Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-02-13
ECLI:NL:RBMNE:2026:1937
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,975 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1937 text/xml public 2026-05-18T13:29:48 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-13 UTR 24/7152, UTR 24/7154 t/m UTR 24/7177 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1937 text/html public 2026-05-18T13:29:19 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1937 Rechtbank Midden-Nederland , 13-02-2026 / UTR 24/7152, UTR 24/7154 t/m UTR 24/7177 De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waardes van de onroerende zaken niet te hoog zijn vastgesteld. Nu eiseres geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waardes. Het beroep is kennelijk ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. De heffingsambtenaar hoeft daarom het door eiseres betaalde griffierecht niet te vergoeden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres te veroordelen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummers: UTR 24/7152, UTR 24/7154 t/m UTR 24/7177 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE), en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente] , de heffingsambtenaar. (gemachtigde: M.A.E. van Dop) Inleiding 1. In de beschikking van 29 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van diverse onroerende zaken voor het belastingjaar 2024 naar de waardepeildatum 1 januari 2023 als volgt vastgesteld: Zaaknummer Object Vastgestelde waarde UTR 24/7152 [adres 1] [plaats] € 304.000,- UTR 24/7154 [adres 2] [plaats] € 305.000,- UTR 24/7155 [adres 3] [plaats] € 304.000,- UTR 24/7156 [adres 4] [plaats] € 304.000,- UTR 24/7157 [adres 5] [plaats] € 304.000,- UTR 24/7158 [adres 6] [plaats] € 306.000,- UTR 24/7159 [adres 7] [plaats] € 440.000,- UTR 24/7160 [adres 8] [plaats] € 1.951.000,- UTR 24/7161 [adres 9] [plaats] € 244.000,- UTR 24/7162 [adres 10] [plaats] € 219.000,- UTR 24/7163 [adres 11] [plaats] € 225.000,- UTR 24/7164 [adres 12] [plaats] € 225.000,- UTR 24/7165 [adres 13] [plaats] € 214.000,- UTR 24/7166 [adres 14] [plaats] € 214.000,- UTR 24/7167 [adres 15] [plaats] € 249.000,- UTR 24/7168 [adres 16] [plaats] € 244.000,- UTR 24/7169 [adres 17] [plaats] € 271.000,- UTR 24/7170 [adres 18] [plaats] € 414.000,- UTR 24/7171 [adres 19] [plaats] € 310.000,- UTR 24/7172 [adres 20] [plaats] € 275.000,- UTR 24/7173 [adres 21] [plaats] € 214.000,- UTR 24/7174 [adres 22] [plaats] € 235.000,- UTR 24/7175 [adres 23] [plaats] € 230.000,- UTR 24/7176 [adres 24] [plaats] € 407.000,- UTR 24/7177 [adres 25] [plaats] (amusementenhal) € 436.000,- Bij deze beschikkingen heeft de heffingsambtenaar aan eiseres ook één of meer aanslagen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. 2. Eiseres is tegen de beschikkingen in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 30 september 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de onroerende zaken gehandhaafd. 3. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en taxatiematrices ingediend. 4. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 5. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechtbank de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb indien de rechtbank van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is. 6. De gemachtigde van eiseres heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiseres stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden over de waardevaststelling of de aanslag. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en taxatiematrices ingediend. De rechtbank heeft vervolgens een brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. In deze brief staat verder dat indien de rechtbank geen reactie ontvangt, de rechtbank ervan uitgaat dat de gemachtigde van eiseres geen behoefte heeft om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. De gemachtigde van eiseres heeft hierop gereageerd met een zogenaamde ‘pinpointbrief’. In deze pinpointbrief staat wederom niets concreets over de waardevaststelling in deze zaak. 7. De rechtbank heeft een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiseres verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de gemachtigde van eiseres hier niet aan voldoet, eiseres het risico loopt dat de rechtbank het onderzoek sluit en het beroep afdoet zonder zitting. 8. De gemachtigde van eiseres heeft bij brief hierop gereageerd. De inhoud van deze brief is min of meer hetzelfde als de brieven die de gemachtigde van eiser heeft gestuurd in alle andere zaken waarin de rechtbank om zaakspecifieke gronden heeft verzocht. Opnieuw staan er in de brief van de gemachtigde van eiser alleen algemeenheden. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze gronden niet als concrete op de zaak toegespitste gronden kunnen worden aangemerkt. De gemachtigde van eiseres heeft immers dezelfde standaardbrief in meerdere zaken tegelijk ingediend. Uit deze brief wordt verder niet duidelijk waarom deze stellingen enige relatie hebben met de waardevaststelling van de objecten waarover dit beroep gaat. 9. Dat de rechtbank niets kan met de algemene stellingen van de gemachtigde van eiseres, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en pinpointbrieven in andere zaken. Daarin is regelmatig aangegeven dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde. 10. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de verweerschriften en de taxatiematrices aannemelijk heeft gemaakt dat bij de waardevaststelling niet uit is gegaan van een te hoge waarde. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrices genoemde referentieobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de onderhavige objecten. De heffingsambtenaar maakt daarnaast aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de waardebepalende verschillen en bij de kleinere woningen met de zogenaamde wet van het afnemend grensnut. Bovendien valt de prijs per m2 van de woningen in de lijn van die van de gehanteerde referentieobjecten. Bij de niet-woningen vallen de gehanteerde huurwaarde per m2 en de kapitalisatiefactor van de objecten binnen de bandbreedte van die van de referentieobjecten. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waardes niet te hoog zijn vastgesteld. 11.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1937 text/xml public 2026-05-18T13:29:48 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-13 UTR 24/7152, UTR 24/7154 t/m UTR 24/7177 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1937 text/html public 2026-05-18T13:29:19 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1937 Rechtbank Midden-Nederland , 13-02-2026 / UTR 24/7152, UTR 24/7154 t/m UTR 24/7177 De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waardes van de onroerende zaken niet te hoog zijn vastgesteld. Nu eiseres geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waardes. Het beroep is kennelijk ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. De heffingsambtenaar hoeft daarom het door eiseres betaalde griffierecht niet te vergoeden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres te veroordelen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummers: UTR 24/7152, UTR 24/7154 t/m UTR 24/7177 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE), en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente] , de heffingsambtenaar. (gemachtigde: M.A.E. van Dop) Inleiding 1. In de beschikking van 29 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van diverse onroerende zaken voor het belastingjaar 2024 naar de waardepeildatum 1 januari 2023 als volgt vastgesteld: Zaaknummer Object Vastgestelde waarde UTR 24/7152 [adres 1] [plaats] € 304.000,- UTR 24/7154 [adres 2] [plaats] € 305.000,- UTR 24/7155 [adres 3] [plaats] € 304.000,- UTR 24/7156 [adres 4] [plaats] € 304.000,- UTR 24/7157 [adres 5] [plaats] € 304.000,- UTR 24/7158 [adres 6] [plaats] € 306.000,- UTR 24/7159 [adres 7] [plaats] € 440.000,- UTR 24/7160 [adres 8] [plaats] € 1.951.000,- UTR 24/7161 [adres 9] [plaats] € 244.000,- UTR 24/7162 [adres 10] [plaats] € 219.000,- UTR 24/7163 [adres 11] [plaats] € 225.000,- UTR 24/7164 [adres 12] [plaats] € 225.000,- UTR 24/7165 [adres 13] [plaats] € 214.000,- UTR 24/7166 [adres 14] [plaats] € 214.000,- UTR 24/7167 [adres 15] [plaats] € 249.000,- UTR 24/7168 [adres 16] [plaats] € 244.000,- UTR 24/7169 [adres 17] [plaats] € 271.000,- UTR 24/7170 [adres 18] [plaats] € 414.000,- UTR 24/7171 [adres 19] [plaats] € 310.000,- UTR 24/7172 [adres 20] [plaats] € 275.000,- UTR 24/7173 [adres 21] [plaats] € 214.000,- UTR 24/7174 [adres 22] [plaats] € 235.000,- UTR 24/7175 [adres 23] [plaats] € 230.000,- UTR 24/7176 [adres 24] [plaats] € 407.000,- UTR 24/7177 [adres 25] [plaats] (amusementenhal) € 436.000,- Bij deze beschikkingen heeft de heffingsambtenaar aan eiseres ook één of meer aanslagen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. 2. Eiseres is tegen de beschikkingen in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 30 september 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de onroerende zaken gehandhaafd. 3. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en taxatiematrices ingediend. 4. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 5. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechtbank de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb indien de rechtbank van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is. 6. De gemachtigde van eiseres heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiseres stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden over de waardevaststelling of de aanslag. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en taxatiematrices ingediend. De rechtbank heeft vervolgens een brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. In deze brief staat verder dat indien de rechtbank geen reactie ontvangt, de rechtbank ervan uitgaat dat de gemachtigde van eiseres geen behoefte heeft om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. De gemachtigde van eiseres heeft hierop gereageerd met een zogenaamde ‘pinpointbrief’. In deze pinpointbrief staat wederom niets concreets over de waardevaststelling in deze zaak. 7. De rechtbank heeft een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiseres verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de gemachtigde van eiseres hier niet aan voldoet, eiseres het risico loopt dat de rechtbank het onderzoek sluit en het beroep afdoet zonder zitting. 8. De gemachtigde van eiseres heeft bij brief hierop gereageerd. De inhoud van deze brief is min of meer hetzelfde als de brieven die de gemachtigde van eiser heeft gestuurd in alle andere zaken waarin de rechtbank om zaakspecifieke gronden heeft verzocht. Opnieuw staan er in de brief van de gemachtigde van eiser alleen algemeenheden. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze gronden niet als concrete op de zaak toegespitste gronden kunnen worden aangemerkt. De gemachtigde van eiseres heeft immers dezelfde standaardbrief in meerdere zaken tegelijk ingediend. Uit deze brief wordt verder niet duidelijk waarom deze stellingen enige relatie hebben met de waardevaststelling van de objecten waarover dit beroep gaat. 9. Dat de rechtbank niets kan met de algemene stellingen van de gemachtigde van eiseres, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en pinpointbrieven in andere zaken. Daarin is regelmatig aangegeven dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde. 10. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de verweerschriften en de taxatiematrices aannemelijk heeft gemaakt dat bij de waardevaststelling niet uit is gegaan van een te hoge waarde. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrices genoemde referentieobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de onderhavige objecten. De heffingsambtenaar maakt daarnaast aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de waardebepalende verschillen en bij de kleinere woningen met de zogenaamde wet van het afnemend grensnut. Bovendien valt de prijs per m2 van de woningen in de lijn van die van de gehanteerde referentieobjecten. Bij de niet-woningen vallen de gehanteerde huurwaarde per m2 en de kapitalisatiefactor van de objecten binnen de bandbreedte van die van de referentieobjecten. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waardes niet te hoog zijn vastgesteld. 11.