Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-09
ECLI:NL:RBMNE:2026:210
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/3284 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen), en De directie van de RDW, de RDW (gemachtigde: mr. J. Choufoer-van der Wel). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de RDW om voor zijn voertuig met kenteken [kenteken] (het voertuig) een verbod op te leggen om te rijden op de weg. Met het bestreden besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van eiser is de RDW bij dat besluit gebleven. Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De RDW heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de RDW deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voor de zitting afgemeld. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 1. De rechtbank beoordeelt of de RDW in redelijkheid van haar bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om het rijverbod voor het voertuig op te leggen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3. Eiser voert aan dat de RDW het besluit niet op de meting heeft kunnen baseren. Deze is uitgevoerd door de politie en niet door de RDW zelf, er is geen meting in de wagen zelf gedaan en verder voldoen de gehanteerde tussenafstanden van 30 tot 40 meter niet aan die bij richtlijn en regelgeving zijn gegeven. Ook vindt eiser van belang dat er aan hem geen strafrechtelijke sanctie is opgelegd. Verder voert eiser aan dat geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. Eiser wijst er op dat het voertuig tweedehands is gekocht, het om een voertuig van buitenlandse makelij gaat en eiser zelf het voertuig nimmer heeft opgevoerd. 4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het voertuig een motorrijtuig met beperkte snelheid (mmbs) betreft die niet harder mag dan 30 km/h (25 km/h + 5 km/h). Ook uit het verslag van de hoorzitting in de bezwaarfase blijkt dat eiser zich daarvan bewust was. 5. Op 19 september 2024 heeft de politie een melding gemaakt bij de RDW dat het voertuig niet voldoet aan de vastgestelde eisen omdat dit voertuig veel harder kan dan de constructiesnelheid van 25 km/h. Om dit vast te stellen zijn er twee rijproeven uitgevoerd. In beginsel mag de RDW hiervan uitgaan, tenzij een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van deze melding. 6. De rechtbank ziet dat de RDW in de bezwaarfase navraag heeft gedaan bij de politie over de rijproeven. Daarop is gemeld dat de rijproeven zijn uitgevoerd op basis van een goedgekeurde trajectsnelheidsmeter en conform de in de Instructie meting maximum snelheid voorgeschreven werkwijze. In die Instructie is verwezen naar de artikelen 28 en 29a van bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5 van de Regeling Voertuigen. Beide rijproeven resulteerden in een gecorrigeerde snelheid van meer dan 70 km/u. Ook staat er vermeld dat de meetafstand bij beide rijproeven meer dan 1.000 meter bedroeg. De tussenafstand aan het begin van de meting was telkens 30 meter en aan het einde van de meting 40 meter. Dat dit in strijd zou zijn met de richtlijn of regelgeving is niet gebleken en ook geheel niet onderbouwd door eiser. 7. Voor zover eiser betoogt dat hij niet strafrechtelijk is vervolgd, is dit ook niet onderbouwd en heeft eiser ook geen andere (leesbare) stukken overgelegd die grond bieden voor het oordeel dat niet van de juistheid van de meting uit mag worden gegaan. Bovendien gaat het in dit geval om een bevoegdheid van de RDW ter behartiging van het belang van de verkeersveiligheid. Di