Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-02-13
ECLI:NL:RBMNE:2026:1949
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,772 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1949 text/xml public 2026-05-18T10:38:25 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-13 UTR 25/1639 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1949 text/html public 2026-05-18T10:38:11 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1949 Rechtbank Midden-Nederland , 13-02-2026 / UTR 25/1639 Gegrond voor zover het beroep ziet op de aanslagen watersysteemheffing en zuiveringsheffing, ongegrond voor zover het ziet op de aanslagen afvalstoffenheffing. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/1639 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente] , de heffingsambtenaar. (gemachtigde: mr. M.A.E. van Dop) Inleiding 1. In de beschikking van 31 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar drie aanslagen afvalstoffenheffing, drie aanslagen watersysteemheffing en drie aanslagen zuiveringsheffing opgelegd. 2. Eiseres is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 29 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 3. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 4. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 5. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechter de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb indien hij van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is. 6. De gemachtigde van eiseres heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiseres stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden ten aanzien van de aanslag. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens een brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. In deze brief staat verder dat indien de rechtbank geen reactie ontvangt, de rechtbank ervan uitgaat dat de gemachtigde van eiseres geen behoefte heeft om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. De gemachtigde van eiseres heeft hierop niet gereageerd. 7. De rechtbank heeft een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiseres verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de gemachtigde van eiseres hier niet aan voldoet, eiseres het risico loopt dat de rechtbank het onderzoek sluit en het beroep afdoet zonder zitting. 8. De gemachtigde van eiseres heeft bij brief hierop gereageerd. De inhoud van deze brief is min of meer hetzelfde als de brieven die de gemachtigde van eiseres heeft gestuurd in alle andere zaken waarin de rechtbank om zaakspecifieke gronden heeft verzocht. Opnieuw staan er in de brief van de gemachtigde van eiseres alleen algemeenheden over waardevaststellingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze gronden niet als concrete op de zaak toegespitste gronden kunnen worden aangemerkt. De gemachtigde van eiseres heeft immers dezelfde standaardbrief in meerdere zaken tegelijk ingediend. Uit deze brief wordt verder niet duidelijk waarom deze stellingen enige relatie hebben tot de aanslag. 9. Dat de rechtbank niets kan met de algemene stukken van de gemachtigde van eiseres, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en pinpointbrieven in andere zaken. Daarin is regelmatig gezegd dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de uitspraak op bezwaar betrekking hebbende stellingen. Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde. 10. Zoals hiervoor overwogen heeft de gemachtigde zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking die (nagenoeg) gelijkluidend zijn aan de opmerkingen in een groot aantal andere zaken van de gemachtigde en niet eens zien op heffingen. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de aanslag juist is. 11. Na de uitspraak op bezwaar zijn de aanslagen alsnog ambtshalve verminderd bij beschikking van 4 maart 2025. Tegen deze nieuwe aanslag heeft de gemachtigde van eiser geen specifieke gronden aangevoerd. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift aangegeven dat de aanslagen zuiveringsheffing en watersysteemheffing ambtshalve zijn verminderd vanwege kamerverhuur en dat in zijn ogen het beroep in zoverre gegrond is. 12. Omdat het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt. De proceskosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. 1 punt voor het indienen van het bezwaar en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 0,25. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,25. Wegingsfactor 0,25 is toegepast omdat dit volgens de rechtbank in lijn ligt met het Richtsnoer van de hoven, waarin onder 1.2, sub c staat: “Bij kwesties die voor de rechtsbijstandsverlener slechts eenvoudige en beperkte werkzaamheden meebrengen.” In dit bezwaar heeft de gemachtigde tijdens de hoorzitting slechts gewezen op het gegeven dat de panden verhuurd zijn. De totale door de heffingsambtenaar te vergoeden proceskosten bedraagt € 566,50. Ook moet de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Het verzoek om immateriële schadevergoeding 13. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over haar belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt. 14. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. In deze zaak zit minder dan 2 jaar tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en deze uitspraak. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1949 text/xml public 2026-05-18T10:38:25 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-13 UTR 25/1639 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1949 text/html public 2026-05-18T10:38:11 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1949 Rechtbank Midden-Nederland , 13-02-2026 / UTR 25/1639 Gegrond voor zover het beroep ziet op de aanslagen watersysteemheffing en zuiveringsheffing, ongegrond voor zover het ziet op de aanslagen afvalstoffenheffing. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/1639 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente] , de heffingsambtenaar. (gemachtigde: mr. M.A.E. van Dop) Inleiding 1. In de beschikking van 31 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar drie aanslagen afvalstoffenheffing, drie aanslagen watersysteemheffing en drie aanslagen zuiveringsheffing opgelegd. 2. Eiseres is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 29 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 3. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 4. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 5. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechter de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb indien hij van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is. 6. De gemachtigde van eiseres heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiseres stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden ten aanzien van de aanslag. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens een brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. In deze brief staat verder dat indien de rechtbank geen reactie ontvangt, de rechtbank ervan uitgaat dat de gemachtigde van eiseres geen behoefte heeft om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. De gemachtigde van eiseres heeft hierop niet gereageerd. 7. De rechtbank heeft een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiseres verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de gemachtigde van eiseres hier niet aan voldoet, eiseres het risico loopt dat de rechtbank het onderzoek sluit en het beroep afdoet zonder zitting. 8. De gemachtigde van eiseres heeft bij brief hierop gereageerd. De inhoud van deze brief is min of meer hetzelfde als de brieven die de gemachtigde van eiseres heeft gestuurd in alle andere zaken waarin de rechtbank om zaakspecifieke gronden heeft verzocht. Opnieuw staan er in de brief van de gemachtigde van eiseres alleen algemeenheden over waardevaststellingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze gronden niet als concrete op de zaak toegespitste gronden kunnen worden aangemerkt. De gemachtigde van eiseres heeft immers dezelfde standaardbrief in meerdere zaken tegelijk ingediend. Uit deze brief wordt verder niet duidelijk waarom deze stellingen enige relatie hebben tot de aanslag. 9. Dat de rechtbank niets kan met de algemene stukken van de gemachtigde van eiseres, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en pinpointbrieven in andere zaken. Daarin is regelmatig gezegd dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de uitspraak op bezwaar betrekking hebbende stellingen. Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde. 10. Zoals hiervoor overwogen heeft de gemachtigde zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking die (nagenoeg) gelijkluidend zijn aan de opmerkingen in een groot aantal andere zaken van de gemachtigde en niet eens zien op heffingen. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de aanslag juist is. 11. Na de uitspraak op bezwaar zijn de aanslagen alsnog ambtshalve verminderd bij beschikking van 4 maart 2025. Tegen deze nieuwe aanslag heeft de gemachtigde van eiser geen specifieke gronden aangevoerd. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift aangegeven dat de aanslagen zuiveringsheffing en watersysteemheffing ambtshalve zijn verminderd vanwege kamerverhuur en dat in zijn ogen het beroep in zoverre gegrond is. 12. Omdat het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt. De proceskosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. 1 punt voor het indienen van het bezwaar en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 0,25. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,25. Wegingsfactor 0,25 is toegepast omdat dit volgens de rechtbank in lijn ligt met het Richtsnoer van de hoven, waarin onder 1.2, sub c staat: “Bij kwesties die voor de rechtsbijstandsverlener slechts eenvoudige en beperkte werkzaamheden meebrengen.” In dit bezwaar heeft de gemachtigde tijdens de hoorzitting slechts gewezen op het gegeven dat de panden verhuurd zijn. De totale door de heffingsambtenaar te vergoeden proceskosten bedraagt € 566,50. Ook moet de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Het verzoek om immateriële schadevergoeding 13. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over haar belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt. 14. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. In deze zaak zit minder dan 2 jaar tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en deze uitspraak. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.