Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-16
ECLI:NL:RBMNE:2026:1916
Civiel recht
Beschikking
12,188 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1916 text/xml public 2026-04-29T11:25:46 2026-04-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-16 12063819 \ ME VERZ 26-8 BW 31650 Uitspraak Beschikking NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1916 text/html public 2026-04-29T11:25:21 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1916 Rechtbank Midden-Nederland , 16-04-2026 / 12063819 \ ME VERZ 26-8 BW 31650 Ontbindingsverzoek van arbeidsovereenkomst afgewezen. Geen voldragen grond d en e en geen i grond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer/rekestnummer: 12063819 \ ME VERZ 26-8 BW 31650 Beschikking van 16 april 2026 in de zaak van [verzoeker] , gevestigd in [vestigingsplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. R. van der Stege, tegen [verweerder] , wonend in [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. H. Sala. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 47 producties (genummerd van 1.0 t/m 2.16), ontvangen op 21 januari 2026, - het verweerschrift met 7 producties (van 6 maart 2026), - de aanvullende producties 8 en 9 (van 17 maart 2026). 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Namens [verzoeker] is mevrouw [A] (Adviseur M&O) verschenen, bijgestaan door mr. Van der Stege. [verweerder] is verschenen, bijgestaan door mr. Sala. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. Beide gemachtigden hebben hun standpunt nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd. 1.3 Tijdens de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk op 16 april 2026 uitspraak zal worden gedaan. 2 Kern van de zaak 2.1 [verweerder] (64 jaar), is sinds 3 augustus 2020 werkzaam als Maatschappelijk Werker bij [verzoeker] . In maart 2025 is [verweerder] door [verzoeker] aangesproken op zijn functioneren. Door [verweerder] is vervolgens een verbeterplan opgesteld en daar is uitvoering aan gegeven. Op 26 juni 2025 wordt door [verzoeker] geconcludeerd dat het verbetertraject niet kan worden afgesloten, ondanks haar eerdere conclusie dat [verweerder] aan het verbeterplan heeft voldaan, vanwege nieuwe ontwikkelingen. In juli 2025 krijgt [verzoeker] een melding van een cliënt van [verweerder] waaruit zou blijken dat hij niet integer heeft gehandeld. [verzoeker] schakelt daarom [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) in. Op 26 augustus 2025 heeft [verweerder] een gesprek met de onderzoekers van [bedrijf] . Naar aanleiding daarvan concludeert [bedrijf] dat [verweerder] niet integer heeft gehandeld. [verzoeker] vraagt in deze procedure om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden. De kantonrechter wijst dit verzoek af, omdat er geen voldragen grond is voor ontbinding. 3 De beoordeling 3.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In het geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verweerder] de transitievergoeding en/of een billijke vergoeding moet worden toegekend. Toetsingskader 3.2 Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor toewijzing van een ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. 3.3 De redelijke gronden worden weergegeven in artikel 7:669, lid 3, onderdelen c tot en met h BW. [verzoeker] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van: - verwijtbaar handelen dan wel nalaten van [verweerder] (e-grond), - ongeschiktheid van [verweerder] tot het verrichten van de bedongen arbeid (d-grond), - een combinatie van omstandigheden genoemd in deze gronden (i-grond). 3.4 Voordat de kantonrechter kan beoordelen of daarvan sprake is, zal hij eerst toetsen of hier een opzegverbod aan de ontbinding in de weg staat. Het opzegverbod tijdens ziekte staat hier niet aan ontbinding in de weg 3.5 De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerder] op dit moment ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. [verweerder] zegt dat het opzegverbod tijdens ziekte aan ontbinding in de weg staat, omdat hij al vanaf begin 2025 ziek is, terwijl het ontbindingsverzoek lang daarna is ingediend. De kantonrechter volgt [verweerder] hierin niet. Ten eerste, omdat [verweerder] zich pas in september 2025 heeft ziekgemeld bij [verzoeker] en op dat moment al kenbaar was gemaakt door [verzoeker] dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wilde beëindigen. Dat [verweerder] , blijkens de door hem overgelegde medische informatie, in maart 2025 zich met medische klachten heeft gemeld bij de huisarts, maakt dat niet anders. [verweerder] was toen gewoon aan het werk en heeft zich destijds niet ziekgemeld bij [verzoeker] . [verweerder] maakt ook niet duidelijk waarom de ontslaggronden niet van zijn arbeidsongeschiktheid zijn te abstraheren. Het verzoek is gebaseerd op verwijtbaar handelen en de ongeschiktheid van [verweerder] tot het verrichten van de bedongen arbeid, dan wel een combinatie van deze gronden. De verwijten die aan [verweerder] worden gemaakt zien voor een groot deel op gebeurtenissen uit 2024 en toen was in elk geval geen sprake van ziekte. Het uitvoeren van een formeel verbetertraject en het onderzoek door [bedrijf] waren ook al doorlopen vóór de eerste ziektedag van [verweerder] . Het verzoek staat dus los van de ongeschiktheid wegens ziekte van [verweerder] . [verweerder] heeft overigens ook niet gezegd dat zijn ziekte mogelijk een rol heeft gespeeld bij zijn vermeende disfunctioneren dan wel verwijtbare handelen en dat blijkt ook nergens uit. Het opzegverbod staat dus niet in de weg aan toewijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van [verweerder] . Er is geen voldragen e-grond 3.6 [verzoeker] heeft primair aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] , waardoor van haar niet langer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij deze ontslaggrond moet worden beoordeeld of er sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer dat in redelijkheid niet kan worden gevergd van de werkgever om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. 3.7 [verzoeker] legt in algemene zin aan dit verzoek ten grondslag dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld door (kwetsbare) cliënten onjuist voor te lichten dan wel niet waar te maken toezeggingen te doen en in strijd te handelen met zijn integriteitsverplichtingen. Daarnaast verwijt [verzoeker] [verweerder] dat hij zonder toestemming nevenwerkzaamheden heeft verricht en dat hij deze nevenwerkzaamheden ook onder werktijd heeft gedaan. [verzoeker] baseert zich ten aanzien van deze verwijten op het onderzoek dat zij door [bedrijf] , heeft laten doen. 3.8 De aanleiding voor [verzoeker] om [bedrijf] in te schakelen komt voort uit een melding die zij eind juli 2025 heeft ontvangen van een cliënte van [verweerder] , waaruit zou blijken van niet integer handelen van [verweerder] . [verweerder] vindt dat het rapport van [bedrijf] buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat [bedrijf] volgens hem geen onafhankelijke organisatie betreft. [bedrijf] heeft immers in opdracht van [verzoeker] gehandeld. [verweerder] voert ook aan dat hij zich onder druk gezet voelde tijdens het onderzoek, daarin werd geconfronteerd met onjuiste informatie en door [bedrijf] geen juiste toepassing aan hoor en wederhoor is gegeven. Volgens [verweerder] is hij ook op het verkeerde been gezet door de mededeling vanuit [bedrijf] dat een informeel gesprek zou plaatsvinden, terwijl naar aanleiding van het gevoerde gesprek [verweerder] werd beschuldigd van niet integer handelen. Evenmin is hij in de gelegenheid gesteld een advocaat of vertrouwenspersoon mee te nemen naar dit gesprek.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1916 text/xml public 2026-04-29T11:25:46 2026-04-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-16 12063819 \ ME VERZ 26-8 BW 31650 Uitspraak Beschikking NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1916 text/html public 2026-04-29T11:25:21 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1916 Rechtbank Midden-Nederland , 16-04-2026 / 12063819 \ ME VERZ 26-8 BW 31650 Ontbindingsverzoek van arbeidsovereenkomst afgewezen. Geen voldragen grond d en e en geen i grond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer/rekestnummer: 12063819 \ ME VERZ 26-8 BW 31650 Beschikking van 16 april 2026 in de zaak van [verzoeker] , gevestigd in [vestigingsplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. R. van der Stege, tegen [verweerder] , wonend in [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. H. Sala. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 47 producties (genummerd van 1.0 t/m 2.16), ontvangen op 21 januari 2026, - het verweerschrift met 7 producties (van 6 maart 2026), - de aanvullende producties 8 en 9 (van 17 maart 2026). 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Namens [verzoeker] is mevrouw [A] (Adviseur M&O) verschenen, bijgestaan door mr. Van der Stege. [verweerder] is verschenen, bijgestaan door mr. Sala. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. Beide gemachtigden hebben hun standpunt nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd. 1.3 Tijdens de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk op 16 april 2026 uitspraak zal worden gedaan. 2 Kern van de zaak 2.1 [verweerder] (64 jaar), is sinds 3 augustus 2020 werkzaam als Maatschappelijk Werker bij [verzoeker] . In maart 2025 is [verweerder] door [verzoeker] aangesproken op zijn functioneren. Door [verweerder] is vervolgens een verbeterplan opgesteld en daar is uitvoering aan gegeven. Op 26 juni 2025 wordt door [verzoeker] geconcludeerd dat het verbetertraject niet kan worden afgesloten, ondanks haar eerdere conclusie dat [verweerder] aan het verbeterplan heeft voldaan, vanwege nieuwe ontwikkelingen. In juli 2025 krijgt [verzoeker] een melding van een cliënt van [verweerder] waaruit zou blijken dat hij niet integer heeft gehandeld. [verzoeker] schakelt daarom [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) in. Op 26 augustus 2025 heeft [verweerder] een gesprek met de onderzoekers van [bedrijf] . Naar aanleiding daarvan concludeert [bedrijf] dat [verweerder] niet integer heeft gehandeld. [verzoeker] vraagt in deze procedure om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden. De kantonrechter wijst dit verzoek af, omdat er geen voldragen grond is voor ontbinding. 3 De beoordeling 3.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In het geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verweerder] de transitievergoeding en/of een billijke vergoeding moet worden toegekend. Toetsingskader 3.2 Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor toewijzing van een ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. 3.3 De redelijke gronden worden weergegeven in artikel 7:669, lid 3, onderdelen c tot en met h BW. [verzoeker] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van: - verwijtbaar handelen dan wel nalaten van [verweerder] (e-grond), - ongeschiktheid van [verweerder] tot het verrichten van de bedongen arbeid (d-grond), - een combinatie van omstandigheden genoemd in deze gronden (i-grond). 3.4 Voordat de kantonrechter kan beoordelen of daarvan sprake is, zal hij eerst toetsen of hier een opzegverbod aan de ontbinding in de weg staat. Het opzegverbod tijdens ziekte staat hier niet aan ontbinding in de weg 3.5 De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerder] op dit moment ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. [verweerder] zegt dat het opzegverbod tijdens ziekte aan ontbinding in de weg staat, omdat hij al vanaf begin 2025 ziek is, terwijl het ontbindingsverzoek lang daarna is ingediend. De kantonrechter volgt [verweerder] hierin niet. Ten eerste, omdat [verweerder] zich pas in september 2025 heeft ziekgemeld bij [verzoeker] en op dat moment al kenbaar was gemaakt door [verzoeker] dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wilde beëindigen. Dat [verweerder] , blijkens de door hem overgelegde medische informatie, in maart 2025 zich met medische klachten heeft gemeld bij de huisarts, maakt dat niet anders. [verweerder] was toen gewoon aan het werk en heeft zich destijds niet ziekgemeld bij [verzoeker] . [verweerder] maakt ook niet duidelijk waarom de ontslaggronden niet van zijn arbeidsongeschiktheid zijn te abstraheren. Het verzoek is gebaseerd op verwijtbaar handelen en de ongeschiktheid van [verweerder] tot het verrichten van de bedongen arbeid, dan wel een combinatie van deze gronden. De verwijten die aan [verweerder] worden gemaakt zien voor een groot deel op gebeurtenissen uit 2024 en toen was in elk geval geen sprake van ziekte. Het uitvoeren van een formeel verbetertraject en het onderzoek door [bedrijf] waren ook al doorlopen vóór de eerste ziektedag van [verweerder] . Het verzoek staat dus los van de ongeschiktheid wegens ziekte van [verweerder] . [verweerder] heeft overigens ook niet gezegd dat zijn ziekte mogelijk een rol heeft gespeeld bij zijn vermeende disfunctioneren dan wel verwijtbare handelen en dat blijkt ook nergens uit. Het opzegverbod staat dus niet in de weg aan toewijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van [verweerder] . Er is geen voldragen e-grond 3.6 [verzoeker] heeft primair aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] , waardoor van haar niet langer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij deze ontslaggrond moet worden beoordeeld of er sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer dat in redelijkheid niet kan worden gevergd van de werkgever om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. 3.7 [verzoeker] legt in algemene zin aan dit verzoek ten grondslag dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld door (kwetsbare) cliënten onjuist voor te lichten dan wel niet waar te maken toezeggingen te doen en in strijd te handelen met zijn integriteitsverplichtingen. Daarnaast verwijt [verzoeker] [verweerder] dat hij zonder toestemming nevenwerkzaamheden heeft verricht en dat hij deze nevenwerkzaamheden ook onder werktijd heeft gedaan. [verzoeker] baseert zich ten aanzien van deze verwijten op het onderzoek dat zij door [bedrijf] , heeft laten doen. 3.8 De aanleiding voor [verzoeker] om [bedrijf] in te schakelen komt voort uit een melding die zij eind juli 2025 heeft ontvangen van een cliënte van [verweerder] , waaruit zou blijken van niet integer handelen van [verweerder] . [verweerder] vindt dat het rapport van [bedrijf] buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat [bedrijf] volgens hem geen onafhankelijke organisatie betreft. [bedrijf] heeft immers in opdracht van [verzoeker] gehandeld. [verweerder] voert ook aan dat hij zich onder druk gezet voelde tijdens het onderzoek, daarin werd geconfronteerd met onjuiste informatie en door [bedrijf] geen juiste toepassing aan hoor en wederhoor is gegeven. Volgens [verweerder] is hij ook op het verkeerde been gezet door de mededeling vanuit [bedrijf] dat een informeel gesprek zou plaatsvinden, terwijl naar aanleiding van het gevoerde gesprek [verweerder] werd beschuldigd van niet integer handelen. Evenmin is hij in de gelegenheid gesteld een advocaat of vertrouwenspersoon mee te nemen naar dit gesprek.
Volledig
3.9 De kantonrechter is het met [verweerder] eens dat de inschakeling van [bedrijf] en de wijze waarop dit onderzoek is verlopen vraagtekens oproept. Allereerst lijkt de inschakeling van [bedrijf] hier onnodig en heeft [verzoeker] er om onbegrijpelijke redenen voor gekozen niet eerst het gesprek met [verweerder] zelf aan te gaan. Hoewel [verzoeker] zegt gekozen te hebben voor extern onderzoek vanuit zorgvuldigheidsoverwegingen, is het niet eerst zelf aangaan van het gesprek met [verweerder] hier onnavolgbaar voor de kantonrechter. Evenmin is gebleken dat aan [verweerder] duidelijk vooraf is verteld wat de aanleiding is voor het gesprek met [bedrijf] en blijkt ook niet dat hij in de gelegenheid is gesteld eventueel iemand mee te nemen naar dit gesprek. Hoewel dit er niet toe leidt dat de conclusies van [bedrijf] buiten beschouwing moeten worden gelaten, zal de kantonrechter wel de nodige voorzichtigheid betrachten met het overnemen van die conclusies. 3.10 De belangrijkste conclusie die volgens [verzoeker] volgt uit het onderzoek van [bedrijf] , is de volgende: “ 2. 1 Vaststellen of de heer [verweerder] integer heeft gehandeld Uit het onderzoek werden enkele bevindingen bekend die erop duiden dat de heer [verweerder] mogelijk niet integer heeft gehandeld. Onderstaand worden deze bevindingen nader toegelicht. Van mevrouw [B] werd vernomen dat zij van de heer [verweerder] de toezegging had gekregen dat haar aanvraag voor een vergoeding van een nieuw bankstel was goedgekeurd. De heer [verweerder] bevestigde in een gesprek met onze medewerkers dat hij tegen mevrouw [B] had gezegd dat de aanvraag was goedgekeurd. Na de aanschaf van het bankstel door mevrouw [B] (orderdatum: woensdag 2 oktober 2024) stuurde de heer [verweerder] op maandag 21 oktober 2024 een e-mailbericht aan mevrouw [B] , waarin hij schreef dat contact was gelegd met een netwerkpartner en de aanvraag meer tijd in beslag zou nemen. Hierna was er verwarring ontstaan bij mevrouw [B] en zou zij, vanwege de aankoop van het bankstel, in financiële problemen zijn gekomen. Uit de e-mail/correspondentie tussen de heer [verweerder] en mevrouw [B] werd bekend dat de afhandeling van de aanvraag van mevrouw [B] circa zeven maanden heeft geduurd. Vanaf maandag 15 juli 2024 heeft ook mevrouw [C] , maatschappelijk werkster [verzoeker] , zich met de aanvraag van mevrouw [B] beziggehouden omdat de afhandeling te lang duurde. De heer [verweerder] heeft op enig moment, samen met mevrouw [C] , mevrouw [B] geïnformeerd dat de aanvraag niet werd gehonoreerd. De heer [verweerder] heeft vervolgens, naar zijn zeggen, aan een vertegenwoordiger van de moskee om een gift gevraagd voor mevrouw [B] . De heer [verweerder] heeft desgevraagd € 170, ontvangen vanuit de moskee en heeft dit geldbedrag overhandigd aan mevrouw [B] . Bij navraag bij mevrouw [C] bleek zij hiervan niet op de hoogte. In het gesprek met onze medewerkers deelde de heer [verweerder] mee dat hij tegen de regels van [verzoeker] in handelingen heeft verricht met contant geld. Voorts heeft de heer [verweerder] zijn collega's van [verzoeker] niet geïnformeerd over deze contante gift aan mevrouw [B] en heeft hij hiervan niets geregistreerd in RegiMaDi, het software documentatiesysteem van [verzoeker] . Voorts werd uit een intern onderzoek van [verzoeker] bekend dat de heer [verweerder] In RegiMaDI, in alle dossiers van mevrouw [B] niets had gedocumenteerd. In het gesprek met onze medewerkers deelde de heer [verweerder] mee dat hij vaker niets documenteerde in RegiMaDi en dat hij daarvoor aan een verbetertraject deelnam. Voorts werd gedurende het onderzoek bekend dat de heer [verweerder] nevenwerkzaamheden heeft verricht zonder dat hij deze had gemeld bij [verzoeker] .” 3.11 [verzoeker] baseert zich op de hiervoor weergegeven conclusie van [bedrijf] en zegt dat [verweerder] de toezegging heeft gedaan aan cliënte [B] dat zij een vergoeding zou ontvangen voor een nieuw bankstel (van circa € 2.400,00), dat [verweerder] die toezegging niet heeft waargemaakt en dat zijn cliënte daardoor in de financiële problemen is gekomen. [verweerder] betwist uitdrukkelijk dat hij die toezegging heeft gedaan en ook dat hij dit zou hebben verklaard tijdens het gesprek met [bedrijf] . De kantonrechter stelt vast dat uit pagina 7 van het gespreksverslag dat door [bedrijf] is opgesteld blijkt dat [verweerder] heeft gezegd dat hij een dergelijke toezegging (dat een nieuw bankstel zou worden vergoed) niet heeft gedaan. Wel heeft [verweerder] tegen [B] gezegd dat het zou lukken om een bankstel voor haar te regelen, maar dat zou een tweedehands bankstel betreffen en niet de financiering van een nieuw bankstel. Dat [verweerder] aan [B] een vergaande toezegging heeft gedaan die niet is nagekomen, kan de kantonrechter dan ook niet met zekerheid vaststellen. De conclusie uit het rapport dat [verweerder] die toezegging heeft gedaan kan dan ook niet worden overgenomen, gelet op de verklaring van [verweerder] op pagina 7 van het gespreksverslag. 3.12 Vervolgens verwijt [verzoeker] dat [verweerder] een contante betaling aan [B] heeft gedaan zonder dit intern te bespreken en zonder die gift te registreren en verwijst daarvoor eveneens naar het rapport van [bedrijf] . De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] wel heeft erkend dat hij een gift van de moskee aan [B] heeft gegeven en dat hij dit niet heeft geregistreerd of besproken. Hoewel [verzoeker] zegt dat dit in strijd is met de Beroepscode, blijkt dit niet uit enige bepaling uit die code. Los daarvan mag duidelijk zijn dat dit handelen niet integer is en [verweerder] heeft zelf ook erkend dat hij dit niet had moeten doen en dit ook zeker niet meer zal doen. Ten aanzien van het niet registreren, merkt [verweerder] terecht op dat dit één van de punten betrof waarop het verbetertraject was gericht en deze kwestie zich in 2024 (en dus voor aanvang van het verbetertraject) heeft voorgedaan. Daar kan hem dus wel een verwijt van worden gemaakt, maar niet ter onderbouwing van de ontbindingsgrond, omdat daarvoor nu juist een verbetertraject was gestart. Dat betekent dat aan [verweerder] in het kader van deze procedure slechts een verwijt te maken is, waar het gaat om het doen van een (contante) gift aan een cliënte, zonder dit intern te hebben besproken. 3.13 [verzoeker] heeft verder nog aangevoerd dat [verweerder] ook in 2024 al een toezegging aan cliënten zou hebben gedaan die hij niet heeft kunnen waarmaken en dat hij daarmee ook in strijd heeft gehandeld met zijn integriteitsverplichtingen. Daarbij ging het om een uithuisplaatsing van een gezin dat [verweerder] begeleidde. Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] dit gezin steeds voorgehouden dat het allemaal wel goed zou komen en heeft hij die toezegging niet kunnen waarmaken. [verweerder] heeft dat betwist. Daarnaast zou [verweerder] ook inhoudelijke fouten hebben gemaakt in die casus, waardoor er onvoldoende voorbereidingen konden worden getroffen met het oog op de onvermijdelijke uithuiszetting. [verweerder] heeft dat ook betwist en [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hierover destijds wel een gesprek met [verweerder] is gevoerd, maar heeft niet kunnen uitleggen wat voor vervolg hier verder aan is gegeven. De kantonrechter kan dan ook niet vaststellen of in deze betreffende casus door [verweerder] daadwerkelijk verwijtbaar is gehandeld. 3.14 Dan resteren de nevenwerkzaamheden, waarvan [verzoeker] allereerst aan [verweerder] het verwijt maakt daarvoor ten onrechte geen toestemming te hebben gevraagd (onder verwijzing naar het rapport van [bedrijf] ). De kantonrechter volgt [verzoeker] daar niet in. Ten eerste blijkt uit de eerste arbeidsovereenkomst van 9 februari 2021 dat bij [verzoeker] bekend was dat [verweerder] nevenwerkzaamheden verricht voor zijn eigen onderneming “ [onderneming] ”. Ten tweede geldt dat er geen nevenwerkzaamhedenbeding is overeengekomen. Tot slot is van belang dat [verweerder] 28 uur per week werkzaam is voor [verzoeker] en niet valt in te zien waarom het [verweerder] in beginsel niet vrij zou staan daarnaast ook nevenwerkzaamheden te verrichten.
Volledig
3.9 De kantonrechter is het met [verweerder] eens dat de inschakeling van [bedrijf] en de wijze waarop dit onderzoek is verlopen vraagtekens oproept. Allereerst lijkt de inschakeling van [bedrijf] hier onnodig en heeft [verzoeker] er om onbegrijpelijke redenen voor gekozen niet eerst het gesprek met [verweerder] zelf aan te gaan. Hoewel [verzoeker] zegt gekozen te hebben voor extern onderzoek vanuit zorgvuldigheidsoverwegingen, is het niet eerst zelf aangaan van het gesprek met [verweerder] hier onnavolgbaar voor de kantonrechter. Evenmin is gebleken dat aan [verweerder] duidelijk vooraf is verteld wat de aanleiding is voor het gesprek met [bedrijf] en blijkt ook niet dat hij in de gelegenheid is gesteld eventueel iemand mee te nemen naar dit gesprek. Hoewel dit er niet toe leidt dat de conclusies van [bedrijf] buiten beschouwing moeten worden gelaten, zal de kantonrechter wel de nodige voorzichtigheid betrachten met het overnemen van die conclusies. 3.10 De belangrijkste conclusie die volgens [verzoeker] volgt uit het onderzoek van [bedrijf] , is de volgende: “ 2. 1 Vaststellen of de heer [verweerder] integer heeft gehandeld Uit het onderzoek werden enkele bevindingen bekend die erop duiden dat de heer [verweerder] mogelijk niet integer heeft gehandeld. Onderstaand worden deze bevindingen nader toegelicht. Van mevrouw [B] werd vernomen dat zij van de heer [verweerder] de toezegging had gekregen dat haar aanvraag voor een vergoeding van een nieuw bankstel was goedgekeurd. De heer [verweerder] bevestigde in een gesprek met onze medewerkers dat hij tegen mevrouw [B] had gezegd dat de aanvraag was goedgekeurd. Na de aanschaf van het bankstel door mevrouw [B] (orderdatum: woensdag 2 oktober 2024) stuurde de heer [verweerder] op maandag 21 oktober 2024 een e-mailbericht aan mevrouw [B] , waarin hij schreef dat contact was gelegd met een netwerkpartner en de aanvraag meer tijd in beslag zou nemen. Hierna was er verwarring ontstaan bij mevrouw [B] en zou zij, vanwege de aankoop van het bankstel, in financiële problemen zijn gekomen. Uit de e-mail/correspondentie tussen de heer [verweerder] en mevrouw [B] werd bekend dat de afhandeling van de aanvraag van mevrouw [B] circa zeven maanden heeft geduurd. Vanaf maandag 15 juli 2024 heeft ook mevrouw [C] , maatschappelijk werkster [verzoeker] , zich met de aanvraag van mevrouw [B] beziggehouden omdat de afhandeling te lang duurde. De heer [verweerder] heeft op enig moment, samen met mevrouw [C] , mevrouw [B] geïnformeerd dat de aanvraag niet werd gehonoreerd. De heer [verweerder] heeft vervolgens, naar zijn zeggen, aan een vertegenwoordiger van de moskee om een gift gevraagd voor mevrouw [B] . De heer [verweerder] heeft desgevraagd € 170, ontvangen vanuit de moskee en heeft dit geldbedrag overhandigd aan mevrouw [B] . Bij navraag bij mevrouw [C] bleek zij hiervan niet op de hoogte. In het gesprek met onze medewerkers deelde de heer [verweerder] mee dat hij tegen de regels van [verzoeker] in handelingen heeft verricht met contant geld. Voorts heeft de heer [verweerder] zijn collega's van [verzoeker] niet geïnformeerd over deze contante gift aan mevrouw [B] en heeft hij hiervan niets geregistreerd in RegiMaDi, het software documentatiesysteem van [verzoeker] . Voorts werd uit een intern onderzoek van [verzoeker] bekend dat de heer [verweerder] In RegiMaDI, in alle dossiers van mevrouw [B] niets had gedocumenteerd. In het gesprek met onze medewerkers deelde de heer [verweerder] mee dat hij vaker niets documenteerde in RegiMaDi en dat hij daarvoor aan een verbetertraject deelnam. Voorts werd gedurende het onderzoek bekend dat de heer [verweerder] nevenwerkzaamheden heeft verricht zonder dat hij deze had gemeld bij [verzoeker] .” 3.11 [verzoeker] baseert zich op de hiervoor weergegeven conclusie van [bedrijf] en zegt dat [verweerder] de toezegging heeft gedaan aan cliënte [B] dat zij een vergoeding zou ontvangen voor een nieuw bankstel (van circa € 2.400,00), dat [verweerder] die toezegging niet heeft waargemaakt en dat zijn cliënte daardoor in de financiële problemen is gekomen. [verweerder] betwist uitdrukkelijk dat hij die toezegging heeft gedaan en ook dat hij dit zou hebben verklaard tijdens het gesprek met [bedrijf] . De kantonrechter stelt vast dat uit pagina 7 van het gespreksverslag dat door [bedrijf] is opgesteld blijkt dat [verweerder] heeft gezegd dat hij een dergelijke toezegging (dat een nieuw bankstel zou worden vergoed) niet heeft gedaan. Wel heeft [verweerder] tegen [B] gezegd dat het zou lukken om een bankstel voor haar te regelen, maar dat zou een tweedehands bankstel betreffen en niet de financiering van een nieuw bankstel. Dat [verweerder] aan [B] een vergaande toezegging heeft gedaan die niet is nagekomen, kan de kantonrechter dan ook niet met zekerheid vaststellen. De conclusie uit het rapport dat [verweerder] die toezegging heeft gedaan kan dan ook niet worden overgenomen, gelet op de verklaring van [verweerder] op pagina 7 van het gespreksverslag. 3.12 Vervolgens verwijt [verzoeker] dat [verweerder] een contante betaling aan [B] heeft gedaan zonder dit intern te bespreken en zonder die gift te registreren en verwijst daarvoor eveneens naar het rapport van [bedrijf] . De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] wel heeft erkend dat hij een gift van de moskee aan [B] heeft gegeven en dat hij dit niet heeft geregistreerd of besproken. Hoewel [verzoeker] zegt dat dit in strijd is met de Beroepscode, blijkt dit niet uit enige bepaling uit die code. Los daarvan mag duidelijk zijn dat dit handelen niet integer is en [verweerder] heeft zelf ook erkend dat hij dit niet had moeten doen en dit ook zeker niet meer zal doen. Ten aanzien van het niet registreren, merkt [verweerder] terecht op dat dit één van de punten betrof waarop het verbetertraject was gericht en deze kwestie zich in 2024 (en dus voor aanvang van het verbetertraject) heeft voorgedaan. Daar kan hem dus wel een verwijt van worden gemaakt, maar niet ter onderbouwing van de ontbindingsgrond, omdat daarvoor nu juist een verbetertraject was gestart. Dat betekent dat aan [verweerder] in het kader van deze procedure slechts een verwijt te maken is, waar het gaat om het doen van een (contante) gift aan een cliënte, zonder dit intern te hebben besproken. 3.13 [verzoeker] heeft verder nog aangevoerd dat [verweerder] ook in 2024 al een toezegging aan cliënten zou hebben gedaan die hij niet heeft kunnen waarmaken en dat hij daarmee ook in strijd heeft gehandeld met zijn integriteitsverplichtingen. Daarbij ging het om een uithuisplaatsing van een gezin dat [verweerder] begeleidde. Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] dit gezin steeds voorgehouden dat het allemaal wel goed zou komen en heeft hij die toezegging niet kunnen waarmaken. [verweerder] heeft dat betwist. Daarnaast zou [verweerder] ook inhoudelijke fouten hebben gemaakt in die casus, waardoor er onvoldoende voorbereidingen konden worden getroffen met het oog op de onvermijdelijke uithuiszetting. [verweerder] heeft dat ook betwist en [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hierover destijds wel een gesprek met [verweerder] is gevoerd, maar heeft niet kunnen uitleggen wat voor vervolg hier verder aan is gegeven. De kantonrechter kan dan ook niet vaststellen of in deze betreffende casus door [verweerder] daadwerkelijk verwijtbaar is gehandeld. 3.14 Dan resteren de nevenwerkzaamheden, waarvan [verzoeker] allereerst aan [verweerder] het verwijt maakt daarvoor ten onrechte geen toestemming te hebben gevraagd (onder verwijzing naar het rapport van [bedrijf] ). De kantonrechter volgt [verzoeker] daar niet in. Ten eerste blijkt uit de eerste arbeidsovereenkomst van 9 februari 2021 dat bij [verzoeker] bekend was dat [verweerder] nevenwerkzaamheden verricht voor zijn eigen onderneming “ [onderneming] ”. Ten tweede geldt dat er geen nevenwerkzaamhedenbeding is overeengekomen. Tot slot is van belang dat [verweerder] 28 uur per week werkzaam is voor [verzoeker] en niet valt in te zien waarom het [verweerder] in beginsel niet vrij zou staan daarnaast ook nevenwerkzaamheden te verrichten.
Volledig
Dat de nevenwerkzaamheden in strijd zouden komen met de werkzaamheden van [verweerder] of de belangen van [verzoeker] blijkt nergens uit. [verzoeker] heeft verder nog aangevoerd dat uit het rapport van [bedrijf] zou blijken dat [verzoeker] ook nevenwerkzaamheden heeft verricht tijdens zijn werktijd voor [verzoeker] en hem daarvan een verwijt is te maken, maar dat dit zo is kan de kantonrechter niet vaststellen. [verweerder] heeft dit ook uitdrukkelijk betwist. [verzoeker] heeft niet toegelicht op welke dagen en tijden [verweerder] werkzaam is voor haar (gedurende 28 uur per week) en op welke dagen en tijden de nevenwerkzaamheden door [verweerder] zouden zijn verricht. Ten aanzien van de nevenwerkzaamheden valt aan [verweerder] dus geen verwijt te maken. 3.15 Voor zover [verzoeker] ook heeft bedoeld aan het verwijtbaar handelen in algemene zin verwoorde verwijten (afspraken niet nakomen, niet bereikbaar zijn et cetera) ten grondslag te leggen, geldt dat deze door [verzoeker] niet of onvoldoende concreet zijn gemaakt en de kantonrechter daarover dus ook niet kan oordelen. 3.16 Dat betekent dat [verweerder] alleen een verwijt te maken valt betreffende de contante betaling aan [B] . Dat [verweerder] dit niet had mogen doen, heeft hij ook erkend. Overigens heeft [verzoeker] op dit punt aangevoerd dat dit in strijd zou zijn met de Beroepscode, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] erkend dat dit niet expliciet in de Beroepscode is opgenomen. Dat het doen van een contante betaling aan een cliënte zich niet verdraagt met de integriteit en transparant handelen is echter wel aannemelijk. [verweerder] had dit niet mogen doen, maar heeft zichzelf er ook in geen enkel opzicht mee bevoordeeld. Van dusdanig verwijtbaar handelen dat niet meer van [verzoeker] zou kunnen worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voort te zetten, is, gelet op bovenstaande overwegingen, geen sprake. Er is geen voldragen d-grond 3.17 Subsidiair vraagt [verzoeker] de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden wegens disfunctioneren. 3.18 De kantonrechter kan op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden indien blijkt van disfunctioneren van de werknemer. Daarvoor is echter (onder meer) vereist dat de werkgever de werknemer in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en dat de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer. Het opzetten van een verbetertraject is een vereiste om succesvol een beroep te kunnen doen op de ontbindingsgrond disfunctioneren. Dat volgt onder meer uit het Ecofys-arrest van de Hoge Raad. De Hoge Raad schrijft niet een eenduidig traject voor dat gevolgd moet worden. Welke hulp, ondersteuning en begeleiding in een concreet geval van de werkgever mag worden verwacht hangt af van de omstandigheden van het geval. Wel blijkt duidelijk uit deze uitspraak van de Hoge Raad dat de werkgever de werknemer serieus en reëel de gelegenheid tot verbetering moet hebben geboden. 3.19 Op basis van de stukken en het besprokene ter zitting komt de kantonrechter tot de conclusie dat er niet is voldaan aan de vereisten die nodig zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens disfunctioneren. Dat blijkt uit het volgende. 3.20 In februari 2025 is aan [verweerder] meegedeeld dat zijn functioneren tekortschiet en dat van hem wordt verwacht dat hij een verbeterplan aanlevert om tot verbetering van zijn functioneren te komen. [verweerder] heeft op verzoek van [verzoeker] dit verbeterplan zelf opgesteld en daaraan is, na goedkeuring vanuit [verzoeker] , uitvoering gegeven vanaf april 2025. In dit verbeterplan heeft [verweerder] zich ten doel gesteld om te verbeteren ten aanzien van, i) Communicatie en afspraken, ii) Tijdsbeheer, iii) Assertiviteit, iv) Coaching Vakmanschap en v) Werken aan Professionele Identiteit. Uit een e-mail van de heer [D] (P&O Adviseur) van [verzoeker] van 26 juni 2025 blijkt dat [D] op 24 juni 2025 tot de conclusie is gekomen dat het verbetertraject met succes door [verweerder] is afgerond, maar dat er zich nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan, die maken dat het traject desondanks niet kan worden afgesloten. In die e-mail staat onder meer: “ Bij [E] heb ik nagevraagd hoe de inhoudelijke ANW begeleiding met [verweerder] verliep en [E] was daar positief over, zag duidelijke verbeteringen. Normaliter zou ik afgelopen dinsdag op basis van bovenstaande het verbeterplan afgerond hebben met het team. Maar dat liep even anders dan ik had gedacht, waarbij ik weer alle feiten probeer aan elkaar te koppelen: [verweerder] heeft uiteindelijk nog geen enkel contact gehad of opgezocht naar de twee dames waarmee het gesprek gevoerd is. [verweerder] heeft afgelopen maandagmiddag een analyse van het GGT doorgestuurd (zie bijgevoegde mail, wel onderaan beginnen met lezen) Het gesprek over het verbeterplan, wat volledig ontsierd en ontregeld werd door de mail die [verweerder] de dag ervoor verstuurd heeft. “ Ik vond dat een afronding op zijn plaats was, ware het niet dat er nu weer extra nieuwe elementen weer bij gekomen zijn, dat van afronding geen sprake meer kan zijn. Waarom: 1.) Er is nog steeds bij een aantal collega's (terecht of onterecht en wat is hun rol en bijdrage en eigenaarschap?) geen vertrouwen in [verweerder] , maar sommigen ontwijken hem en blijven hem ontwijken en gaan naar andere ANW’ers. Dus dan zal er ook nooit aantoonbaar iets verbeteren bij [verweerder] ! 2.) Zijn actie om afgelopen maandag de mail over de stoelen binnen het team te versturen is fout, aanmatigend, qua timing verschrikkelijk onjuist en daarmee is ook wederom het bewijs dat [verweerder] nog steeds niet echt snapt, dat het om hem gaat en dat door zijn gedrag hij alleen maar zorgt voor verwarring en onduidelijkheid. Ik heb dat bij deze bespreking duidelijk aangegeven aan [verweerder] , in bijzijn van alle anderen. 3.) Vervolgens is het GGT totaal niet in staat om hun mening te geven (zijn ze bang? Weten ze het niet? Angstcultuur? Onveilig?). Dit is aan de orde geweest en ik heb het team enorm aangeraden om z.s.m. met [F] aan de slag te gaan, omdat (los van de situatie [verweerder] ) het team ook nadrukkelijk in de problemen zit. 4.) Tijdens dit gesprek werd ook weer heel duidelijk dat [verweerder] vindt dat als er iets met hem besproken moet worden hij verwacht dat iemand naar hem toe komt i.p.v. andersom. Ook dit heb ik hem nadrukkelijk aangegeven.” 3.21 Hieruit volgt dus dat [verzoeker] op 24 juni 2025 tot de conclusie zou zijn gekomen dat [verweerder] het verbetertraject met succes had afgerond, maar dat dit standpunt is veranderd op 26 juni 2025 door i) de meningen van collega’s van [verweerder] , ii) een onhandige e-mail van [verweerder] , iii) het uitblijven van een mening van het GGT en iv) dat [verweerder] verwacht dat als er iets is, dat iemand dan naar hem toekomt. Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat op 24 juni 2025 de conclusie van [verzoeker] was dat door [verweerder] het verbetertraject succesvol was afgrond. In de e-mail waarin [D] dit uiteenzet, vermeldt hij ook dat hij navraag heeft gedaan bij [E] , één van de buddy’s in het verbetertraject van [verweerder] , en dat zij heeft aangegeven positief te zijn en duidelijke verbeteringen in het inhoudelijk functioneren zag. Daarmee staat dus vast dat [verweerder] voldeed aan de in het verbeterplan opgenomen verbeterpunten. De punten die op 26 juni 2025 bij [verzoeker] bekend werden en maakten dat het verbetertraject niet is afgesloten door [verzoeker] , kunnen niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een voldragen d-grond. De meningen van collega’s van [verweerder] zijn hier niet zo relevant, omdat zij niet de aangewezen personen in dit verbetertraject zijn om over het functioneren van [verweerder] te oordelen. Degenen die daar wel over moesten oordelen, waren positief. Dat diverse collega’s van [verweerder] kennelijk ook hebben uitgesproken geen vertrouwen meer in hem te hebben, staat los van de vraag of sprake is van disfunctioneren van [verweerder] en of [verzoeker] hem voldoende gelegenheid heeft gegeven daarin te verbeteren.
Volledig
Dat de nevenwerkzaamheden in strijd zouden komen met de werkzaamheden van [verweerder] of de belangen van [verzoeker] blijkt nergens uit. [verzoeker] heeft verder nog aangevoerd dat uit het rapport van [bedrijf] zou blijken dat [verzoeker] ook nevenwerkzaamheden heeft verricht tijdens zijn werktijd voor [verzoeker] en hem daarvan een verwijt is te maken, maar dat dit zo is kan de kantonrechter niet vaststellen. [verweerder] heeft dit ook uitdrukkelijk betwist. [verzoeker] heeft niet toegelicht op welke dagen en tijden [verweerder] werkzaam is voor haar (gedurende 28 uur per week) en op welke dagen en tijden de nevenwerkzaamheden door [verweerder] zouden zijn verricht. Ten aanzien van de nevenwerkzaamheden valt aan [verweerder] dus geen verwijt te maken. 3.15 Voor zover [verzoeker] ook heeft bedoeld aan het verwijtbaar handelen in algemene zin verwoorde verwijten (afspraken niet nakomen, niet bereikbaar zijn et cetera) ten grondslag te leggen, geldt dat deze door [verzoeker] niet of onvoldoende concreet zijn gemaakt en de kantonrechter daarover dus ook niet kan oordelen. 3.16 Dat betekent dat [verweerder] alleen een verwijt te maken valt betreffende de contante betaling aan [B] . Dat [verweerder] dit niet had mogen doen, heeft hij ook erkend. Overigens heeft [verzoeker] op dit punt aangevoerd dat dit in strijd zou zijn met de Beroepscode, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] erkend dat dit niet expliciet in de Beroepscode is opgenomen. Dat het doen van een contante betaling aan een cliënte zich niet verdraagt met de integriteit en transparant handelen is echter wel aannemelijk. [verweerder] had dit niet mogen doen, maar heeft zichzelf er ook in geen enkel opzicht mee bevoordeeld. Van dusdanig verwijtbaar handelen dat niet meer van [verzoeker] zou kunnen worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voort te zetten, is, gelet op bovenstaande overwegingen, geen sprake. Er is geen voldragen d-grond 3.17 Subsidiair vraagt [verzoeker] de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden wegens disfunctioneren. 3.18 De kantonrechter kan op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden indien blijkt van disfunctioneren van de werknemer. Daarvoor is echter (onder meer) vereist dat de werkgever de werknemer in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en dat de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer. Het opzetten van een verbetertraject is een vereiste om succesvol een beroep te kunnen doen op de ontbindingsgrond disfunctioneren. Dat volgt onder meer uit het Ecofys-arrest van de Hoge Raad. De Hoge Raad schrijft niet een eenduidig traject voor dat gevolgd moet worden. Welke hulp, ondersteuning en begeleiding in een concreet geval van de werkgever mag worden verwacht hangt af van de omstandigheden van het geval. Wel blijkt duidelijk uit deze uitspraak van de Hoge Raad dat de werkgever de werknemer serieus en reëel de gelegenheid tot verbetering moet hebben geboden. 3.19 Op basis van de stukken en het besprokene ter zitting komt de kantonrechter tot de conclusie dat er niet is voldaan aan de vereisten die nodig zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens disfunctioneren. Dat blijkt uit het volgende. 3.20 In februari 2025 is aan [verweerder] meegedeeld dat zijn functioneren tekortschiet en dat van hem wordt verwacht dat hij een verbeterplan aanlevert om tot verbetering van zijn functioneren te komen. [verweerder] heeft op verzoek van [verzoeker] dit verbeterplan zelf opgesteld en daaraan is, na goedkeuring vanuit [verzoeker] , uitvoering gegeven vanaf april 2025. In dit verbeterplan heeft [verweerder] zich ten doel gesteld om te verbeteren ten aanzien van, i) Communicatie en afspraken, ii) Tijdsbeheer, iii) Assertiviteit, iv) Coaching Vakmanschap en v) Werken aan Professionele Identiteit. Uit een e-mail van de heer [D] (P&O Adviseur) van [verzoeker] van 26 juni 2025 blijkt dat [D] op 24 juni 2025 tot de conclusie is gekomen dat het verbetertraject met succes door [verweerder] is afgerond, maar dat er zich nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan, die maken dat het traject desondanks niet kan worden afgesloten. In die e-mail staat onder meer: “ Bij [E] heb ik nagevraagd hoe de inhoudelijke ANW begeleiding met [verweerder] verliep en [E] was daar positief over, zag duidelijke verbeteringen. Normaliter zou ik afgelopen dinsdag op basis van bovenstaande het verbeterplan afgerond hebben met het team. Maar dat liep even anders dan ik had gedacht, waarbij ik weer alle feiten probeer aan elkaar te koppelen: [verweerder] heeft uiteindelijk nog geen enkel contact gehad of opgezocht naar de twee dames waarmee het gesprek gevoerd is. [verweerder] heeft afgelopen maandagmiddag een analyse van het GGT doorgestuurd (zie bijgevoegde mail, wel onderaan beginnen met lezen) Het gesprek over het verbeterplan, wat volledig ontsierd en ontregeld werd door de mail die [verweerder] de dag ervoor verstuurd heeft. “ Ik vond dat een afronding op zijn plaats was, ware het niet dat er nu weer extra nieuwe elementen weer bij gekomen zijn, dat van afronding geen sprake meer kan zijn. Waarom: 1.) Er is nog steeds bij een aantal collega's (terecht of onterecht en wat is hun rol en bijdrage en eigenaarschap?) geen vertrouwen in [verweerder] , maar sommigen ontwijken hem en blijven hem ontwijken en gaan naar andere ANW’ers. Dus dan zal er ook nooit aantoonbaar iets verbeteren bij [verweerder] ! 2.) Zijn actie om afgelopen maandag de mail over de stoelen binnen het team te versturen is fout, aanmatigend, qua timing verschrikkelijk onjuist en daarmee is ook wederom het bewijs dat [verweerder] nog steeds niet echt snapt, dat het om hem gaat en dat door zijn gedrag hij alleen maar zorgt voor verwarring en onduidelijkheid. Ik heb dat bij deze bespreking duidelijk aangegeven aan [verweerder] , in bijzijn van alle anderen. 3.) Vervolgens is het GGT totaal niet in staat om hun mening te geven (zijn ze bang? Weten ze het niet? Angstcultuur? Onveilig?). Dit is aan de orde geweest en ik heb het team enorm aangeraden om z.s.m. met [F] aan de slag te gaan, omdat (los van de situatie [verweerder] ) het team ook nadrukkelijk in de problemen zit. 4.) Tijdens dit gesprek werd ook weer heel duidelijk dat [verweerder] vindt dat als er iets met hem besproken moet worden hij verwacht dat iemand naar hem toe komt i.p.v. andersom. Ook dit heb ik hem nadrukkelijk aangegeven.” 3.21 Hieruit volgt dus dat [verzoeker] op 24 juni 2025 tot de conclusie zou zijn gekomen dat [verweerder] het verbetertraject met succes had afgerond, maar dat dit standpunt is veranderd op 26 juni 2025 door i) de meningen van collega’s van [verweerder] , ii) een onhandige e-mail van [verweerder] , iii) het uitblijven van een mening van het GGT en iv) dat [verweerder] verwacht dat als er iets is, dat iemand dan naar hem toekomt. Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat op 24 juni 2025 de conclusie van [verzoeker] was dat door [verweerder] het verbetertraject succesvol was afgrond. In de e-mail waarin [D] dit uiteenzet, vermeldt hij ook dat hij navraag heeft gedaan bij [E] , één van de buddy’s in het verbetertraject van [verweerder] , en dat zij heeft aangegeven positief te zijn en duidelijke verbeteringen in het inhoudelijk functioneren zag. Daarmee staat dus vast dat [verweerder] voldeed aan de in het verbeterplan opgenomen verbeterpunten. De punten die op 26 juni 2025 bij [verzoeker] bekend werden en maakten dat het verbetertraject niet is afgesloten door [verzoeker] , kunnen niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een voldragen d-grond. De meningen van collega’s van [verweerder] zijn hier niet zo relevant, omdat zij niet de aangewezen personen in dit verbetertraject zijn om over het functioneren van [verweerder] te oordelen. Degenen die daar wel over moesten oordelen, waren positief. Dat diverse collega’s van [verweerder] kennelijk ook hebben uitgesproken geen vertrouwen meer in hem te hebben, staat los van de vraag of sprake is van disfunctioneren van [verweerder] en of [verzoeker] hem voldoende gelegenheid heeft gegeven daarin te verbeteren.