Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-02-27
ECLI:NL:RBMNE:2026:1999
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,533 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1999 text/xml public 2026-05-15T09:05:09 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-27 UTR 25/4857 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Voorlopige voorziening NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1999 text/html public 2026-05-15T09:04:51 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1999 Rechtbank Midden-Nederland , 27-02-2026 / UTR 25/4857 Verzoek niet-ontvankelijk, griffierecht niet betaald RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4857 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. I. Car), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (gemachtigde: M. Journée). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring. 1.1. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 7 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 juli 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. 1.2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: mr. N. Talhaoui als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting. 1.4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3. De voorzieningenrechter stelt ter zitting vast dat het griffierecht niet op tijd is betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. In dit geval is het griffierecht niet betaald, terwijl verzoeker wel is gewezen op de verplichting hiertoe. 4. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026 door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1999 text/xml public 2026-05-15T09:05:09 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-27 UTR 25/4857 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Voorlopige voorziening NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1999 text/html public 2026-05-15T09:04:51 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1999 Rechtbank Midden-Nederland , 27-02-2026 / UTR 25/4857 Verzoek niet-ontvankelijk, griffierecht niet betaald RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4857 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. I. Car), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (gemachtigde: M. Journée). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring. 1.1. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 7 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 juli 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. 1.2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: mr. N. Talhaoui als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting. 1.4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3. De voorzieningenrechter stelt ter zitting vast dat het griffierecht niet op tijd is betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. In dit geval is het griffierecht niet betaald, terwijl verzoeker wel is gewezen op de verplichting hiertoe. 4. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026 door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.