Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-22
ECLI:NL:RBMNE:2026:2144
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,062 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2144 text/xml public 2026-05-07T10:07:45 2026-05-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-22 11917662 \ UC EXPL 25-7935 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2144 text/html public 2026-05-07T10:07:02 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2144 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2026 / 11917662 \ UC EXPL 25-7935 Eiseres vordert resterende maandtermijnen van een overeenkomst voor online marketingwerkzaamheden. Gedaagde stelt dat er sprake is van wanprestatie. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde de vordering moet betalen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11917662 \ UC EXPL 25-7935 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van [eiser] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. S.D. Houweling, tegen 1 [gedaagde sub 1] , kantoorhoudend in [plaats] , 2. [gedaagde sub 2] , VENNOOT, wonend in [woonplaats] , 3. [gedaagde sub 3] , VENNOOT, wonend in [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] , gemachtigde: mr. G. de Gelder. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 1 oktober 2025, - de conclusie van antwoord van 9 december 2025, - de aanvullende producties van [eiser] van 17 maart 2026. 1.2 Op 25 maart 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij waren namens [eiser] de heer [A] , mevrouw [B] en de gemachtigde, mr. S.D. Houweling aanwezig. Namens [gedaagden c.s] was de heer [C] aanwezig, samen met de gemachtigde mr. G. de Gelder. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.3 Ten slotte heeft de kantonrechter partijen laten weten dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] , een online marketingbureau, en [gedaagden c.s] hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eiser] (minimaal) een half jaar lang marketingwerkzaamheden zou uitvoeren voor [gedaagden c.s] zouden hier maandelijks € 1.996,50 voor betalen en éénmalig een bedrag van € 1.633,50 aan opstartkosten. Volgens [gedaagden c.s] voerde [eiser] de werkzaamheden echter niet goed genoeg uit. Zij hebben daarom maar voor drie maanden aan werkzaamheden en de opstartkosten betaald. Volgens [gedaagden c.s] hebben partijen in een vaststellingsovereenkomst afgesproken dat [gedaagden c.s] nog één maand aan [eiser] zou betalen. Voor het geval dat de vaststellingsovereenkomst er niet zou zijn, zeggen [gedaagden c.s] dat zij de overeenkomst buitengerechtelijk hebben ontbonden. [eiser] betwist het bestaan van de vaststellingsovereenkomst en zegt dat [gedaagden c.s] de overeenkomst niet mochten ontbinden. Zij wil dat [gedaagden c.s] nog betalen voor de laatste drie maanden van het contract. De kantonrechter geeft [eiser] gelijk en oordeelt dat [gedaagden c.s] nog € 5.989,50 aan [eiser] moeten betalen. 3 De beoordeling Partijen zijn geen resultaatsverplichting of tussentijdse opzegmogelijkheid overeengekomen 3.1 Partijen hebben meerdere geschilpunten tussen hen, maar ze zijn het erover eens dat ze zijn overeengekomen dat [eiser] online marketingwerkzaamheden zou uitvoeren voor [gedaagden c.s] Ze hebben afgesproken dat [eiser] dit in eerste instantie voor een half jaar zou doen en dat daarna de overeenkomst voor onbepaalde tijd zou doorlopen met een opzegtermijn van een maand. Dat betekent dat [gedaagden c.s] in principe deze zes maanden aan [eiser] moet betalen. Maar volgens [gedaagden c.s] is ook afgesproken dat [gedaagden c.s] de overeenkomst in het eerste half jaar tussentijds mochten opzeggen, wanneer zij niet tevreden waren over de resultaten die door [eiser] behaald werden. Er zou dus volgens [gedaagden c.s] sprake zijn van een resultaatsverplichting. Dat dit zo is afgesproken blijkt echter helemaal nergens uit. [gedaagden c.s] zeggen dat dit mondeling met de heer [A] van [eiser] is besproken, maar dit wordt door [eiser] stellig betwist. Zij stelt dat zij dergelijke afspraken ook nooit maakt omdat dat niet objectief is vast te stellen en dus altijd veel discussie zal opleveren. Omdat [gedaagden c.s] hun stelling verder op geen enkele manier hebben onderbouwd, komt niet vast te staan dat zij een tussentijdse opzegbevoegdheid hadden voor wanneer de resultaten zouden tegenvallen. Partijen hebben geen vaststellingsovereenkomst gesloten 3.2 Aangezien de resultaten van de werkzaamheden van [eiser] volgens [gedaagden c.s] tegenvielen, zijn partijen na drie maanden met elkaar in gesprek gegaan. Toen [eiser] aan [gedaagden c.s] aangaf dat zij volgens [eiser] geen tussentijdse opzegmogelijkheid zijn overeengekomen, hebben partijen geprobeerd om er op een andere manier samen uit te komen en een vaststellingsovereenkomst te sluiten. [gedaagden c.s] zeggen dat deze vaststellingsovereenkomst uiteindelijk is gesloten en dat deze er op neer komt dat [gedaagden c.s] nog voor één maand aan werkzaamheden, de maand maart 2025, aan [eiser] zouden betalen. Volgens [eiser] is deze vaststellingsovereenkomst niet gesloten, omdat partijen het niet eens konden worden over de voorwaarden. De kantonrechter oordeelt dat er geen vaststellingsovereenkomst is tussen partijen. Uit de e-mails blijkt dat partijen inderdaad hebben onderhandeld over de voorwaarden van een (voortijdige) beëindiging van de overeenkomst, zowel per e-mail als mondeling. Kennelijk hebben partijen hierbij, mondeling, afgesproken dat [gedaagden c.s] nog tot en met maart 2025 zouden betalen aan [eiser] . Maar, hierbij waren partijen het niet eens over hoe veel maanden ‘tot en met maart’ zou betekenen. [gedaagden c.s] ging uit van één maand, de maand maart, maar [eiser] zegt in de e-mail van 8 april 2025 dat dit betekent dat [gedaagden c.s] ook nog februari 2025 moeten betalen, en dat zij pas instemt met beëindiging zodra deze twee maanden zijn betaald. Vervolgens schrijven [gedaagden c.s] dat zij de facturen van maart en april dan zal betalen, onder voorwaarde dat [eiser] nog een aantal, door [gedaagden c.s] gespecificeerde, werkzaamheden zal verrichten. Daarmee is [eiser] akkoord gegaan, onder de voorwaarde dat vooraf betaald zou worden. Dat wilden [gedaagden c.s] niet. Hierover is nog enige tijd verder gecorrespondeerd, maar van bereikte overeenstemming blijkt niet. [gedaagden c.s] hebben tijdens de mondelinge behandeling nog verduidelijkt dat zij al betaald hadden voor februari 2025 en dat er bij [eiser] iets is misgegaan in de administratie, namelijk dat zij de eerste maandtermijn hebben afgeboekt op de maand november 2024, terwijl de overeenkomst pas op 21 november 2024 is gesloten. Ook al heeft [eiser] aangegeven dat dit waarschijnlijk klopt en dat februari al (goeddeels) betaald is, is er geen vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagden c.s] tot stand gekomen. Het is natuurlijk mogelijk dat, indien die miscommunicatie niet had plaatsgevonden, partijen het wel eens waren geworden, maar dat is niet gebeurd. Dus is er geen vaststellingsovereenkomst tussen partijen, wat betekent dat de afspraken uit de oorspronkelijke overeenkomst nog van kracht zijn. [gedaagden c.s] mochten de overeenkomst met [eiser] niet ontbinden 3.3 Omdat het primaire standpunt van [gedaagden c.s] op grond waarvan zij stellen de gevorderde vergoeding niet te hoeven betalen niet slaagt, zal het subsidiaire verweer van [gedaagden c.s] worden beoordeeld, namelijk dat [gedaagden c.s] de overeenkomst met [eiser] (buitengerechtelijk) hebben ontbonden. Ook dit verweer van [gedaagden c.s] slaagt niet, omdat [gedaagden c.s] de overeenkomst met [eiser] niet mochten ontbinden. Een partij mag een overeenkomst (buitengerechtelijk) ontbinden, wanneer één van de partijen tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst en ontbinding gerechtvaardigd is. Hiervoor is ook vereist dat de partij die tekortschiet, in verzuim is.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2144 text/xml public 2026-05-07T10:07:45 2026-05-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-22 11917662 \ UC EXPL 25-7935 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2144 text/html public 2026-05-07T10:07:02 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2144 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2026 / 11917662 \ UC EXPL 25-7935 Eiseres vordert resterende maandtermijnen van een overeenkomst voor online marketingwerkzaamheden. Gedaagde stelt dat er sprake is van wanprestatie. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde de vordering moet betalen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11917662 \ UC EXPL 25-7935 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van [eiser] B.V. , gevestigd in [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. S.D. Houweling, tegen 1 [gedaagde sub 1] , kantoorhoudend in [plaats] , 2. [gedaagde sub 2] , VENNOOT, wonend in [woonplaats] , 3. [gedaagde sub 3] , VENNOOT, wonend in [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] , gemachtigde: mr. G. de Gelder. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 1 oktober 2025, - de conclusie van antwoord van 9 december 2025, - de aanvullende producties van [eiser] van 17 maart 2026. 1.2 Op 25 maart 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij waren namens [eiser] de heer [A] , mevrouw [B] en de gemachtigde, mr. S.D. Houweling aanwezig. Namens [gedaagden c.s] was de heer [C] aanwezig, samen met de gemachtigde mr. G. de Gelder. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.3 Ten slotte heeft de kantonrechter partijen laten weten dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] , een online marketingbureau, en [gedaagden c.s] hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eiser] (minimaal) een half jaar lang marketingwerkzaamheden zou uitvoeren voor [gedaagden c.s] zouden hier maandelijks € 1.996,50 voor betalen en éénmalig een bedrag van € 1.633,50 aan opstartkosten. Volgens [gedaagden c.s] voerde [eiser] de werkzaamheden echter niet goed genoeg uit. Zij hebben daarom maar voor drie maanden aan werkzaamheden en de opstartkosten betaald. Volgens [gedaagden c.s] hebben partijen in een vaststellingsovereenkomst afgesproken dat [gedaagden c.s] nog één maand aan [eiser] zou betalen. Voor het geval dat de vaststellingsovereenkomst er niet zou zijn, zeggen [gedaagden c.s] dat zij de overeenkomst buitengerechtelijk hebben ontbonden. [eiser] betwist het bestaan van de vaststellingsovereenkomst en zegt dat [gedaagden c.s] de overeenkomst niet mochten ontbinden. Zij wil dat [gedaagden c.s] nog betalen voor de laatste drie maanden van het contract. De kantonrechter geeft [eiser] gelijk en oordeelt dat [gedaagden c.s] nog € 5.989,50 aan [eiser] moeten betalen. 3 De beoordeling Partijen zijn geen resultaatsverplichting of tussentijdse opzegmogelijkheid overeengekomen 3.1 Partijen hebben meerdere geschilpunten tussen hen, maar ze zijn het erover eens dat ze zijn overeengekomen dat [eiser] online marketingwerkzaamheden zou uitvoeren voor [gedaagden c.s] Ze hebben afgesproken dat [eiser] dit in eerste instantie voor een half jaar zou doen en dat daarna de overeenkomst voor onbepaalde tijd zou doorlopen met een opzegtermijn van een maand. Dat betekent dat [gedaagden c.s] in principe deze zes maanden aan [eiser] moet betalen. Maar volgens [gedaagden c.s] is ook afgesproken dat [gedaagden c.s] de overeenkomst in het eerste half jaar tussentijds mochten opzeggen, wanneer zij niet tevreden waren over de resultaten die door [eiser] behaald werden. Er zou dus volgens [gedaagden c.s] sprake zijn van een resultaatsverplichting. Dat dit zo is afgesproken blijkt echter helemaal nergens uit. [gedaagden c.s] zeggen dat dit mondeling met de heer [A] van [eiser] is besproken, maar dit wordt door [eiser] stellig betwist. Zij stelt dat zij dergelijke afspraken ook nooit maakt omdat dat niet objectief is vast te stellen en dus altijd veel discussie zal opleveren. Omdat [gedaagden c.s] hun stelling verder op geen enkele manier hebben onderbouwd, komt niet vast te staan dat zij een tussentijdse opzegbevoegdheid hadden voor wanneer de resultaten zouden tegenvallen. Partijen hebben geen vaststellingsovereenkomst gesloten 3.2 Aangezien de resultaten van de werkzaamheden van [eiser] volgens [gedaagden c.s] tegenvielen, zijn partijen na drie maanden met elkaar in gesprek gegaan. Toen [eiser] aan [gedaagden c.s] aangaf dat zij volgens [eiser] geen tussentijdse opzegmogelijkheid zijn overeengekomen, hebben partijen geprobeerd om er op een andere manier samen uit te komen en een vaststellingsovereenkomst te sluiten. [gedaagden c.s] zeggen dat deze vaststellingsovereenkomst uiteindelijk is gesloten en dat deze er op neer komt dat [gedaagden c.s] nog voor één maand aan werkzaamheden, de maand maart 2025, aan [eiser] zouden betalen. Volgens [eiser] is deze vaststellingsovereenkomst niet gesloten, omdat partijen het niet eens konden worden over de voorwaarden. De kantonrechter oordeelt dat er geen vaststellingsovereenkomst is tussen partijen. Uit de e-mails blijkt dat partijen inderdaad hebben onderhandeld over de voorwaarden van een (voortijdige) beëindiging van de overeenkomst, zowel per e-mail als mondeling. Kennelijk hebben partijen hierbij, mondeling, afgesproken dat [gedaagden c.s] nog tot en met maart 2025 zouden betalen aan [eiser] . Maar, hierbij waren partijen het niet eens over hoe veel maanden ‘tot en met maart’ zou betekenen. [gedaagden c.s] ging uit van één maand, de maand maart, maar [eiser] zegt in de e-mail van 8 april 2025 dat dit betekent dat [gedaagden c.s] ook nog februari 2025 moeten betalen, en dat zij pas instemt met beëindiging zodra deze twee maanden zijn betaald. Vervolgens schrijven [gedaagden c.s] dat zij de facturen van maart en april dan zal betalen, onder voorwaarde dat [eiser] nog een aantal, door [gedaagden c.s] gespecificeerde, werkzaamheden zal verrichten. Daarmee is [eiser] akkoord gegaan, onder de voorwaarde dat vooraf betaald zou worden. Dat wilden [gedaagden c.s] niet. Hierover is nog enige tijd verder gecorrespondeerd, maar van bereikte overeenstemming blijkt niet. [gedaagden c.s] hebben tijdens de mondelinge behandeling nog verduidelijkt dat zij al betaald hadden voor februari 2025 en dat er bij [eiser] iets is misgegaan in de administratie, namelijk dat zij de eerste maandtermijn hebben afgeboekt op de maand november 2024, terwijl de overeenkomst pas op 21 november 2024 is gesloten. Ook al heeft [eiser] aangegeven dat dit waarschijnlijk klopt en dat februari al (goeddeels) betaald is, is er geen vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagden c.s] tot stand gekomen. Het is natuurlijk mogelijk dat, indien die miscommunicatie niet had plaatsgevonden, partijen het wel eens waren geworden, maar dat is niet gebeurd. Dus is er geen vaststellingsovereenkomst tussen partijen, wat betekent dat de afspraken uit de oorspronkelijke overeenkomst nog van kracht zijn. [gedaagden c.s] mochten de overeenkomst met [eiser] niet ontbinden 3.3 Omdat het primaire standpunt van [gedaagden c.s] op grond waarvan zij stellen de gevorderde vergoeding niet te hoeven betalen niet slaagt, zal het subsidiaire verweer van [gedaagden c.s] worden beoordeeld, namelijk dat [gedaagden c.s] de overeenkomst met [eiser] (buitengerechtelijk) hebben ontbonden. Ook dit verweer van [gedaagden c.s] slaagt niet, omdat [gedaagden c.s] de overeenkomst met [eiser] niet mochten ontbinden. Een partij mag een overeenkomst (buitengerechtelijk) ontbinden, wanneer één van de partijen tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst en ontbinding gerechtvaardigd is. Hiervoor is ook vereist dat de partij die tekortschiet, in verzuim is.
Volledig
Voor een geslaagd beroep op buitengerechtelijke ontbinding, moeten [gedaagden c.s] daarom onderbouwen dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Zij heeft vier punten gegeven waaruit dit volgens [gedaagden c.s] blijkt: [eiser] heeft de LinkedIn profielen van [gedaagden c.s] niet beheerd; [eiser] heeft de marketing funnel en e-mailmarketing werkzaamheden niet juist uitgevoerd, waardoor [gedaagden c.s] er geen profijt van hebben gehad; [eiser] heeft zonder overleg de marketingbudgetten voor de Google Ads verdubbeld; [gedaagden c.s] hebben geen maandelijkse rapportages over de resultaten van [eiser] gekregen. 3.4 [eiser] zegt over punt 1 dat het beheren van de LinkedIn pagina van [gedaagden c.s] er in eerste instantie voor bedoeld was om een vacature te plaatsen voor een nieuwe monteur voor [gedaagden c.s] . [eiser] heeft het LinkedIn profiel van [gedaagden c.s] toen aangepast, maar kreeg later bericht van [gedaagden c.s] dat de vacature van het profiel verwijderd mocht worden, omdat er vanwege een terugloop aan klanten en werkzaamheden geen nieuwe monteur meer nodig was. [eiser] geeft aan dat zij toen is gestopt met het bijwerken van de LinkedIn pagina. Volgens [gedaagden c.s] was het beheren van het LinkedIn profiel niet alleen bedoeld voor het vinden van een nieuwe medewerker, maar zou [eiser] het profiel ook voor marketingdoeleinden kunnen gebruiken toen de vacature was verwijderd. Nog los gezien van welke van deze stellingen juist is, stelt de kantonrechter vast dat [gedaagden c.s] [eiser] er niet op hebben gewezen dat [eiser] de LinkedIn profielen had moeten bijwerken. Dit deed zij pas toen [eiser] al geen toegang meer had tot de systemen van [gedaagden c.s] [eiser] heeft daardoor niet de kans gekregen om nog aan de wensen van [gedaagden c.s] te voldoen. Dat betekent dat [eiser] op dit punt niet in verzuim is en dat [gedaagden c.s] de overeenkomst niet om deze reden mag ontbinden. 3.5 Punten 2 en 3 betreffen de marketing funnel en e-mailmarketing werkzaamheden van [eiser] en het verhogen van de budgetten voor de Google Ads. Dat [eiser] dit niet juist heeft gedaan, blijkt volgens [gedaagden c.s] uit de e-mail van [bedrijf] . Dit is een ander online marketingbedrijf, dat [gedaagden c.s] in februari 2025 heeft geraadpleegd voor advies. In de e-mail staat inderdaad dat [bedrijf] de marketing op een andere manier zou aanpakken. Nog los van de vraag of [bedrijf] kan worden aangemerkt als een deskundige, wat door [eiser] betwist wordt, is echter niet uit deze e-mail af te leiden dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming. Dat [bedrijf] de marketing voor [gedaagden c.s] anders zou doen, betekent niet dat [eiser] iets zodanig fout heeft gedaan dat gezegd moet worden dat zij de overeenkomst niet is nagekomen. 3.6 Wat betreft de marketing funnel en e-mailmarketing werkzaamheden geldt ook dat [eiser] en [gedaagden c.s] geen concrete resultaten waren overeengekomen die [eiser] zou moeten waarmaken. En, als de resultaten van [eiser] zo slecht waren dat dit ontbinding zou rechtvaardigen, dan was het aan [gedaagden c.s] om dit inzichtelijk te maken aan de hand van die resultaten. Dit heeft [gedaagden c.s] helemaal niet gedaan. 3.7 Daarnaast geldt, wat betreft de Google Ads, dat [gedaagden c.s] de facturen van Google wel zonder protest hebben betaald. [eiser] zegt ook dat het verhogen van de budgetten voor Google Ads in overleg is gegaan met [gedaagden c.s] hebben erkend dat [eiser] de verhoging met hen heeft besproken en dat zij daar ook toestemming voor hebben gegeven, maar zeggen dat zij niet hadden verwacht dat het budget verdubbeld zou worden. Die stelling leidt hooguit tot de conclusie dat sprake is van een onduidelijkheid in de communicatie, maar niet dat er een tekortkoming was in de nakoming van [eiser] . 3.8 Punt 4, tevens het laatste punt van [gedaagden c.s] , ziet op het feit dat [eiser] geen maandelijkse rapportages aan [gedaagden c.s] heeft gegeven. Ook dit is geen tekortkoming in de nakoming van [eiser] . [eiser] zegt hier namelijk over dat zij misschien niet maandelijks een document heeft opgesteld met daarin de resultaten van de marketingwerkzaamheden, maar dat zij bijna wekelijks (telefonisch) contact heeft gehad met [gedaagden c.s] om de resultaten te bespreken. Deze resultaten konden [gedaagden c.s] ook te allen tijde bekijken in de accounts van [gedaagden c.s] heeft niet betwist dat zij wel degelijk op de hoogte zijn gesteld door [eiser] over hun werkzaamheden en de resultaten daarvan. In de overeenkomst staat daarnaast ook niet dat de rapportages op schrift moeten worden gesteld. Een telefonische bespreking van de maandelijkse resultaten is daarom voldoende om aan de overeenkomst te voldoen. Dit is dan ook geen gegronde reden voor [gedaagden c.s] om de overeenkomst te ontbinden. [gedaagden c.s] moeten € 5.989,50 aan [eiser] betalen 3.9 Alle redenen die [gedaagden c.s] noemen op grond waarvan zij de overeenkomst buitengerechtelijk hebben ontbonden, zijn geen gegronde reden zijn voor de ontbinding. De overeenkomst is daarom onterecht buitengerechtelijk ontbonden, wat betekent dat de overeenkomst is blijven bestaan, tot het einde van de oorspronkelijke zes maanden. De volledige vordering van [eiser] tot betaling van de resterende drie contractstermijnen kan daarom toegewezen worden. Dat [eiser] in de laatste drie maanden geen werkzaamheden heeft verricht maakt dit niet anders. Zij was immers door [gedaagden c.s] uit haar accounts in de marketingsystemen gezet, waardoor zij haar werkzaamheden niet meer kon uitvoeren. [gedaagden c.s] moeten nog € 5.989,50 aan [eiser] betalen. Omdat [gedaagden c.s] te laat betaald hebben en er sprake is van een handelsovereenkomst, moeten [gedaagden c.s] ook de wettelijke (handels)rente over dit bedrag betalen. [gedaagden c.s] moeten de buitengerechtelijke incassokosten betalen 3.10 [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Dat zijn kosten die [eiser] heeft gemaakt om te proberen te voorkomen dat zij naar de rechter moest stappen. [eiser] vordert deze vergoeding primair op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst of algemene voorwaarden. In de overeenkomst is echter geen beding opgenomen over de buitengerechtelijke incassokosten. Ook zijn er door [eiser] bij de dagvaarding geen algemene voorwaarden toegevoegd. De kantonrechter zal daarom de vordering beoordelen op de subsidiaire grond, namelijk de wet. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Daarom moeten [gedaagden c.s] daarvoor een vergoeding betalen. Voor die vergoeding gelden vaste tarieven, die afhangen van de hoogte van de vordering. Deze tarieven zijn bepaald in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het bedrag dat [eiser] heeft gevorderd komt overeen met het tarief in het Besluit. Dat betekent dat [gedaagden c.s] het bedrag van € 299,48 aan [eiser] moeten betalen. 3.11 [eiser] heeft daarnaast de wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De kantonrechter zal over het bedrag van € 299,48 niet de wettelijke handelsrente, maar de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toewijzen. De buitengerechtelijke incassokosten zijn namelijk een vorm van schadevergoeding, en volgens de rechtspraak van de Hoge Raad kan geen wettelijke handelsrente over een schadevergoeding worden toegewezen. [gedaagden c.s] moeten de proceskosten betalen 3.12 [gedaagden c.s] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,14 - griffierecht € 543,00 - salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten × € 360,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.553,14 Hoofdelijke veroordeling 3.13 De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat alle drie de gedaagden kunnen worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Volledig
Voor een geslaagd beroep op buitengerechtelijke ontbinding, moeten [gedaagden c.s] daarom onderbouwen dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Zij heeft vier punten gegeven waaruit dit volgens [gedaagden c.s] blijkt: [eiser] heeft de LinkedIn profielen van [gedaagden c.s] niet beheerd; [eiser] heeft de marketing funnel en e-mailmarketing werkzaamheden niet juist uitgevoerd, waardoor [gedaagden c.s] er geen profijt van hebben gehad; [eiser] heeft zonder overleg de marketingbudgetten voor de Google Ads verdubbeld; [gedaagden c.s] hebben geen maandelijkse rapportages over de resultaten van [eiser] gekregen. 3.4 [eiser] zegt over punt 1 dat het beheren van de LinkedIn pagina van [gedaagden c.s] er in eerste instantie voor bedoeld was om een vacature te plaatsen voor een nieuwe monteur voor [gedaagden c.s] . [eiser] heeft het LinkedIn profiel van [gedaagden c.s] toen aangepast, maar kreeg later bericht van [gedaagden c.s] dat de vacature van het profiel verwijderd mocht worden, omdat er vanwege een terugloop aan klanten en werkzaamheden geen nieuwe monteur meer nodig was. [eiser] geeft aan dat zij toen is gestopt met het bijwerken van de LinkedIn pagina. Volgens [gedaagden c.s] was het beheren van het LinkedIn profiel niet alleen bedoeld voor het vinden van een nieuwe medewerker, maar zou [eiser] het profiel ook voor marketingdoeleinden kunnen gebruiken toen de vacature was verwijderd. Nog los gezien van welke van deze stellingen juist is, stelt de kantonrechter vast dat [gedaagden c.s] [eiser] er niet op hebben gewezen dat [eiser] de LinkedIn profielen had moeten bijwerken. Dit deed zij pas toen [eiser] al geen toegang meer had tot de systemen van [gedaagden c.s] [eiser] heeft daardoor niet de kans gekregen om nog aan de wensen van [gedaagden c.s] te voldoen. Dat betekent dat [eiser] op dit punt niet in verzuim is en dat [gedaagden c.s] de overeenkomst niet om deze reden mag ontbinden. 3.5 Punten 2 en 3 betreffen de marketing funnel en e-mailmarketing werkzaamheden van [eiser] en het verhogen van de budgetten voor de Google Ads. Dat [eiser] dit niet juist heeft gedaan, blijkt volgens [gedaagden c.s] uit de e-mail van [bedrijf] . Dit is een ander online marketingbedrijf, dat [gedaagden c.s] in februari 2025 heeft geraadpleegd voor advies. In de e-mail staat inderdaad dat [bedrijf] de marketing op een andere manier zou aanpakken. Nog los van de vraag of [bedrijf] kan worden aangemerkt als een deskundige, wat door [eiser] betwist wordt, is echter niet uit deze e-mail af te leiden dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming. Dat [bedrijf] de marketing voor [gedaagden c.s] anders zou doen, betekent niet dat [eiser] iets zodanig fout heeft gedaan dat gezegd moet worden dat zij de overeenkomst niet is nagekomen. 3.6 Wat betreft de marketing funnel en e-mailmarketing werkzaamheden geldt ook dat [eiser] en [gedaagden c.s] geen concrete resultaten waren overeengekomen die [eiser] zou moeten waarmaken. En, als de resultaten van [eiser] zo slecht waren dat dit ontbinding zou rechtvaardigen, dan was het aan [gedaagden c.s] om dit inzichtelijk te maken aan de hand van die resultaten. Dit heeft [gedaagden c.s] helemaal niet gedaan. 3.7 Daarnaast geldt, wat betreft de Google Ads, dat [gedaagden c.s] de facturen van Google wel zonder protest hebben betaald. [eiser] zegt ook dat het verhogen van de budgetten voor Google Ads in overleg is gegaan met [gedaagden c.s] hebben erkend dat [eiser] de verhoging met hen heeft besproken en dat zij daar ook toestemming voor hebben gegeven, maar zeggen dat zij niet hadden verwacht dat het budget verdubbeld zou worden. Die stelling leidt hooguit tot de conclusie dat sprake is van een onduidelijkheid in de communicatie, maar niet dat er een tekortkoming was in de nakoming van [eiser] . 3.8 Punt 4, tevens het laatste punt van [gedaagden c.s] , ziet op het feit dat [eiser] geen maandelijkse rapportages aan [gedaagden c.s] heeft gegeven. Ook dit is geen tekortkoming in de nakoming van [eiser] . [eiser] zegt hier namelijk over dat zij misschien niet maandelijks een document heeft opgesteld met daarin de resultaten van de marketingwerkzaamheden, maar dat zij bijna wekelijks (telefonisch) contact heeft gehad met [gedaagden c.s] om de resultaten te bespreken. Deze resultaten konden [gedaagden c.s] ook te allen tijde bekijken in de accounts van [gedaagden c.s] heeft niet betwist dat zij wel degelijk op de hoogte zijn gesteld door [eiser] over hun werkzaamheden en de resultaten daarvan. In de overeenkomst staat daarnaast ook niet dat de rapportages op schrift moeten worden gesteld. Een telefonische bespreking van de maandelijkse resultaten is daarom voldoende om aan de overeenkomst te voldoen. Dit is dan ook geen gegronde reden voor [gedaagden c.s] om de overeenkomst te ontbinden. [gedaagden c.s] moeten € 5.989,50 aan [eiser] betalen 3.9 Alle redenen die [gedaagden c.s] noemen op grond waarvan zij de overeenkomst buitengerechtelijk hebben ontbonden, zijn geen gegronde reden zijn voor de ontbinding. De overeenkomst is daarom onterecht buitengerechtelijk ontbonden, wat betekent dat de overeenkomst is blijven bestaan, tot het einde van de oorspronkelijke zes maanden. De volledige vordering van [eiser] tot betaling van de resterende drie contractstermijnen kan daarom toegewezen worden. Dat [eiser] in de laatste drie maanden geen werkzaamheden heeft verricht maakt dit niet anders. Zij was immers door [gedaagden c.s] uit haar accounts in de marketingsystemen gezet, waardoor zij haar werkzaamheden niet meer kon uitvoeren. [gedaagden c.s] moeten nog € 5.989,50 aan [eiser] betalen. Omdat [gedaagden c.s] te laat betaald hebben en er sprake is van een handelsovereenkomst, moeten [gedaagden c.s] ook de wettelijke (handels)rente over dit bedrag betalen. [gedaagden c.s] moeten de buitengerechtelijke incassokosten betalen 3.10 [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Dat zijn kosten die [eiser] heeft gemaakt om te proberen te voorkomen dat zij naar de rechter moest stappen. [eiser] vordert deze vergoeding primair op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst of algemene voorwaarden. In de overeenkomst is echter geen beding opgenomen over de buitengerechtelijke incassokosten. Ook zijn er door [eiser] bij de dagvaarding geen algemene voorwaarden toegevoegd. De kantonrechter zal daarom de vordering beoordelen op de subsidiaire grond, namelijk de wet. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Daarom moeten [gedaagden c.s] daarvoor een vergoeding betalen. Voor die vergoeding gelden vaste tarieven, die afhangen van de hoogte van de vordering. Deze tarieven zijn bepaald in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het bedrag dat [eiser] heeft gevorderd komt overeen met het tarief in het Besluit. Dat betekent dat [gedaagden c.s] het bedrag van € 299,48 aan [eiser] moeten betalen. 3.11 [eiser] heeft daarnaast de wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De kantonrechter zal over het bedrag van € 299,48 niet de wettelijke handelsrente, maar de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toewijzen. De buitengerechtelijke incassokosten zijn namelijk een vorm van schadevergoeding, en volgens de rechtspraak van de Hoge Raad kan geen wettelijke handelsrente over een schadevergoeding worden toegewezen. [gedaagden c.s] moeten de proceskosten betalen 3.12 [gedaagden c.s] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,14 - griffierecht € 543,00 - salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten × € 360,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.553,14 Hoofdelijke veroordeling 3.13 De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat alle drie de gedaagden kunnen worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.