk zal toewijzen. De rechter denkt in deze zaak dat een bodemrechter dat wel zal doen. 3.4 Op grond van artikel 7:629 Burgerlijk Wetboek houdt de werknemer als hij ziek is recht op loon. Als een van de in lid 3 genoemde gevallen zich voordoet kan de werkgever de betaling van het loon stopzetten. 3.5 Praktijk BCE meent dat sprake is van zo’n geval. Nadat [eiser] zich had ziek gemeld, hebben partijen - in lijn met het advies van de bedrijfsarts - op 11 september 2025 een re-integratie- en opbouwschema opgesteld. Zij spraken daarbij af dat [eiser] in het kader van de re-integratie een handleiding zou opstellen voor het Quest-meetapparaat (hierna: Quest) van Praktijk BCE en daarvan voortgangsrapportages zou aanleveren. Op 6 oktober 2025 heeft [eiser] een handleiding voor Quest aan Praktijk BCE verstrekt en op 7 november heeft hij een voorgangsrapportage aan Praktijk BCE toegestuurd die gericht is op een ander apparaat (de Metatron). 3.6 Praktijk BCE heeft vervolgens in een e-mail aan [eiser] van 9 november 2025 medegedeeld dat zij het loon per 7 november 2025 stop zet. Als reden voor de loonstop gaf zij aan dat [eiser] niet meewerkte aan zijn re-integratie, omdat hij geen documentatie zou hebben toegestuurd met betrekking tot de standaard gebruiksprocedure en instructies van de Quest. Op zitting heeft Praktijk BCE verder toegelicht dat zij hiermee bedoelde dat de documentatie niet voldeed aan de vooraf door haar uitgesproken verwachtingen en dat zij [eiser] geen toestemming had gegeven te werken aan de rapportages voor de Metatron. 3.7 [eiser] heeft betwist dat hij niet de juiste werkzaamheden zou hebben verricht. Daarbij heeft [eiser] aangevoerd dat ook in het geval dit wel zo zou zijn, dit geen grond vormt voor de conclusie dat hij niet meewerkt aan zijn re-integratie. De voorzieningenrechter is dit met [eiser] eens. In dat kader is van belang het deskundigenrapport van UWV van 10 februari 2026 waarin de deskundige tot de conclusie komt dat de re-integratie inspanningen van [eiser] voldoende zijn. Dat dit oordeel van de deskundige niet juist zou zijn, zoals Praktijk BCE nog gesteld heeft, heeft Praktijk BCE niet aangetoond en blijkt verder nergens uit. Dit maakt ook dat, anders dan Praktijk BCE kennelijk meent, geen sprake is van het zonder deugdelijke grond niet verrichten van passende arbeid voor Praktijk BCE (als bedoeld in sub c van artikel 7:629 lid 3 BW). Er doet zich dus geen situatie voor waarin Praktijk BCE het loon had kunnen stopzetten. 3.8 Ook als er wel een grond als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 BW zou zijn geweest, geldt nog dat Praktijk BCE niet rechtsgeldig tot het stopzetten van het loon heeft kunnen overgaan. Praktijk BCE heeft namelijk niet voldaan aan haar waarschuwingsplicht uit artikel 7:629 lid 7 BW. Deze plicht komt erop neer dat een werkgever geen beroep meer kan doen op het stopzetten van het loon als hij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven. Die waarschuwing moet plaatsvinden onverwijld nadat bij de werkgever het vermoeden is ontstaan dat er een grond is om het loon niet door te betalen. Het moet namelijk voor een werknemer heel duidelijk zijn waarom hij een loonstop opgelegd zal krijgen en wat hij kan doen om dat te voorkomen. Voldoet de werkgever niet aan deze voorwaarde, dan kan hij het loon niet stopzetten. Praktijk BCE heeft een dergelijke waarschuwing niet schriftelijk vooraf gegeven. Op de zitting heeft de heer [A] nog gezegd dat [eiser] in een gesprek wel is gewaarschuwd dat er een loonstop zou volgen als hij niet volgens afspraak aan de handleiding voor de Quest zou werken, maar [eiser] betwist dat. Dat die waarschuwing mondeling is gegeven blijkt ook nergens uit. 3.9 De conclusie is dat Praktijk BCE de loonstop niet had mogen opleggen. Conform de vordering van [eiser] zal Praktijk BCE daarom het netto equivalent van loon vanaf 7 november 2025 tot en met 31 januari 2026 aan [eiser] moeten betalen, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Praktijk BCE moet vanaf 1 februari 2026 tot einde dienstverband loon betalen 3.10 [eiser] vordert betaling van het netto equivalent van het loon vanaf 1 februari 2026 tot het moment dat het dienstverband rechtsgeldig zal worden beëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging vanaf 1 februari 2026 als het salaris niet tijdig wordt betaald. Praktijk BCE moet dit loon aan [eiser] betalen. Over het loon dat te laat is en wordt betaald, is Praktijk BCE ook de wettelijke verhoging verschuldigd.