Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-22
ECLI:NL:RBMNE:2026:2159
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,330 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2159 text/xml public 2026-05-08T09:27:23 2026-05-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-22 12027644 \ UC EXPL 25-10242 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2159 text/html public 2026-05-08T09:25:32 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2159 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2026 / 12027644 \ UC EXPL 25-10242 Geldlening, flexibel krediet. Na opeising alleen wettelijke rente over het restant verschuldigd. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 12027644 \ UC EXPL 25-10242 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van ABN AMRO BANK N.V. , te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: ABN AMRO, gemachtigde: Flanderijn & Van Eck, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de conclusie van antwoord, mondeling gegeven op de rolzitting van 31 december 2025, - de conclusie van repliek. 1.2. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld te reageren op de conclusie van repliek, maar heeft daar geen gevolg aan gegeven. 1.3. Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken. 2 De kern van de zaak 2.1 [gedaagde] sloot in 2008 een geldlening (flexibel krediet) af bij ABN AMRO. In de loop van de tijd ontstond een achterstand in de maandelijkse afbetalingen en in 2022 heeft ABN AMRO het openstaande saldo in zijn geheel opgeëist. ABN AMRO vordert nu € 2.673,68 plus rente. De kantonrechter wijst dat toe. 3 De beoordeling 3.1 De kantonrechter heeft beoordeeld of ABN AMRO de destijds geldende consumentenbeschermende bepalingen heeft nageleefd. Dat blijkt het geval. [gedaagde] is voldoende geïnformeerd over de hoogte van de rente en de voorwaarden voor afbetaling. Volgens [gedaagde] wist hij niet dat de rente destijds ruim 14% bedroeg en had hij de lening niet afgesloten als dat wel het geval zou zijn geweest. Dat verweer slaagt niet. De hoogte van de rente is expliciet en duidelijk vermeld op de kredietovereenkomst (productie 1 van ABN AMRO). Volgens ABN AMRO moet [gedaagde] destijds ook de gelegenheid hebben gehad om de overeenkomst rustig door te lezen en moet ook de hoogte van het rentepercentage zijn besproken. Omdat [gedaagde] dat allemaal niet weerspreekt, gaat de kantonrechter daarvan uit. ABN AMRO heeft tot slot naar behoren onderzocht of [gedaagde] destijds voldoende kredietwaardig was (zie productie 4 van ABN AMRO). 3.2 Omdat [gedaagde] de hoogte van de gevorderde hoofdsom (€ 2.673,68) niet weerspreekt, wordt de hoofdsom toegewezen. 3.3 ABN AMRO vordert de contractuele rente over de hoofdsom, maar dat wordt afgewezen. De verschuldigdheid van contractuele rente ná opeising moet duidelijk en expliciet zijn overeengekomen. ABN AMRO verwijst niet duidelijk waar dat in de overeenkomst of voorwaarden (producties 1 en 2 van ABN AMRO) zou staan, en de kantonrechter heeft een duidelijke bepaling ook niet gezien. De subsidiair gevorderde wettelijke rente kan wel worden toegewezen, gerekend over de hoofdsom vanaf de datum van opeising (12 augustus 2022) tot de betaling. 3.4 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] voert wel aan dat hij uit het niets een dagvaarding zou hebben ontvangen, maar dat heeft ABN AMRO voldoende weersproken. Vanaf het moment van opeising is [gedaagde] meermaals gesommeerd om het resterende saldo te betalen. De door [gedaagde] te betalen proceskosten van ABN AMRO worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,14 - griffierecht € 514,00 - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.292,64 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 veroordeelt [gedaagde] om aan ABN AMRO te betalen een bedrag van € 2.673,68, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 augustus 2022, tot de dag van volledige betaling, 4.2 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.292,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.3 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.4 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door mr. J.G. Nicholson op 22 april 2026. RW1368
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2159 text/xml public 2026-05-08T09:27:23 2026-05-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-22 12027644 \ UC EXPL 25-10242 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2159 text/html public 2026-05-08T09:25:32 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2159 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2026 / 12027644 \ UC EXPL 25-10242 Geldlening, flexibel krediet. Na opeising alleen wettelijke rente over het restant verschuldigd. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 12027644 \ UC EXPL 25-10242 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van ABN AMRO BANK N.V. , te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: ABN AMRO, gemachtigde: Flanderijn & Van Eck, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de conclusie van antwoord, mondeling gegeven op de rolzitting van 31 december 2025, - de conclusie van repliek. 1.2. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld te reageren op de conclusie van repliek, maar heeft daar geen gevolg aan gegeven. 1.3. Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken. 2 De kern van de zaak 2.1 [gedaagde] sloot in 2008 een geldlening (flexibel krediet) af bij ABN AMRO. In de loop van de tijd ontstond een achterstand in de maandelijkse afbetalingen en in 2022 heeft ABN AMRO het openstaande saldo in zijn geheel opgeëist. ABN AMRO vordert nu € 2.673,68 plus rente. De kantonrechter wijst dat toe. 3 De beoordeling 3.1 De kantonrechter heeft beoordeeld of ABN AMRO de destijds geldende consumentenbeschermende bepalingen heeft nageleefd. Dat blijkt het geval. [gedaagde] is voldoende geïnformeerd over de hoogte van de rente en de voorwaarden voor afbetaling. Volgens [gedaagde] wist hij niet dat de rente destijds ruim 14% bedroeg en had hij de lening niet afgesloten als dat wel het geval zou zijn geweest. Dat verweer slaagt niet. De hoogte van de rente is expliciet en duidelijk vermeld op de kredietovereenkomst (productie 1 van ABN AMRO). Volgens ABN AMRO moet [gedaagde] destijds ook de gelegenheid hebben gehad om de overeenkomst rustig door te lezen en moet ook de hoogte van het rentepercentage zijn besproken. Omdat [gedaagde] dat allemaal niet weerspreekt, gaat de kantonrechter daarvan uit. ABN AMRO heeft tot slot naar behoren onderzocht of [gedaagde] destijds voldoende kredietwaardig was (zie productie 4 van ABN AMRO). 3.2 Omdat [gedaagde] de hoogte van de gevorderde hoofdsom (€ 2.673,68) niet weerspreekt, wordt de hoofdsom toegewezen. 3.3 ABN AMRO vordert de contractuele rente over de hoofdsom, maar dat wordt afgewezen. De verschuldigdheid van contractuele rente ná opeising moet duidelijk en expliciet zijn overeengekomen. ABN AMRO verwijst niet duidelijk waar dat in de overeenkomst of voorwaarden (producties 1 en 2 van ABN AMRO) zou staan, en de kantonrechter heeft een duidelijke bepaling ook niet gezien. De subsidiair gevorderde wettelijke rente kan wel worden toegewezen, gerekend over de hoofdsom vanaf de datum van opeising (12 augustus 2022) tot de betaling. 3.4 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] voert wel aan dat hij uit het niets een dagvaarding zou hebben ontvangen, maar dat heeft ABN AMRO voldoende weersproken. Vanaf het moment van opeising is [gedaagde] meermaals gesommeerd om het resterende saldo te betalen. De door [gedaagde] te betalen proceskosten van ABN AMRO worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,14 - griffierecht € 514,00 - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.292,64 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 veroordeelt [gedaagde] om aan ABN AMRO te betalen een bedrag van € 2.673,68, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 augustus 2022, tot de dag van volledige betaling, 4.2 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.292,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.3 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.4 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door mr. J.G. Nicholson op 22 april 2026. RW1368