Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-30
ECLI:NL:RBMNE:2026:193
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Utrecht Zaaknummer: C/16/599385 / JE RK 25-1381 Datum uitspraak: 30 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken in de zaak van de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND , gevestigd te Utrecht, hierna te noemen de GI of SAVE, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. N.J. Hos, [vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. V.C.Th. van 't Westende Meeder. De kinderrechter merkt als informant aan: [mentor] , hierna te noemen de mentor van de vader, zaakdoende in [plaats] . 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 28 november 2025; - het evaluatierapport van de GI van 9 december 2026. 1.2. Op 2 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de vader met zijn advocaat; - de moeder met haar advocaat; mevrouw [A] en mevrouw [B] , namens de GI; de mentor van de vader. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] woont bij haar moeder. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft [minderjarige] bij beschikking van 8 december 2020 onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 28 november 2025 tot 8 december 2026. 2.4. De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 juni 2023 als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald dat [minderjarige] en de vader eenmaal per veertien dagen 2,5 uur omgang hebben met elkaar onder begeleiding. Daarnaast heeft de kinderrechter bepaald dat de moeder elke eerste maandag van de maand de vader per e-mail informeert over hoe het met [minderjarige] gaat. Daarna is, onder de regie van de GI, de omgang tussen [minderjarige] en de vader uitgebreid naar 3,5 uur per veertien dagen onder begeleiding. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de door de kinderrechter op 23 juni 2023 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt te wijzigen: de vader en [minderjarige] hebben wekelijks 2,5 uur omgang op maandag van 15:00 uur tot 17:30 uur, onder begeleiding van MetMaya; daarnaast zijn er twee extra omgangsmomenten per jaar van 6 uur; de moeder informeert de vader wekelijks op maandag per e-mail over [minderjarige] . Daarbij verzoekt de GI de volgende voorwaarden te bepalen: a. Buiten de schoolvakanties: i. de vader haalt [minderjarige] om 15:00 uur op van haar school Basisschool [naam] ( [adres] in [plaats] ); ii. de vader brengt [minderjarige] rood 17:15 uur naar het schoolplein/speeltuin van [naam] zodat [minderjarige] genoeg tijd heeft om te schakelen en rustig afscheid te nemen. Om 17:30 uur brengt de omgangbegeleider [minderjarige] voor het wijkcentrum [locatie] waar de moeder staat; iii. de vader fietst de andere kant van de [straat] op (de linkerkant) wanneer hij het schoolplein verlaat zodat de ouders elkaar niet tegen hoeven komen onderweg. Tijdens de schoolvakanties: i. de omgangbegeleider haalt [minderjarige] op van haar huis om 14:50 uur en brengt [minderjarige] naar haar vader die bij haar oude school staat (de van de [naam] ) om 15:00 uur; ii. de omgangsbegeleider brengt [minderjarige] om 17:20 uur terug naar huis, zodat ze om 17:30 uur weer terug bij de moeder is. De vader kijkt niet waar er heen gelopen wordt; iii. Er wordt in de ochtend van de dag van de begeleide omgang afgestemd met de vader wat het plan is voor die dag. De activiteit moet op loopafstand zijn voor de omgangsbegeleider. De omgangsbegeleider vervoert geen kinderen. De vader moet zelf voor vervoer zorgen voor hem en [minderjarige] . Indien het omgangsmoment w Vervolgens is er chaos ontstaan en is er geweld tussen de vader, de toenmalige partner van moeder en moeder geweest. Wat er precies is gebeurd is onduidelijk. Verder heeft de moeder op de zitting aangegeven dat de vader enige tijd geleden onaangekondigd op het schoolplein van [minderjarige] stond en de moeder daarom met hem werd geconfronteerd. Uit de door de GI gestelde voorwaarden over het gedrag van de vader bij het halen en brengen blijkt ook duidelijk dat er onwenselijk gedrag van de vader tegen de moeder op het schoolplein heeft plaatsgevonden. De kinderrechter ziet ook dat beide ouders aangeven dat zij allebei een positieve persoonlijke groei hebben doorgemaakt. De ontwikkeling bij de moeder is zodanig geweest dat [minderjarige] na een uithuisplaatsing bij haar is teruggekeerd. De moeder is nog steeds onder behandeling. De vader heeft aangegeven dat hij in behandeling is geweest en ondermeer geleerd heeft dat hij rustig met de moeder kan praten en heeft kunnen loslaten dat het uit is tussen de moeder en hem. Voor de kinderrechter is het onduidelijk wat dit betekent voor de veiligheid van [minderjarige] . 5.4. Op grond van artikel 3, lid 1 van het Internationale Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) dienen bij maatregelen met betrekking tot kinderen de belangen van het kind als uitgangspunt voor de daartoe te nemen beslissing. In deze zaak is mogelijk sprake van concurrerende belangen. In artikel 9 IVRK is opgenomen dat Staten die partijen zijn bij het IVRK, dienen te waarborgen dat een kind in principe niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil. Dat recht komt ook tot uitdrukking in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op grond van artikel 8 EVRM. Daar staat tegenover dat op grond van artikel 31 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: het Verdrag van Istanbul) bij het nemen van beslissingen over gezag en omgang en over de uitvoering daarvan de rechten en de veiligheid van het slachtoffer van huiselijk geweld gewaarborgd dient te zijn. Dit betekent dat er een positieve verplichting op de staat komt te rusten om het risico van terugkerend geweld in de context van huiselijk geweld te voorkomen. Deze verplichting omvat de verplichting om ‘onmiddellijk’ te reageren op klachten over huiselijk geweld en deze met bijzondere zorgvuldigheid te verwerken; een autonome, proactieve en omvattende risicobeoordeling uit te voeren van de behandeling die in strijd is met artikel 3 Verdrag van Istanbul, en zodra een risico voor een slachtoffer van huiselijk geweld is vastgesteld, zo snel mogelijk preventieve en beschermende operationele maatregelen te nemen die adequaat en evenredig zijn aan het risico” (Zie EHRM 4 juli 2019, Kurt t. Oostenrijk, Zaaknummer 62903/15). Hoewel partijen van mening verschillen over de ernst en de actualiteit van de zorgen, is de kinderrechter ervan overtuigd dat serieus onderzocht moet worden of en zo ja welke risico’s nog aanwezig zijn. Het Verdrag van Istanbul vereist vervolgens dat incidenten van huiselijk geweld in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de gezag- en omgangsrechten van kinderen, om ervoor te zorgen dat alle regelingen in het belang van het kind zijn en, in het bijzonder, dat de veiligheid van de ouder en van het kind wordt beschermd” (EHRM 10 november 2022, I.M. t. Italië, Zaaknummer 25426/20). In het kader van deze beoordeling dienen eventuele risico’s op geweld of andere vormen van mishandeling daarom een integraal onderdeel van dergelijke procedures vormen (EHRM 5 juli 2016, Bîzdîga t. Moldavië, Zaaknummer 23755/07). Met andere woorden; zonder de vraag naar de huidige veiligheidssituatie te beoordelen, kan op basis van de gegevens over enkel de interactie tussen de vader en [minderjarige] geen goede inschatting worden gemaakt of de contacten onbegeleid kunnen gaan plaatsvinden. Die onbegeleide contacten zijn het plan van de GI. 5.5. De ki