Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-22
ECLI:NL:RBMNE:2026:2146
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,098 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2146 text/xml public 2026-05-07T09:49:46 2026-05-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-22 11886466 \ AC EXPL 25-2064 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amersfoort Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2146 text/html public 2026-05-07T09:49:17 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2146 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2026 / 11886466 \ AC EXPL 25-2064 Onredelijk bezwarend vervalbeding in algemene voorwaarden?; aanneming van werk (bouw van een woning). RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer: 11886466 \ AC EXPL 25-2064 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2] , beiden wonende in [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers c.s.] , procederend in persoon, tegen VDM WONINGEN B.V. , gevestigd in Drogeham, gedaagde partij, hierna te noemen: VDM, gemachtigde: mr. J. Plat. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 11 maart 2026, - de akte van [eisers c.s.] van 25 maart 2026, - de akte van VDM van 25 maart 2026. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1 Bij [eisers c.s.] thuis is een lekkage geconstateerd. Volgens [eisers c.s.] bleek uit nader onderzoek dat dit een gevolg was van een dubbelgeklapte drain in de doucheafvoer, die al sinds de bouw van de woning door VDM verkeerd zit. [eisers c.s.] vindt dat dit een verborgen gebrek is en wil de herstelkosten hiervan vergoed krijgen. Ook wil hij een verklaring voor recht dat VDM aansprakelijk is voor het verborgen gebrek. VDM is het daar niet mee eens. 2.2 VDM heeft een beroep gedaan op het vervalbeding van artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden van Woningborg van 1 april 2014 (hierna ‘de algemene voorwaarden’). In het tussenvonnis van 11 maart 2026 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter bepaald dat [eisers c.s.] en VDM in een nadere akte mogen uitleggen óf en waarom zij vinden dat artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden wel of niet onredelijk bezwarend is. De kantonrechter komt tot de conclusie dat dit geen onredelijk bezwarend beding is en VDM hier een geslaagd beroep op doet. Dat betekent dat [eisers c.s.] zijn vorderingen te laat heeft ingesteld en deze worden afgewezen. 3 De beoordeling Het vervalbeding wordt niet vernietigd Het vervalbeding is een algemene voorwaarde in de zin van de wet 3.1 VDM heeft een beroep gedaan op artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden. Hierin staat dat een rechtsvordering op basis van een verborgen gebrek niet-ontvankelijk is als deze ná vijf jaar na het verstrijken van de algemene garantietermijn van zes maanden is ingesteld. Die garantietermijn van zes maanden staat in artikel 15 lid 1 van de algemene voorwaarden. [eisers c.s.] doet een beroep op vernietiging van artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden, omdat dat beding onredelijk bezwarend zou zijn. Dat beroep slaagt niet. 3.2 Artikel 15 lid 6 algemene voorwaarden is een beding dat is opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen en gaat niet over de kern van de prestatie van partijen. Dat betekent dat dit een algemene voorwaarde is, zoals bedoeld in de wet. Dat partijen onderhandeld zouden hebben over de inhoud van de overeenkomst en [eisers c.s.] volgens VDM dan ook expliciet akkoord is gegaan met de inhoud van de algemene voorwaarden, is dus niet relevant voor de vraag of sprake is van algemene voorwaarden in de zin van de wet. Het vervalbeding is niet onredelijk bezwarend 3.3 Beide partijen merken artikel 15 lid 6 algemene voorwaarden aan als een beding waarin een vervaltermijn is opgenomen. Daarmee voldoet het aan de beschrijving van artikel 6:237 sub h BW. Daaruit volgt dat een beding dat als sanctie op nalaten – in dit geval een nalaten binnen de gestelde termijn een vordering in te stellen – verval van rechten stelt, onredelijk is. Dit is alleen anders als deze gedragingen het verval van die rechten of verweren rechtvaardigen. Dit vermoeden kan worden weerlegd. Het ligt op de weg van VDM om dit rechtsvermoeden te ontzenuwen door tegenbewijs te leveren en aan te tonen dat op basis van de gegeven feiten en omstandigheden het beding in het specifieke geval tegenover [eisers c.s.] niet onredelijk bezwarend is. 3.4 Artikel 6:233 sub a BW bepaalt dat een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is als het onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (in dit geval [eisers c.s.] ). Bij de beoordeling daarvan moet worden gelet op de aard van de overeenkomst, de overige inhoud van de overeenkomst, de manier waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de belangen van beide partijen en de overige omstandigheden van het geval. Dit artikel moet worden uitgelegd in het licht van de bepalingen van Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: ‘de Richtlijn’). 3.5 Op grond van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd als het het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument ( [eisers c.s.] ) aanzienlijk verstoort, en dit in strijd is met de goede trouw. Voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding wordt gekeken naar alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alle andere bedingen van de overeenkomst, en alle bedingen van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is. Het gaat daarbij om omstandigheden en bedingen die bestonden rond het moment waarop de overeenkomst is gesloten. Bovendien wordt rekening gehouden met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft (artikel 4 van de Richtlijn). 3.6 Om een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in de zin van artikel 3 aan te kunnen nemen is van belang of het beding wijzigingen brengt in wat zonder dat beding tussen [eisers c.s.] en VDM zou gelden volgens de toepasselijke nationale regels, en of het beding de consument juridisch in een zodanig minder gunstige positie plaatst dat om die reden kan worden gesproken van aan aanzienlijke verstoring van het evenwicht. 3.7 Bij de beoordeling van de vraag of de verstoring ook in strijd is met de goede trouw , is belang of VDM er redelijkerwijs van kon uitgaan dat [eisers c.s.] het betrokken beding zou aanvaarden als daarover op een eerlijke en billijke manier afzonderlijk was onderhandeld. Bij de toetsing op oneerlijkheid moet worden nagegaan wat het totale effect is van alle bedingen van de overeenkomst, ongeacht of de wederpartij van de consument daadwerkelijk de volledige nakoming daarvan nastreeft. 3.8 De kantonrechter stelt vast dat het beding in het nadeel van [eisers c.s.] afwijkt van de wettelijke regeling die zou gelden zonder het beding. Er zou dan namelijk een verjaringstermijn gelden van twintig jaar na oplevering (artikel 7:761 lid 2 BW), althans twee jaar na het eerste protest (artikel 7:761 lid 1 BW). Zo’n verjaringstermijn kan bovendien worden gestuit. 3.9 De kantonrechter is echter van oordeel dat niet sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in strijd met de goede trouw en het beding – ondanks het wettelijk vermoeden – (ook) niet oneerlijk is zoals bedoeld in artikel 4 van de Richtlijn. De kantonrechter komt tot dat oordeel op basis van de volgende omstandigheden: [eisers c.s.] en VDM hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor de bouw van een woning. Er is gebruik gemaakt van een model aannemingsovereenkomst en de daarbij horende algemene voorwaarden zoals vastgesteld door Woningborg N.V. Deze organisatie is er voor de aannemer (VDM) én voor de opdrachtgever ( [eisers c.s.] ). Zoals [eisers c.s.] zelf ook opmerkt heeft de Woningborg-regeling als doel consumenten te beschermen tegen bouwkundige gebreken. Het gaat hier om een processuele vervaltermijn van vijf jaar na afloop van de garantietermijn van zes maanden na oplevering, in totaal dus vijfeneenhalf jaar na oplevering.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2146 text/xml public 2026-05-07T09:49:46 2026-05-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-22 11886466 \ AC EXPL 25-2064 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amersfoort Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2146 text/html public 2026-05-07T09:49:17 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2146 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2026 / 11886466 \ AC EXPL 25-2064 Onredelijk bezwarend vervalbeding in algemene voorwaarden?; aanneming van werk (bouw van een woning). RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer: 11886466 \ AC EXPL 25-2064 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2] , beiden wonende in [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers c.s.] , procederend in persoon, tegen VDM WONINGEN B.V. , gevestigd in Drogeham, gedaagde partij, hierna te noemen: VDM, gemachtigde: mr. J. Plat. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 11 maart 2026, - de akte van [eisers c.s.] van 25 maart 2026, - de akte van VDM van 25 maart 2026. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1 Bij [eisers c.s.] thuis is een lekkage geconstateerd. Volgens [eisers c.s.] bleek uit nader onderzoek dat dit een gevolg was van een dubbelgeklapte drain in de doucheafvoer, die al sinds de bouw van de woning door VDM verkeerd zit. [eisers c.s.] vindt dat dit een verborgen gebrek is en wil de herstelkosten hiervan vergoed krijgen. Ook wil hij een verklaring voor recht dat VDM aansprakelijk is voor het verborgen gebrek. VDM is het daar niet mee eens. 2.2 VDM heeft een beroep gedaan op het vervalbeding van artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden van Woningborg van 1 april 2014 (hierna ‘de algemene voorwaarden’). In het tussenvonnis van 11 maart 2026 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter bepaald dat [eisers c.s.] en VDM in een nadere akte mogen uitleggen óf en waarom zij vinden dat artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden wel of niet onredelijk bezwarend is. De kantonrechter komt tot de conclusie dat dit geen onredelijk bezwarend beding is en VDM hier een geslaagd beroep op doet. Dat betekent dat [eisers c.s.] zijn vorderingen te laat heeft ingesteld en deze worden afgewezen. 3 De beoordeling Het vervalbeding wordt niet vernietigd Het vervalbeding is een algemene voorwaarde in de zin van de wet 3.1 VDM heeft een beroep gedaan op artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden. Hierin staat dat een rechtsvordering op basis van een verborgen gebrek niet-ontvankelijk is als deze ná vijf jaar na het verstrijken van de algemene garantietermijn van zes maanden is ingesteld. Die garantietermijn van zes maanden staat in artikel 15 lid 1 van de algemene voorwaarden. [eisers c.s.] doet een beroep op vernietiging van artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden, omdat dat beding onredelijk bezwarend zou zijn. Dat beroep slaagt niet. 3.2 Artikel 15 lid 6 algemene voorwaarden is een beding dat is opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen en gaat niet over de kern van de prestatie van partijen. Dat betekent dat dit een algemene voorwaarde is, zoals bedoeld in de wet. Dat partijen onderhandeld zouden hebben over de inhoud van de overeenkomst en [eisers c.s.] volgens VDM dan ook expliciet akkoord is gegaan met de inhoud van de algemene voorwaarden, is dus niet relevant voor de vraag of sprake is van algemene voorwaarden in de zin van de wet. Het vervalbeding is niet onredelijk bezwarend 3.3 Beide partijen merken artikel 15 lid 6 algemene voorwaarden aan als een beding waarin een vervaltermijn is opgenomen. Daarmee voldoet het aan de beschrijving van artikel 6:237 sub h BW. Daaruit volgt dat een beding dat als sanctie op nalaten – in dit geval een nalaten binnen de gestelde termijn een vordering in te stellen – verval van rechten stelt, onredelijk is. Dit is alleen anders als deze gedragingen het verval van die rechten of verweren rechtvaardigen. Dit vermoeden kan worden weerlegd. Het ligt op de weg van VDM om dit rechtsvermoeden te ontzenuwen door tegenbewijs te leveren en aan te tonen dat op basis van de gegeven feiten en omstandigheden het beding in het specifieke geval tegenover [eisers c.s.] niet onredelijk bezwarend is. 3.4 Artikel 6:233 sub a BW bepaalt dat een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is als het onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (in dit geval [eisers c.s.] ). Bij de beoordeling daarvan moet worden gelet op de aard van de overeenkomst, de overige inhoud van de overeenkomst, de manier waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de belangen van beide partijen en de overige omstandigheden van het geval. Dit artikel moet worden uitgelegd in het licht van de bepalingen van Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: ‘de Richtlijn’). 3.5 Op grond van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd als het het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument ( [eisers c.s.] ) aanzienlijk verstoort, en dit in strijd is met de goede trouw. Voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding wordt gekeken naar alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alle andere bedingen van de overeenkomst, en alle bedingen van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is. Het gaat daarbij om omstandigheden en bedingen die bestonden rond het moment waarop de overeenkomst is gesloten. Bovendien wordt rekening gehouden met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft (artikel 4 van de Richtlijn). 3.6 Om een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in de zin van artikel 3 aan te kunnen nemen is van belang of het beding wijzigingen brengt in wat zonder dat beding tussen [eisers c.s.] en VDM zou gelden volgens de toepasselijke nationale regels, en of het beding de consument juridisch in een zodanig minder gunstige positie plaatst dat om die reden kan worden gesproken van aan aanzienlijke verstoring van het evenwicht. 3.7 Bij de beoordeling van de vraag of de verstoring ook in strijd is met de goede trouw , is belang of VDM er redelijkerwijs van kon uitgaan dat [eisers c.s.] het betrokken beding zou aanvaarden als daarover op een eerlijke en billijke manier afzonderlijk was onderhandeld. Bij de toetsing op oneerlijkheid moet worden nagegaan wat het totale effect is van alle bedingen van de overeenkomst, ongeacht of de wederpartij van de consument daadwerkelijk de volledige nakoming daarvan nastreeft. 3.8 De kantonrechter stelt vast dat het beding in het nadeel van [eisers c.s.] afwijkt van de wettelijke regeling die zou gelden zonder het beding. Er zou dan namelijk een verjaringstermijn gelden van twintig jaar na oplevering (artikel 7:761 lid 2 BW), althans twee jaar na het eerste protest (artikel 7:761 lid 1 BW). Zo’n verjaringstermijn kan bovendien worden gestuit. 3.9 De kantonrechter is echter van oordeel dat niet sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in strijd met de goede trouw en het beding – ondanks het wettelijk vermoeden – (ook) niet oneerlijk is zoals bedoeld in artikel 4 van de Richtlijn. De kantonrechter komt tot dat oordeel op basis van de volgende omstandigheden: [eisers c.s.] en VDM hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor de bouw van een woning. Er is gebruik gemaakt van een model aannemingsovereenkomst en de daarbij horende algemene voorwaarden zoals vastgesteld door Woningborg N.V. Deze organisatie is er voor de aannemer (VDM) én voor de opdrachtgever ( [eisers c.s.] ). Zoals [eisers c.s.] zelf ook opmerkt heeft de Woningborg-regeling als doel consumenten te beschermen tegen bouwkundige gebreken. Het gaat hier om een processuele vervaltermijn van vijf jaar na afloop van de garantietermijn van zes maanden na oplevering, in totaal dus vijfeneenhalf jaar na oplevering.
Volledig
Daarmee is er mogelijkheid de verborgen gebreken gedurende enige jaren te ontdekken en de aannemer daarvoor verantwoordelijk te houden. Dat het vervalbeding deze beschermingsfunctie ondermijnt, is niet gebleken. De omstandigheid dat gebreken ook daarna kenbaar kunnen worden is daarvoor onvoldoende. Mede gelet op de volgende omstandigheden is deze termijn niet onredelijk kort. o De processuele vervaltermijn dient ertoe om de rechtszekerheid van de aannemer te beschermen, zodat deze niet nog járen na het verrichten van de werkzaamheden wordt geconfronteerd met een claim. o De vervaltermijn ziet niet op alle verborgen gebreken. Is het verborgen gebrek een ernstig gebrek als bedoeld in artikel 15 lid 3 algemene voorwaarden, dan geldt een termijn van twintig jaar na de garantieperiode van zes maanden na oplevering. Dat in dit geval sprake is van een ernstig gebrek is niet gesteld en ook niet gebleken. Tegenover het vervalbeding staan bedingen die de consument beschermen en onder meer de afbouw garanderen bij faillissement van de aannemer en herstelgaranties geven voor de duur van zes maanden. Zoals uit ook volgt uit de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 juni 2021, waarnaar VDM tijdens de mondelinge behandeling verwees, is een identiek vervalbeding opgenomen in diverse modellen waarbij ook consumentenorganisaties betrokken zijn. Hieruit kan worden afgeleid dat de betrokken consumentenorganisaties meenden dat het vervalbeding in elk geval niet op voorhand als oneerlijk/onredelijk bezwarend moet worden bestempeld. - Het is gebruikelijk om bij de bouw van een woning gebruik te maken van de Woningborg-garantie en de daarvoor opgestelde modellen van Woningborg N.V. 3.10 Naar het oordeel van de kantonrechter is er dan ook geen grond voor het oordeel dat de inhoud van de overeenkomst anders zou zijn geweest in het geval partijen expliciet over de voorwaarden hadden onderhandeld. 3.11 [eisers c.s.] heeft nog aangevoerd dat VDM [eisers c.s.] niet expliciet en duidelijk heeft gewezen op de verstrekkende gevolgen van het beding en dit met zich meebrengt dat door een gebrek aan transparantie het beding oneerlijk is. Een beding kan volgens artikel 5 van de Richtlijn ook oneerlijk zijn als het beding niet transparant is. Dat is het geval als een beding niet duidelijk en begrijpelijk is opgesteld. Is er twijfel over de betekenis van een beding, dan moet het worden uitgelegd op de voor de wederpartij ( [eisers c.s.] ) meest gunstige manier. [eisers c.s.] heeft niet gesteld dat hij deze bepaling op een andere manier heeft uitgelegd dan VDM. De kantonrechter is van oordeel dat het beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd en er geen aanleiding is tot twijfel over de betekenis van het beding. Daarmee is het beding ook transparant en slaagt het verweer van [eisers c.s.] niet. De wet stelt niet als eis dat de gebruiker van de algemene voorwaarden – in dit geval VDM– de wederpartij expliciet moet wijzen op dergelijke bepalingen en de mogelijke concrete gevolgen daarvan. 3.12 In de gegeven omstandigheden is het wettelijk vermoeden dat het beding onredelijk bezwarend is weerlegd en is de kantonrechter van oordeel dat het vervalbeding niet onredelijk bezwarend is. Geen strijd met de wettelijke systematiek van artikel 7:17 en 7:23 BW 3.13 [eisers c.s.] heeft nog aangevoerd dat het beding in strijd is met de wettelijke systematiek van artikel 7:17 en 7:23 BW. De kantonrechter volgt [eisers c.s.] daarin niet. Voor zover de overeenkomst tussen partijen, zoals zij stellen, aangemerkt moet worden als een gemengde koop-aannemingsovereenkomst zijn de bepalingen die betrekking hebben op koopovereenkomsten (zoals artikel 7:23 BW) in principe van toepassing naast de bepalingen die van toepassing zijn op overeenkomsten tot aanneming van werk. Ook de algemene regels ten aanzien van overeenkomsten zijn van toepassing als daarvan niet uitdrukkelijk wordt afgeweken. In de artikelen 7:17 en 7:23 BW is kort gezegd het volgende bepaald: de afgeleverde zaak moet beantwoorden aan de overeenkomst, de koper kan geen beroep meer kan doen op een tekortkoming als hij niet tijdig heeft geklaagd en de vordering verjaart na verloop van twee jaar nadat (tijdig) is geklaagd. 3.14 Artikel 7:23 BW regelt daarmee een klachtplicht van de koper en koppelt daar een vervaltermijn aan. Bij overeenkomst tot aanneming van werk geldt een vergelijkbare klachtplicht en vervalbeding op grond van artikel 6:89 BW en ook in de overeenkomst tussen partijen is een vergelijkbare klachtplicht opgenomen in artikel 15 lid 1 van de algemene voorwaarden. Deze klachtplicht kan bestaan náást andere wettelijke of contractuele verjaringstermijn en vervaltermijnen. Ook als van de wettelijke verjaringstermijn van twintig jaar moet worden uitgegaan, kan de situatie zich voordoen dat een gebrek pas wordt ontdekt ná verloop van die verjaringstermijn. 3.15 Voor zover [eisers c.s.] zich op het standpunt stelt dat met het vervalbeding ten nadele van hem wordt afgeweken van dwingendrechtelijke bepalingen van de regels van koop en dat niet is toegestaan omdat hij moet worden aangemerkt als consument, volgt de kantonrechter dit niet. Dat [eisers c.s.] moet worden aangemerkt als consument, betekent namelijk niet dat sprake is van een consumentenkoop. Van consumentenkoop is alleen sprake bij de koop van roerende zaken. [eisers c.s.] heeft niet gesteld en het is ook niet gebleken dat daarvan sprake is; een huis is niet een roerende zaak, maar een onroerende zaak. [eisers c.s.] heeft zijn vordering te laat ingesteld 3.16 Omdat de conclusie van de kantonrechter is dat er geen sprake is van een onredelijk bezwarend beding, wordt het vervalbeding niet vernietigd op grond van artikel 6:233 BW. De vraag is dan of [eisers c.s.] op tijd heeft gehandeld, binnen de termijn genoemd in het vervalbeding. Dat is niet het geval. 3.17 De woning is opgeleverd op 17 april 2015. Dat betekent dat een garantietermijn gold tot 17 oktober 2015 en op dat moment de vervaltermijn aanving. Vijf jaar later, op 17 oktober 2020 is deze termijn geëindigd. Het gebrek (de verkeerd geplaatste drain) is vervolgens pas bijna vier jaar later tot uiting gekomen, op of omstreeks 12 september 2024. De vordering is bijna vijf jaar na afloop van de vervaltermijn ingesteld, op 15 augustus 2025. Uit artikel 15 lid 6 algemene voorwaarden volgt dat het instellen van een vordering na afloop van de vervaltermijn niet tot toewijzing kan leiden. De kantonrechter is daarom van oordeel dat dit ertoe leidt dat de vorderingen van [eisers c.s.] moeten worden afgewezen. 3.18 Ten overvloede wijst de kantonrechter erop dat vernietiging van artikel 15 lid 6 algemene voorwaarden nog niet (per definitie) had geleid tot toewijzing van de vorderingen van [eisers c.s.] . Op [eisers c.s.] rust namelijk de bewijslast van zijn stelling – waarvan de juistheid door VDM is betwist – dat sprake was van een verborgen gebrek, hij daardoor de schade heeft geleden die hij stelt te hebben geleden en VDM tot vergoeding van die schade kan worden aangesproken. Conclusie 3.19 De vorderingen van [eisers c.s.] (de verklaring voor recht dat VDM aansprakelijk is voor het verborgen gebrek en € 2.307,23 aan herstelkosten vermeerderd met wettelijke rente) worden vanwege wat hierboven is besproken afgewezen. [eisers c.s.] moet de proceskosten betalen 3.20 [eisers c.s.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. VDM krijgt geen vergoeding voor de akte van 25 maart 2026, omdat zij pas tijdens de zitting verwees naar de uitspraak van het Hof Den Haag en het de kantonrechter pas later duidelijk werd dat VDM een beroep wenste te doen op artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden. 3.21 De proceskosten van VDM worden begroot op: - salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten × € 217,00) - nakosten € 108,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 542,50 [eisers c.s.] worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling 3.22 De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen.
Volledig
Daarmee is er mogelijkheid de verborgen gebreken gedurende enige jaren te ontdekken en de aannemer daarvoor verantwoordelijk te houden. Dat het vervalbeding deze beschermingsfunctie ondermijnt, is niet gebleken. De omstandigheid dat gebreken ook daarna kenbaar kunnen worden is daarvoor onvoldoende. Mede gelet op de volgende omstandigheden is deze termijn niet onredelijk kort. o De processuele vervaltermijn dient ertoe om de rechtszekerheid van de aannemer te beschermen, zodat deze niet nog járen na het verrichten van de werkzaamheden wordt geconfronteerd met een claim. o De vervaltermijn ziet niet op alle verborgen gebreken. Is het verborgen gebrek een ernstig gebrek als bedoeld in artikel 15 lid 3 algemene voorwaarden, dan geldt een termijn van twintig jaar na de garantieperiode van zes maanden na oplevering. Dat in dit geval sprake is van een ernstig gebrek is niet gesteld en ook niet gebleken. Tegenover het vervalbeding staan bedingen die de consument beschermen en onder meer de afbouw garanderen bij faillissement van de aannemer en herstelgaranties geven voor de duur van zes maanden. Zoals uit ook volgt uit de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 juni 2021, waarnaar VDM tijdens de mondelinge behandeling verwees, is een identiek vervalbeding opgenomen in diverse modellen waarbij ook consumentenorganisaties betrokken zijn. Hieruit kan worden afgeleid dat de betrokken consumentenorganisaties meenden dat het vervalbeding in elk geval niet op voorhand als oneerlijk/onredelijk bezwarend moet worden bestempeld. - Het is gebruikelijk om bij de bouw van een woning gebruik te maken van de Woningborg-garantie en de daarvoor opgestelde modellen van Woningborg N.V. 3.10 Naar het oordeel van de kantonrechter is er dan ook geen grond voor het oordeel dat de inhoud van de overeenkomst anders zou zijn geweest in het geval partijen expliciet over de voorwaarden hadden onderhandeld. 3.11 [eisers c.s.] heeft nog aangevoerd dat VDM [eisers c.s.] niet expliciet en duidelijk heeft gewezen op de verstrekkende gevolgen van het beding en dit met zich meebrengt dat door een gebrek aan transparantie het beding oneerlijk is. Een beding kan volgens artikel 5 van de Richtlijn ook oneerlijk zijn als het beding niet transparant is. Dat is het geval als een beding niet duidelijk en begrijpelijk is opgesteld. Is er twijfel over de betekenis van een beding, dan moet het worden uitgelegd op de voor de wederpartij ( [eisers c.s.] ) meest gunstige manier. [eisers c.s.] heeft niet gesteld dat hij deze bepaling op een andere manier heeft uitgelegd dan VDM. De kantonrechter is van oordeel dat het beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd en er geen aanleiding is tot twijfel over de betekenis van het beding. Daarmee is het beding ook transparant en slaagt het verweer van [eisers c.s.] niet. De wet stelt niet als eis dat de gebruiker van de algemene voorwaarden – in dit geval VDM– de wederpartij expliciet moet wijzen op dergelijke bepalingen en de mogelijke concrete gevolgen daarvan. 3.12 In de gegeven omstandigheden is het wettelijk vermoeden dat het beding onredelijk bezwarend is weerlegd en is de kantonrechter van oordeel dat het vervalbeding niet onredelijk bezwarend is. Geen strijd met de wettelijke systematiek van artikel 7:17 en 7:23 BW 3.13 [eisers c.s.] heeft nog aangevoerd dat het beding in strijd is met de wettelijke systematiek van artikel 7:17 en 7:23 BW. De kantonrechter volgt [eisers c.s.] daarin niet. Voor zover de overeenkomst tussen partijen, zoals zij stellen, aangemerkt moet worden als een gemengde koop-aannemingsovereenkomst zijn de bepalingen die betrekking hebben op koopovereenkomsten (zoals artikel 7:23 BW) in principe van toepassing naast de bepalingen die van toepassing zijn op overeenkomsten tot aanneming van werk. Ook de algemene regels ten aanzien van overeenkomsten zijn van toepassing als daarvan niet uitdrukkelijk wordt afgeweken. In de artikelen 7:17 en 7:23 BW is kort gezegd het volgende bepaald: de afgeleverde zaak moet beantwoorden aan de overeenkomst, de koper kan geen beroep meer kan doen op een tekortkoming als hij niet tijdig heeft geklaagd en de vordering verjaart na verloop van twee jaar nadat (tijdig) is geklaagd. 3.14 Artikel 7:23 BW regelt daarmee een klachtplicht van de koper en koppelt daar een vervaltermijn aan. Bij overeenkomst tot aanneming van werk geldt een vergelijkbare klachtplicht en vervalbeding op grond van artikel 6:89 BW en ook in de overeenkomst tussen partijen is een vergelijkbare klachtplicht opgenomen in artikel 15 lid 1 van de algemene voorwaarden. Deze klachtplicht kan bestaan náást andere wettelijke of contractuele verjaringstermijn en vervaltermijnen. Ook als van de wettelijke verjaringstermijn van twintig jaar moet worden uitgegaan, kan de situatie zich voordoen dat een gebrek pas wordt ontdekt ná verloop van die verjaringstermijn. 3.15 Voor zover [eisers c.s.] zich op het standpunt stelt dat met het vervalbeding ten nadele van hem wordt afgeweken van dwingendrechtelijke bepalingen van de regels van koop en dat niet is toegestaan omdat hij moet worden aangemerkt als consument, volgt de kantonrechter dit niet. Dat [eisers c.s.] moet worden aangemerkt als consument, betekent namelijk niet dat sprake is van een consumentenkoop. Van consumentenkoop is alleen sprake bij de koop van roerende zaken. [eisers c.s.] heeft niet gesteld en het is ook niet gebleken dat daarvan sprake is; een huis is niet een roerende zaak, maar een onroerende zaak. [eisers c.s.] heeft zijn vordering te laat ingesteld 3.16 Omdat de conclusie van de kantonrechter is dat er geen sprake is van een onredelijk bezwarend beding, wordt het vervalbeding niet vernietigd op grond van artikel 6:233 BW. De vraag is dan of [eisers c.s.] op tijd heeft gehandeld, binnen de termijn genoemd in het vervalbeding. Dat is niet het geval. 3.17 De woning is opgeleverd op 17 april 2015. Dat betekent dat een garantietermijn gold tot 17 oktober 2015 en op dat moment de vervaltermijn aanving. Vijf jaar later, op 17 oktober 2020 is deze termijn geëindigd. Het gebrek (de verkeerd geplaatste drain) is vervolgens pas bijna vier jaar later tot uiting gekomen, op of omstreeks 12 september 2024. De vordering is bijna vijf jaar na afloop van de vervaltermijn ingesteld, op 15 augustus 2025. Uit artikel 15 lid 6 algemene voorwaarden volgt dat het instellen van een vordering na afloop van de vervaltermijn niet tot toewijzing kan leiden. De kantonrechter is daarom van oordeel dat dit ertoe leidt dat de vorderingen van [eisers c.s.] moeten worden afgewezen. 3.18 Ten overvloede wijst de kantonrechter erop dat vernietiging van artikel 15 lid 6 algemene voorwaarden nog niet (per definitie) had geleid tot toewijzing van de vorderingen van [eisers c.s.] . Op [eisers c.s.] rust namelijk de bewijslast van zijn stelling – waarvan de juistheid door VDM is betwist – dat sprake was van een verborgen gebrek, hij daardoor de schade heeft geleden die hij stelt te hebben geleden en VDM tot vergoeding van die schade kan worden aangesproken. Conclusie 3.19 De vorderingen van [eisers c.s.] (de verklaring voor recht dat VDM aansprakelijk is voor het verborgen gebrek en € 2.307,23 aan herstelkosten vermeerderd met wettelijke rente) worden vanwege wat hierboven is besproken afgewezen. [eisers c.s.] moet de proceskosten betalen 3.20 [eisers c.s.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. VDM krijgt geen vergoeding voor de akte van 25 maart 2026, omdat zij pas tijdens de zitting verwees naar de uitspraak van het Hof Den Haag en het de kantonrechter pas later duidelijk werd dat VDM een beroep wenste te doen op artikel 15 lid 6 van de algemene voorwaarden. 3.21 De proceskosten van VDM worden begroot op: - salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten × € 217,00) - nakosten € 108,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 542,50 [eisers c.s.] worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling 3.22 De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen.