Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-02-13
ECLI:NL:RBMNE:2026:1945
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,024 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1945 text/xml public 2026-05-18T13:09:18 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-13 UTR 25/1563 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1945 text/html public 2026-05-18T13:08:55 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1945 Rechtbank Midden-Nederland , 13-02-2026 / UTR 25/1563 De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. Nu eiseres geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. Het beroep is kennelijk ongegrond. De redelijke termijn is overschreden, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om daarvoor een schadevergoeding toe te wijzen. De heffingsambtenaar hoeft daarom het door eiseres betaalde griffierecht niet te vergoeden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres te veroordelen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/1563 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente] , de heffingsambtenaar. (gemachtigde: mr. M.A.E. van Dop) Inleiding 1. In de beschikking van 31 augustus 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 674.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser ook één of meer aanslagen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. 2. Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 30 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de onroerende zaak gehandhaafd. 3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend. 4. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 5. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechtbank de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb indien de rechtbank van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is. 6. De gemachtigde van eiser heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiser stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden over de waardevaststelling. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend. De rechtbank heeft vervolgens een brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. In deze brief staat verder dat indien de rechtbank geen reactie ontvangt, de rechtbank ervan uitgaat dat de gemachtigde van eiser geen behoefte heeft om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd met een zogenaamde ‘pinpointbrief’. In deze pinpointbrief staat wederom niets concreets over de waardevaststelling in deze zaak. 7. De rechtbank heeft een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiser verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de gemachtigde van eiser hier niet aan voldoet, eiser het risico loopt dat de rechtbank het onderzoek sluit en het beroep afdoet zonder zitting. 8. De gemachtigde van eiser heeft bij brief hierop gereageerd. De inhoud van deze brief is min of meer hetzelfde als de brieven die de gemachtigde van eiser heeft gestuurd in alle andere zaken waarin de rechtbank om zaakspecifieke gronden heeft verzocht. Opnieuw staan er in de brief van de gemachtigde van eiser alleen algemeenheden. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze gronden niet als concrete op de zaak toegespitste gronden kunnen worden aangemerkt. De gemachtigde van eiser heeft immers dezelfde standaardbrief in meerdere zaken tegelijk ingediend. Uit deze brief wordt verder niet duidelijk waarom deze stellingen enige relatie hebben met de waardevaststelling. 9. Dat de rechtbank niets kan met de algemene stellingen van de gemachtigde van eiser, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en pinpointbrieven in andere zaken. Daarin is regelmatig aangegeven dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde. 10. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het verweerschrift en de taxatiematrix aannemelijk heeft gemaakt dat bij de waardevaststelling niet uit is gegaan van een te hoge waarde. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentieobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met het onderhavige object. De heffingsambtenaar maakt daarnaast aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de waardebepalende verschillen. Bovendien valt de prijs per m2 van het object binnen de bandbreedte van die van de gehanteerde referentieobjecten. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. 11. Zoals hiervoor overwogen heeft de gemachtigde zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking die (nagenoeg) gelijkluidend zijn aan de opmerkingen in een groot aantal andere zaken van de gemachtigde. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de waardevaststelling te hoog is. Nu de gemachtigde van eiser geen concrete op de zaak toegespitste beroepsgronden heeft ingediend, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiser de vastgestelde waarde niet gemotiveerd heeft betwist en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om immateriële schadevergoeding 12. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over zijn belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mensen en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt. 13. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de handeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. 14. De rechtbank constateert dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift (1 september 2023) de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond) 5 maanden is overschreden. 15. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1945 text/xml public 2026-05-18T13:09:18 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-13 UTR 25/1563 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1945 text/html public 2026-05-18T13:08:55 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1945 Rechtbank Midden-Nederland , 13-02-2026 / UTR 25/1563 De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. Nu eiseres geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. Het beroep is kennelijk ongegrond. De redelijke termijn is overschreden, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om daarvoor een schadevergoeding toe te wijzen. De heffingsambtenaar hoeft daarom het door eiseres betaalde griffierecht niet te vergoeden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres te veroordelen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/1563 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente] , de heffingsambtenaar. (gemachtigde: mr. M.A.E. van Dop) Inleiding 1. In de beschikking van 31 augustus 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 674.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser ook één of meer aanslagen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. 2. Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 30 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de onroerende zaak gehandhaafd. 3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend. 4. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 5. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechtbank de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb indien de rechtbank van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is. 6. De gemachtigde van eiser heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiser stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden over de waardevaststelling. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend. De rechtbank heeft vervolgens een brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. In deze brief staat verder dat indien de rechtbank geen reactie ontvangt, de rechtbank ervan uitgaat dat de gemachtigde van eiser geen behoefte heeft om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd met een zogenaamde ‘pinpointbrief’. In deze pinpointbrief staat wederom niets concreets over de waardevaststelling in deze zaak. 7. De rechtbank heeft een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiser verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de gemachtigde van eiser hier niet aan voldoet, eiser het risico loopt dat de rechtbank het onderzoek sluit en het beroep afdoet zonder zitting. 8. De gemachtigde van eiser heeft bij brief hierop gereageerd. De inhoud van deze brief is min of meer hetzelfde als de brieven die de gemachtigde van eiser heeft gestuurd in alle andere zaken waarin de rechtbank om zaakspecifieke gronden heeft verzocht. Opnieuw staan er in de brief van de gemachtigde van eiser alleen algemeenheden. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze gronden niet als concrete op de zaak toegespitste gronden kunnen worden aangemerkt. De gemachtigde van eiser heeft immers dezelfde standaardbrief in meerdere zaken tegelijk ingediend. Uit deze brief wordt verder niet duidelijk waarom deze stellingen enige relatie hebben met de waardevaststelling. 9. Dat de rechtbank niets kan met de algemene stellingen van de gemachtigde van eiser, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en pinpointbrieven in andere zaken. Daarin is regelmatig aangegeven dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde. 10. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het verweerschrift en de taxatiematrix aannemelijk heeft gemaakt dat bij de waardevaststelling niet uit is gegaan van een te hoge waarde. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentieobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met het onderhavige object. De heffingsambtenaar maakt daarnaast aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de waardebepalende verschillen. Bovendien valt de prijs per m2 van het object binnen de bandbreedte van die van de gehanteerde referentieobjecten. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. 11. Zoals hiervoor overwogen heeft de gemachtigde zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking die (nagenoeg) gelijkluidend zijn aan de opmerkingen in een groot aantal andere zaken van de gemachtigde. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de waardevaststelling te hoog is. Nu de gemachtigde van eiser geen concrete op de zaak toegespitste beroepsgronden heeft ingediend, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiser de vastgestelde waarde niet gemotiveerd heeft betwist en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om immateriële schadevergoeding 12. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over zijn belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mensen en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt. 13. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de handeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. 14. De rechtbank constateert dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift (1 september 2023) de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond) 5 maanden is overschreden. 15. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding.