Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-06
ECLI:NL:RBMNE:2026:2063
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,093 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2063 text/xml public 2026-05-18T10:00:21 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2016:7827 Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 11800682 \ MC EXPL 25-4085 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2063 text/html public 2026-05-15T09:34:53 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2063 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 11800682 \ MC EXPL 25-4085 VvE vordert een betalingsachterstand in voorschotbijdragen, maar onderbouwt haar vordering onvoldoende. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 11800682 \ MC EXPL 25-4085 Vonnis van 6 mei 2026 in de zaak van VERENING VAN EIGENAARS [locatie] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: VvE, gemachtigde: TeRecht deurwaarders, tegen 1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] , beiden wonende te [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , gemachtigde: mr. B.P.J.M. Vloeijberghs. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 10 juli 2025 met producties 1 tot en met 4, - de conclusie van antwoord met productie 1, - de conclusie van repliek met productie 5 en 6, - de conclusie van dupliek met producties 2 tot en met 5, - de akte van VvE. 1.2. Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt. 2 De kern van de zaak 2.1. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn eigenaar van een appartementsrecht in [plaats] en moeten maandelijks bijdragen in de schulden en kosten die gezamenlijk voor de appartementseigenaren komen. VvE stelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een betalingsachterstand hebben van in totaal € 2.441,92. Zij vordert dat bedrag met rente en kosten. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] klopt de berekening van dat bedrag niet. Zij stellen een deel al te hebben betaald en een deel niet verschuldigd te zijn waardoor VvE geen vordering overhoudt. De kantonrechter wijst een bedrag van € 204,57 toe. 3 De beoordeling 3.1. VvE vordert betaling van € 2.441,92 aan achterstallige bijdragen in de kosten en schulden van de gezamenlijke appartementseigenaren. Hierover berekent zij € 59,26 aan wettelijke rente tot aan de dagvaarding en € 443,21 aan buitengerechtelijke incassokosten. Zij vordert daarmee een totaalbedrag van € 2.944,39. 3.2. VvE heeft ter onderbouwing van haar vordering een overzicht (productie 5 bij conclusie van repliek) overgelegd waaruit alle te betalen maandbijdragen en betalingen door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] over de periode van 1 januari 2022 tot en met 10 november 2025 volgen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren terecht aan dat uit dit overzicht geen totale achterstand van € 2.441,92 volgt, maar een betalingsachterstand van € 2.241,70. 3.3. In het overzicht staat een eenmalige VvE bijdrage van € 1.744,82 opgenomen. VvE heeft dit bij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in rekening gebracht, omdat volgens haar op 3 december 2024 op de algemene ledenvergadering is beslist dat leden een extra bijdrage zouden doen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten dat. VvE heeft vervolgens een factuur van het bedrag overgelegd (productie 6 bij conclusie van repliek), maar de kantonrechter is het met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] eens dat hieruit niet het besluit volgt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een overzicht overgelegd uit het digitale portaal waar alle leden toegang toe hebben, waarop te zien is dat alleen op 27 februari 2024 een besluit is genomen op de algemene ledenvergadering dat niet het door VvE gestelde besluit betreft. Volgens VvE is het besluit daar ook niet te vinden, maar op een andere pagina, namelijk de pagina ‘vergaderingen’. VvE heeft dit echter niet onderbouwd, zodat niet komt vast te staan dat alle leden op 3 december 2024 hebben besloten tot een extra bijdrage. Het bedrag van € 1.744,82 strekt dan ook in mindering op de hoofdsom van € 2.241,70. 3.4. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen verder een bedrag van € 1.260,19 te hebben betaald, omdat zij hiertoe op 5 juli 2023 door de kantonrechter zijn veroordeeld. Uit het overzicht volgt echter dat VvE enkel een bedrag van € 497,03 in mindering op de betalingsachterstand heeft gebracht. VvE voert aan dat een deel van het bedrag van € 1.260,19 bestemd was voor de proceskosten en er maar een bedrag van € 497,03 resteerde om in mindering te brengen op de betalingsachterstand. Uit het vonnis volgt echter dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn veroordeeld tot betaling van € 602,50, vermeerderd met wettelijke rente en tot betaling van € 422,45 aan proceskosten. Het bedrag van € 1.260,19 minus de proceskosten van € 422,45 komt uit op een bedrag van € 837,74. Waarom dan maar een bedrag van € 497,03 in mindering is gebracht op de betalingsachterstand is niet duidelijk. De kantonrechter brengt daarom op de hoofdsom van € 2.241,70 nog een bedrag van € 340,71 (€ 837,74 - € 497,03) in mindering. 3.5. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren nog aan dat in het overzicht de achterstand op 31 december 2022 onjuist berekend is. Dit moet volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] € 523,53 zijn in plaats van € 623,32, maar dit is niet juist. Het beginsaldo op 1 januari 2022 is een achterstand van € 148,73. Hierna volgen volgens het overzicht 11 betalingen van € 99,79 in 2022. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten dit er 12 zijn. Het is juist dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] 12 betalingen van € 99,79 hebben gedaan, maar uit de bankafschriften van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (productie 2 conclusie van dupliek) volgt dat de betaling voor januari 2022 is gedaan op 31 december 2021. Deze is dus niet meegenomen in het overzicht. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben het beginsaldo op 1 januari 2022 niet betwist, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat dit bedrag juist is en VvE de betaling van 31 december 2021 al op de achterstand in mindering had gebracht waardoor die op 1 januari 2022 op € 148,73 uitkwam. 3.6. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] nog een betalingsachterstand hebben van € 156,17 (€ 2.241,70 - € 1.744,82 - € 340,71). Dit bedrag zal worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 25 juni 2025, omdat tegen deze vordering geen verweer is gevoerd. 3.7. VvE heeft verder een bedrag van € 59,26 gevorderd aan rente, berekend tot aan 25 juni 2025, maar uit r.o. 3.6. volgt dat maar een klein deel van de vordering wordt toegewezen. VvE heeft niet gespecificeerd hoe het rentebedrag is berekend, zodat de kantonrechter niet kan berekenen welke bedrag gerekend tot aan de dag van de dagvaarding, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] nog verschuldigd zijn aan rente. Het bedrag van € 59,26 zal dan ook worden afgewezen. 3.8. VvE vordert tot slot vergoeding van € 443,21 aan buitengerechtelijke incassokosten. VvE heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De buitengerechtelijke incassokosten worden berekend aan de hand van het toegewezen bedrag. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is dus hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn op basis van het tarief een bedrag van € 40,00 verschuldigd. Omdat VvE geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Een bedrag van € 48,40 zal dan ook worden toegewezen 3.9. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3.10. De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2063 text/xml public 2026-05-18T10:00:21 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2016:7827 Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 11800682 \ MC EXPL 25-4085 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2063 text/html public 2026-05-15T09:34:53 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2063 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 11800682 \ MC EXPL 25-4085 VvE vordert een betalingsachterstand in voorschotbijdragen, maar onderbouwt haar vordering onvoldoende. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 11800682 \ MC EXPL 25-4085 Vonnis van 6 mei 2026 in de zaak van VERENING VAN EIGENAARS [locatie] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: VvE, gemachtigde: TeRecht deurwaarders, tegen 1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] , beiden wonende te [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , gemachtigde: mr. B.P.J.M. Vloeijberghs. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 10 juli 2025 met producties 1 tot en met 4, - de conclusie van antwoord met productie 1, - de conclusie van repliek met productie 5 en 6, - de conclusie van dupliek met producties 2 tot en met 5, - de akte van VvE. 1.2. Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt. 2 De kern van de zaak 2.1. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn eigenaar van een appartementsrecht in [plaats] en moeten maandelijks bijdragen in de schulden en kosten die gezamenlijk voor de appartementseigenaren komen. VvE stelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een betalingsachterstand hebben van in totaal € 2.441,92. Zij vordert dat bedrag met rente en kosten. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] klopt de berekening van dat bedrag niet. Zij stellen een deel al te hebben betaald en een deel niet verschuldigd te zijn waardoor VvE geen vordering overhoudt. De kantonrechter wijst een bedrag van € 204,57 toe. 3 De beoordeling 3.1. VvE vordert betaling van € 2.441,92 aan achterstallige bijdragen in de kosten en schulden van de gezamenlijke appartementseigenaren. Hierover berekent zij € 59,26 aan wettelijke rente tot aan de dagvaarding en € 443,21 aan buitengerechtelijke incassokosten. Zij vordert daarmee een totaalbedrag van € 2.944,39. 3.2. VvE heeft ter onderbouwing van haar vordering een overzicht (productie 5 bij conclusie van repliek) overgelegd waaruit alle te betalen maandbijdragen en betalingen door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] over de periode van 1 januari 2022 tot en met 10 november 2025 volgen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren terecht aan dat uit dit overzicht geen totale achterstand van € 2.441,92 volgt, maar een betalingsachterstand van € 2.241,70. 3.3. In het overzicht staat een eenmalige VvE bijdrage van € 1.744,82 opgenomen. VvE heeft dit bij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in rekening gebracht, omdat volgens haar op 3 december 2024 op de algemene ledenvergadering is beslist dat leden een extra bijdrage zouden doen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten dat. VvE heeft vervolgens een factuur van het bedrag overgelegd (productie 6 bij conclusie van repliek), maar de kantonrechter is het met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] eens dat hieruit niet het besluit volgt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een overzicht overgelegd uit het digitale portaal waar alle leden toegang toe hebben, waarop te zien is dat alleen op 27 februari 2024 een besluit is genomen op de algemene ledenvergadering dat niet het door VvE gestelde besluit betreft. Volgens VvE is het besluit daar ook niet te vinden, maar op een andere pagina, namelijk de pagina ‘vergaderingen’. VvE heeft dit echter niet onderbouwd, zodat niet komt vast te staan dat alle leden op 3 december 2024 hebben besloten tot een extra bijdrage. Het bedrag van € 1.744,82 strekt dan ook in mindering op de hoofdsom van € 2.241,70. 3.4. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen verder een bedrag van € 1.260,19 te hebben betaald, omdat zij hiertoe op 5 juli 2023 door de kantonrechter zijn veroordeeld. Uit het overzicht volgt echter dat VvE enkel een bedrag van € 497,03 in mindering op de betalingsachterstand heeft gebracht. VvE voert aan dat een deel van het bedrag van € 1.260,19 bestemd was voor de proceskosten en er maar een bedrag van € 497,03 resteerde om in mindering te brengen op de betalingsachterstand. Uit het vonnis volgt echter dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn veroordeeld tot betaling van € 602,50, vermeerderd met wettelijke rente en tot betaling van € 422,45 aan proceskosten. Het bedrag van € 1.260,19 minus de proceskosten van € 422,45 komt uit op een bedrag van € 837,74. Waarom dan maar een bedrag van € 497,03 in mindering is gebracht op de betalingsachterstand is niet duidelijk. De kantonrechter brengt daarom op de hoofdsom van € 2.241,70 nog een bedrag van € 340,71 (€ 837,74 - € 497,03) in mindering. 3.5. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren nog aan dat in het overzicht de achterstand op 31 december 2022 onjuist berekend is. Dit moet volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] € 523,53 zijn in plaats van € 623,32, maar dit is niet juist. Het beginsaldo op 1 januari 2022 is een achterstand van € 148,73. Hierna volgen volgens het overzicht 11 betalingen van € 99,79 in 2022. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten dit er 12 zijn. Het is juist dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] 12 betalingen van € 99,79 hebben gedaan, maar uit de bankafschriften van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (productie 2 conclusie van dupliek) volgt dat de betaling voor januari 2022 is gedaan op 31 december 2021. Deze is dus niet meegenomen in het overzicht. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben het beginsaldo op 1 januari 2022 niet betwist, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat dit bedrag juist is en VvE de betaling van 31 december 2021 al op de achterstand in mindering had gebracht waardoor die op 1 januari 2022 op € 148,73 uitkwam. 3.6. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] nog een betalingsachterstand hebben van € 156,17 (€ 2.241,70 - € 1.744,82 - € 340,71). Dit bedrag zal worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 25 juni 2025, omdat tegen deze vordering geen verweer is gevoerd. 3.7. VvE heeft verder een bedrag van € 59,26 gevorderd aan rente, berekend tot aan 25 juni 2025, maar uit r.o. 3.6. volgt dat maar een klein deel van de vordering wordt toegewezen. VvE heeft niet gespecificeerd hoe het rentebedrag is berekend, zodat de kantonrechter niet kan berekenen welke bedrag gerekend tot aan de dag van de dagvaarding, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] nog verschuldigd zijn aan rente. Het bedrag van € 59,26 zal dan ook worden afgewezen. 3.8. VvE vordert tot slot vergoeding van € 443,21 aan buitengerechtelijke incassokosten. VvE heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De buitengerechtelijke incassokosten worden berekend aan de hand van het toegewezen bedrag. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is dus hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn op basis van het tarief een bedrag van € 40,00 verschuldigd. Omdat VvE geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Een bedrag van € 48,40 zal dan ook worden toegewezen 3.9. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3.10. De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.