Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-22
ECLI:NL:RBMNE:2026:2152
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,810 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2152 text/xml public 2026-05-08T09:40:22 2026-05-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-22 11994019 \ MC EXPL 25-6614 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2152 text/html public 2026-05-08T09:38:54 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2152 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2026 / 11994019 \ MC EXPL 25-6614 Huurprijsverhoging door verhuurder. Huurder moet eerst bezwaar maken bij huurcommissie. Niet-ontvankelijk. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 11994019 \ MC EXPL 25-6614 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. M.R. Warner, tegen STICHTING YMERE , gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: Ymere, gemachtigde: mr. B Schildwacht. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 19 november 2025 met producties 1 tot en met 8, - de conclusie van antwoord met producties 1 en 2, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek. 1.2 Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiseres] huurt een woning van Ymere. [eiseres] heeft haar woning gedurende een periode in bewaring gegeven. Tijdens deze periode heeft Ymere de huur verhoogd. [eiseres] meent dat deze verhoging op basis van onjuiste inkomensgegevens is gebaseerd en vordert daarom terugbetaling van de volgens haar te veel betaalde huurpenningen van in totaal € 2.528,16, vermeerderd met rente en kosten. [eiseres] heeft alleen haar bezwaar tegen de huurprijsverhoging niet eerst aan de huurcommissie voorgelegd waardoor haar vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. 3 De beoordeling 3.1 [eiseres] vordert een bedrag van € 2.528,16. Dit bedrag bestaat volgens haar uit te veel betaalde huurpenningen. [eiseres] stelt namelijk dat Ymere onterecht de huur heeft verhoogd in de periode 2022 tot en met 2025. In die periode had [eiseres] haar woning in bewaring gegeven en volgens [eiseres] heeft Ymere de huurprijs toen vastgesteld op basis van het inkomen van de huisbewaarder in plaats van de huurverhogingspercentages toegepast voor sociale huurwoningen. 3.2 Ymere brengt tegen de stellingen van [eiseres] in dat de huurprijs in de desbetreffende periode rechtsgeldig en op de wettelijk voorgeschreven wijze is verhoogd. [eiseres] heeft de huurverhogingsvoorstellen betaald en heeft geen bezwaar gemaakt bij de huurcommissie. Daarmee zijn de huurverhogingen rechtsgeldig voltooid en heeft dat een overeenkomst van de huurverhogingen tot stand gebracht. Ymere hoeft dan ook niet met terugwerkende kracht de huurverhogingen terug te betalen, ondanks dat zij per juli 2025 een verzoek van [eiseres] tot huurverlaging heeft toegekend. 3.3 De kantonrechter merkt op dat Ymere de huurprijs in de periode 2022 tot en met 2025 heeft verhoogd ex artikel 7:252a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Artikel 7:253 BW bepaalt dat als [eiseres] het niet eens is met de verhoging van de huurprijs, zij tot zes weken nadat de verhoging van de huurprijs volgens het voorstel van Ymere had moeten ingaan, de huurcommissie kan verzoeken uitspraak te doen over de redelijkheid van het voorstel. Van de uitspraak van de huurcommissie had [eiseres] vervolgens op de voet van artikel 7:262 BW beroep bij de kantonrechter kunnen instellen. Niet in geschil is dat [eiseres] de huurprijsverhogingen heeft betaald en zich niet binnen de in artikel 7:253 BW bepaalde termijn tot de huurcommissie heeft gewend. Het wettelijke stelsel staat eraan in de weg dat [eiseres] na ommekomst van de in artikel 7:253 BW genoemde zes wekentermijn zich rechtstreeks tot de kantonrechter went om alsnog een huurverlaging met terugwerkende kracht af te dwingen. 3.4 [eiseres] heeft op 27 juni 2025 wel een prijsverlaging van de huur zoals bedoeld in artikel 7:252b BW verzocht met terugwerkende kracht. Ymere heeft met dit voorstel ingestemd in die zin dat zij de verlaging per juli 2025 heeft doorgevoerd. Ymere heeft dus deels met het voorstel ingestemd. [eiseres] is het niet eens met de gedeeltelijke instemming. Ook hier geldt echter weer dat als [eiseres] bezwaar heeft tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar voorstel tot huurprijsverlaging, zij tot uiterlijk zes weken nadat het voorstel had moeten ingaan, de huurcommissie had kunnen verzoeken uitspraak te doen over de redelijkheid van de huurprijs. Dit volgt uit artikel 7:254 BW. Dit heeft zij niet gedaan. Zij kan zich dan niet alsnog tot de kantonrechter wenden. 3.5 Het voorgaande leidt ertoe dat [eiseres] in haar vorderingen niet-ontvankelijk wordt verklaard. Aan de inhoudelijke behandeling van de vorderingen van [eiseres] wordt dan ook niet toegekomen. 3.6 Bij deze uitkomst van de procedure moet de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ymere worden begroot op: - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 632,50 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering, 4.2 veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2152 text/xml public 2026-05-08T09:40:22 2026-05-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-22 11994019 \ MC EXPL 25-6614 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2152 text/html public 2026-05-08T09:38:54 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2152 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2026 / 11994019 \ MC EXPL 25-6614 Huurprijsverhoging door verhuurder. Huurder moet eerst bezwaar maken bij huurcommissie. Niet-ontvankelijk. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 11994019 \ MC EXPL 25-6614 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. M.R. Warner, tegen STICHTING YMERE , gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: Ymere, gemachtigde: mr. B Schildwacht. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 19 november 2025 met producties 1 tot en met 8, - de conclusie van antwoord met producties 1 en 2, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek. 1.2 Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiseres] huurt een woning van Ymere. [eiseres] heeft haar woning gedurende een periode in bewaring gegeven. Tijdens deze periode heeft Ymere de huur verhoogd. [eiseres] meent dat deze verhoging op basis van onjuiste inkomensgegevens is gebaseerd en vordert daarom terugbetaling van de volgens haar te veel betaalde huurpenningen van in totaal € 2.528,16, vermeerderd met rente en kosten. [eiseres] heeft alleen haar bezwaar tegen de huurprijsverhoging niet eerst aan de huurcommissie voorgelegd waardoor haar vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. 3 De beoordeling 3.1 [eiseres] vordert een bedrag van € 2.528,16. Dit bedrag bestaat volgens haar uit te veel betaalde huurpenningen. [eiseres] stelt namelijk dat Ymere onterecht de huur heeft verhoogd in de periode 2022 tot en met 2025. In die periode had [eiseres] haar woning in bewaring gegeven en volgens [eiseres] heeft Ymere de huurprijs toen vastgesteld op basis van het inkomen van de huisbewaarder in plaats van de huurverhogingspercentages toegepast voor sociale huurwoningen. 3.2 Ymere brengt tegen de stellingen van [eiseres] in dat de huurprijs in de desbetreffende periode rechtsgeldig en op de wettelijk voorgeschreven wijze is verhoogd. [eiseres] heeft de huurverhogingsvoorstellen betaald en heeft geen bezwaar gemaakt bij de huurcommissie. Daarmee zijn de huurverhogingen rechtsgeldig voltooid en heeft dat een overeenkomst van de huurverhogingen tot stand gebracht. Ymere hoeft dan ook niet met terugwerkende kracht de huurverhogingen terug te betalen, ondanks dat zij per juli 2025 een verzoek van [eiseres] tot huurverlaging heeft toegekend. 3.3 De kantonrechter merkt op dat Ymere de huurprijs in de periode 2022 tot en met 2025 heeft verhoogd ex artikel 7:252a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Artikel 7:253 BW bepaalt dat als [eiseres] het niet eens is met de verhoging van de huurprijs, zij tot zes weken nadat de verhoging van de huurprijs volgens het voorstel van Ymere had moeten ingaan, de huurcommissie kan verzoeken uitspraak te doen over de redelijkheid van het voorstel. Van de uitspraak van de huurcommissie had [eiseres] vervolgens op de voet van artikel 7:262 BW beroep bij de kantonrechter kunnen instellen. Niet in geschil is dat [eiseres] de huurprijsverhogingen heeft betaald en zich niet binnen de in artikel 7:253 BW bepaalde termijn tot de huurcommissie heeft gewend. Het wettelijke stelsel staat eraan in de weg dat [eiseres] na ommekomst van de in artikel 7:253 BW genoemde zes wekentermijn zich rechtstreeks tot de kantonrechter went om alsnog een huurverlaging met terugwerkende kracht af te dwingen. 3.4 [eiseres] heeft op 27 juni 2025 wel een prijsverlaging van de huur zoals bedoeld in artikel 7:252b BW verzocht met terugwerkende kracht. Ymere heeft met dit voorstel ingestemd in die zin dat zij de verlaging per juli 2025 heeft doorgevoerd. Ymere heeft dus deels met het voorstel ingestemd. [eiseres] is het niet eens met de gedeeltelijke instemming. Ook hier geldt echter weer dat als [eiseres] bezwaar heeft tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar voorstel tot huurprijsverlaging, zij tot uiterlijk zes weken nadat het voorstel had moeten ingaan, de huurcommissie had kunnen verzoeken uitspraak te doen over de redelijkheid van de huurprijs. Dit volgt uit artikel 7:254 BW. Dit heeft zij niet gedaan. Zij kan zich dan niet alsnog tot de kantonrechter wenden. 3.5 Het voorgaande leidt ertoe dat [eiseres] in haar vorderingen niet-ontvankelijk wordt verklaard. Aan de inhoudelijke behandeling van de vorderingen van [eiseres] wordt dan ook niet toegekomen. 3.6 Bij deze uitkomst van de procedure moet de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ymere worden begroot op: - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 632,50 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering, 4.2 veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.