Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-04
ECLI:NL:RBMNE:2026:2071
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,064 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2071 text/xml public 2026-04-30T10:15:45 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-04 C/16/579672 / BE ZA 24-47 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2071 text/html public 2026-04-30T10:15:26 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2071 Rechtbank Midden-Nederland , 04-03-2026 / C/16/579672 / BE ZA 24-47 Erfrecht, fideï-commissaire making. De niet-uitgekeerde rente blijft onderdeel van het fideï-commissaire vermogen. RECHTBANK Midden-Nederland Bureau Erfrecht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/579672 / BE ZA 24-47 Vonnis van 4 maart 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] (Frankrijk), eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. J.H. Six-van der Werf, tegen [gedaagde] , procederend in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. F. Dunki Jacobs. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met incidentele vorderingen met producties 1 t/m 17; - de conclusie van antwoord in incident met producties 1 t/m 3; - de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 3; - de akte overleggen producties 4 t/m 6 van [gedaagde] ; - de akte wijziging van eis, medische verklaring en volmacht; - de akte overleggen productie 7 van [gedaagde] ; 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. [eiser] is in persoon verschenen en bijgestaan door zijn advocaat die op schrift gestelde spreekaantekeningen heeft voorgedragen en overgelegd. [gedaagde] is eveneens in persoon verschenen en bijgestaan door zijn advocaat die op schrift gestelde pleitaantekeningen heeft voorgedragen en overgelegd. 1.3. Het vonnis is bepaald op heden. 2 Het geschil In incident 2.1. [eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot het opstellen van de volgende stukken in de nalatenschap van de moeder van [overledene] : een deugdelijke boedelbeschrijving en die met de daarbij behorende bescheiden aan [eiser] te verstrekken, binnen vier weken na betekening van dit vonnis; een deugdelijke (voorlopige)rekening en verantwoording opstelt en de daarbij behorende bescheiden aan [eiser] verstrekt, binnen vier weken na betekening van dit vonnis; [eiser] iedere drie maanden, te rekenen vanaf de dag van dit vonnis, en indien nodig vaker, informatie te verschaffen over de afwikkeling van de nalatenschap inclusief de bijbehorende bescheiden, waarbij de maandelijkse termijnen aanvangen na vier weken na betekening van dit vonnis. Op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor ieder dag dat [gedaagde] in gebreke is. In de hoofdzaak 2.2. [eiser] vordert – na eiswijziging – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] veroordeelt tot het betalen van de over het aandeel van [overledene] in de nalatenschap van haar vader verschuldigde rente van € 914.910,60 dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag; II. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure. 2.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert zowel in incident als in de hoofdzaak tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 2.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 3 De feiten 3.1. [overledene] (hierna [overledene] ) is op [trouwdatum] 2019 gehuwd met [eiser] . [overledene] is op [overlijdensdatum] 2020 overleden, [eiser] is haar enige erfgenaam. 3.2. De vader van [overledene] en [zus] (zus van [overledene] ) is op [overlijdensdatum] 1999 overleden. Bij testament van 10 maart 1999 heeft hij over zijn nalatenschap beschikt. Dit testament bevat een ouderlijke boedelverdeling en een tweetrapsmaking: al hetgeen [overledene] onverteerd zou nalaten uit deze nalatenschap zou bij haar overlijden toekomen aan haar zus [zus] of haar kinderen. Voorts is bepaald dat de vorderingen van de kinderen wegens overbedeling eerst opeisbaar zijn bij overlijden van de langstlevende echtgenote (moeder). In het testament staat voor zover hier van belang: ‘’4. ALTERNATIEVE BESCHIKKING (…) C. OPEISBAARHEID VORDERINGEN De uitkeringen die mijn echtgenote wegens overbedeling aan de mede-erfgenamen verschuldigd is, zullen niet eerder opeisbaar zijn, dan bij haar overlijden en in de gevallen hiervoor onder 3.B.i. genoemd. Mijn echtgenote is overigens te allen tijde tot gehele of gedeeltelijke betaling bevoegd, indien gewenst op hoofdsom en opgelopen rente afzonderlijk.’’ ‘’5. BELASTING (…) 12. FIDEI-COMMIS Ik leg aan mijn dochter [overledene] de last op, indien zij zonder afstammelingen mocht overlijden, hetgeen op het moment van haar overlijden van mijn nalatenschap onverteerd en onvervreemd zal blijken te zijn overgebleven, uit te keren aan hen die mijn erfgenamen zouden zijn geweest indien ik na haar zou zijn overleden, hierna (tezamen)ook te noemen: de verwachter.’’ 3.3. De moeder van [overledene] en [zus] is op 17 augustus 2019 overleden. [gedaagde] is benoemd tot executeur van haar nalatenschap. [overledene] en [zus] hebben de nalatenschap van moeder zuiver aanvaard. In geschil is of de rente over de vordering van [overledene] op haar moeder uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling toekomt aan [eiser] (als erfgenaam van [overledene] ) dan wel aan [zus] als verwachter onder de tweetrapsmaking. 4 De beoordeling In incident en in de hoofdzaak 4.1. In de kern draait het geschil om de vraag aan wie de opgebouwde rente over de vordering van [overledene] uit de nalatenschap van haar vader toekomt. Komt de rente toe aan [eiser] , als erfgenaam van [overledene] , of aan [zus] , als verwachter. Voor de beantwoording van deze vraag is ook de uitleg van het testament van vader van belang. Daarbij komt het aan op de bedoeling van vader, af te leiden uit de bewoordingen van het testament, gelezen in het licht van de omstandigheden van het geval. 4.2. Uit de tekst van het testament blijkt ondubbelzinnig dat de vader heeft beoogd te voorkomen dat zijn vermogen – direct of indirect – buiten zijn familie zou geraken. De fideï-commissaire making strekt ertoe hetgeen [overledene] uit zijn nalatenschap onverteerd nalaat, te doen toekomen aan de verwachter. Door de ouderlijke boedelverdeling heeft [overledene] geen goederen uit de nalatenschap van haar vader verkregen, maar slechts een niet-opeisbare geldvordering op haar moeder. Zij kon daarover gedurende het leven van haar moeder niet beschikken. Pas bij het overlijden van moeder werd deze vordering opeisbaar. 4.3. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de rente over de vordering van [overledene] niet tot de nalatenschap van vader behoort, maar tot de nalatenschap van moeder. Dit betekent dat de rente aan [eiser] toekomt en niet onder het fideï-commissaire vermogen valt. Dat de vordering in de periode tussen het overlijden van moeder en [overledene] niet is uitbetaald, doet hier niets aan af. 4.4. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een legal opinion van prof. mr. [A] in het geding gebracht. In deze opinie wordt gemotiveerd uiteengezet dat de rente over de vordering van [overledene] toekomt aan [zus] , als verwachter. Aangezien de vordering nooit is uitbetaald, blijft de niet uitgekeerde rente onderdeel uitmaken van het fideï-commissaire vermogen. 4.5. De door [eiser] verdedigde uitleg zou ertoe leiden dat een substantieel deel van het vermogen alsnog via zijn verkrijging als echtgenoot – en daarmee via de zogenoemde koude kant – aan hem zou toekomen. Een dergelijk resultaat staat op gespannen voet met de duidelijke strekking van het testament, waarin vader juist heeft beoogd zijn vermogen niet buiten zijn familie te laten komen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat vader een dergelijke uitkomst heeft willen aanvaarden. 4.6. De rechtbank acht de opinie van prof. mr. [A] zorgvuldig gemotiveerd.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2071 text/xml public 2026-04-30T10:15:45 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-04 C/16/579672 / BE ZA 24-47 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2071 text/html public 2026-04-30T10:15:26 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2071 Rechtbank Midden-Nederland , 04-03-2026 / C/16/579672 / BE ZA 24-47 Erfrecht, fideï-commissaire making. De niet-uitgekeerde rente blijft onderdeel van het fideï-commissaire vermogen. RECHTBANK Midden-Nederland Bureau Erfrecht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/579672 / BE ZA 24-47 Vonnis van 4 maart 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] (Frankrijk), eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. J.H. Six-van der Werf, tegen [gedaagde] , procederend in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. F. Dunki Jacobs. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met incidentele vorderingen met producties 1 t/m 17; - de conclusie van antwoord in incident met producties 1 t/m 3; - de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 3; - de akte overleggen producties 4 t/m 6 van [gedaagde] ; - de akte wijziging van eis, medische verklaring en volmacht; - de akte overleggen productie 7 van [gedaagde] ; 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. [eiser] is in persoon verschenen en bijgestaan door zijn advocaat die op schrift gestelde spreekaantekeningen heeft voorgedragen en overgelegd. [gedaagde] is eveneens in persoon verschenen en bijgestaan door zijn advocaat die op schrift gestelde pleitaantekeningen heeft voorgedragen en overgelegd. 1.3. Het vonnis is bepaald op heden. 2 Het geschil In incident 2.1. [eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot het opstellen van de volgende stukken in de nalatenschap van de moeder van [overledene] : een deugdelijke boedelbeschrijving en die met de daarbij behorende bescheiden aan [eiser] te verstrekken, binnen vier weken na betekening van dit vonnis; een deugdelijke (voorlopige)rekening en verantwoording opstelt en de daarbij behorende bescheiden aan [eiser] verstrekt, binnen vier weken na betekening van dit vonnis; [eiser] iedere drie maanden, te rekenen vanaf de dag van dit vonnis, en indien nodig vaker, informatie te verschaffen over de afwikkeling van de nalatenschap inclusief de bijbehorende bescheiden, waarbij de maandelijkse termijnen aanvangen na vier weken na betekening van dit vonnis. Op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor ieder dag dat [gedaagde] in gebreke is. In de hoofdzaak 2.2. [eiser] vordert – na eiswijziging – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] veroordeelt tot het betalen van de over het aandeel van [overledene] in de nalatenschap van haar vader verschuldigde rente van € 914.910,60 dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag; II. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure. 2.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert zowel in incident als in de hoofdzaak tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 2.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 3 De feiten 3.1. [overledene] (hierna [overledene] ) is op [trouwdatum] 2019 gehuwd met [eiser] . [overledene] is op [overlijdensdatum] 2020 overleden, [eiser] is haar enige erfgenaam. 3.2. De vader van [overledene] en [zus] (zus van [overledene] ) is op [overlijdensdatum] 1999 overleden. Bij testament van 10 maart 1999 heeft hij over zijn nalatenschap beschikt. Dit testament bevat een ouderlijke boedelverdeling en een tweetrapsmaking: al hetgeen [overledene] onverteerd zou nalaten uit deze nalatenschap zou bij haar overlijden toekomen aan haar zus [zus] of haar kinderen. Voorts is bepaald dat de vorderingen van de kinderen wegens overbedeling eerst opeisbaar zijn bij overlijden van de langstlevende echtgenote (moeder). In het testament staat voor zover hier van belang: ‘’4. ALTERNATIEVE BESCHIKKING (…) C. OPEISBAARHEID VORDERINGEN De uitkeringen die mijn echtgenote wegens overbedeling aan de mede-erfgenamen verschuldigd is, zullen niet eerder opeisbaar zijn, dan bij haar overlijden en in de gevallen hiervoor onder 3.B.i. genoemd. Mijn echtgenote is overigens te allen tijde tot gehele of gedeeltelijke betaling bevoegd, indien gewenst op hoofdsom en opgelopen rente afzonderlijk.’’ ‘’5. BELASTING (…) 12. FIDEI-COMMIS Ik leg aan mijn dochter [overledene] de last op, indien zij zonder afstammelingen mocht overlijden, hetgeen op het moment van haar overlijden van mijn nalatenschap onverteerd en onvervreemd zal blijken te zijn overgebleven, uit te keren aan hen die mijn erfgenamen zouden zijn geweest indien ik na haar zou zijn overleden, hierna (tezamen)ook te noemen: de verwachter.’’ 3.3. De moeder van [overledene] en [zus] is op 17 augustus 2019 overleden. [gedaagde] is benoemd tot executeur van haar nalatenschap. [overledene] en [zus] hebben de nalatenschap van moeder zuiver aanvaard. In geschil is of de rente over de vordering van [overledene] op haar moeder uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling toekomt aan [eiser] (als erfgenaam van [overledene] ) dan wel aan [zus] als verwachter onder de tweetrapsmaking. 4 De beoordeling In incident en in de hoofdzaak 4.1. In de kern draait het geschil om de vraag aan wie de opgebouwde rente over de vordering van [overledene] uit de nalatenschap van haar vader toekomt. Komt de rente toe aan [eiser] , als erfgenaam van [overledene] , of aan [zus] , als verwachter. Voor de beantwoording van deze vraag is ook de uitleg van het testament van vader van belang. Daarbij komt het aan op de bedoeling van vader, af te leiden uit de bewoordingen van het testament, gelezen in het licht van de omstandigheden van het geval. 4.2. Uit de tekst van het testament blijkt ondubbelzinnig dat de vader heeft beoogd te voorkomen dat zijn vermogen – direct of indirect – buiten zijn familie zou geraken. De fideï-commissaire making strekt ertoe hetgeen [overledene] uit zijn nalatenschap onverteerd nalaat, te doen toekomen aan de verwachter. Door de ouderlijke boedelverdeling heeft [overledene] geen goederen uit de nalatenschap van haar vader verkregen, maar slechts een niet-opeisbare geldvordering op haar moeder. Zij kon daarover gedurende het leven van haar moeder niet beschikken. Pas bij het overlijden van moeder werd deze vordering opeisbaar. 4.3. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de rente over de vordering van [overledene] niet tot de nalatenschap van vader behoort, maar tot de nalatenschap van moeder. Dit betekent dat de rente aan [eiser] toekomt en niet onder het fideï-commissaire vermogen valt. Dat de vordering in de periode tussen het overlijden van moeder en [overledene] niet is uitbetaald, doet hier niets aan af. 4.4. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een legal opinion van prof. mr. [A] in het geding gebracht. In deze opinie wordt gemotiveerd uiteengezet dat de rente over de vordering van [overledene] toekomt aan [zus] , als verwachter. Aangezien de vordering nooit is uitbetaald, blijft de niet uitgekeerde rente onderdeel uitmaken van het fideï-commissaire vermogen. 4.5. De door [eiser] verdedigde uitleg zou ertoe leiden dat een substantieel deel van het vermogen alsnog via zijn verkrijging als echtgenoot – en daarmee via de zogenoemde koude kant – aan hem zou toekomen. Een dergelijk resultaat staat op gespannen voet met de duidelijke strekking van het testament, waarin vader juist heeft beoogd zijn vermogen niet buiten zijn familie te laten komen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat vader een dergelijke uitkomst heeft willen aanvaarden. 4.6. De rechtbank acht de opinie van prof. mr. [A] zorgvuldig gemotiveerd.