Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-16
ECLI:NL:RBMNE:2026:1915
Civiel recht
Beschikking
8,012 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1915 text/xml public 2026-04-29T11:10:16 2026-04-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-16 12028962 \ UE VERZ 25-397 Uitspraak Beschikking NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1915 text/html public 2026-04-29T11:09:27 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1915 Rechtbank Midden-Nederland , 16-04-2026 / 12028962 \ UE VERZ 25-397 Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen. Werknemer heeft zonder grondslag in klantdossiers gekeken en niet gemeld dat hij een eigen zorginstelling heeft opgericht, waardoor belangenverstrengeling is ontstaan met werkgever. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 12028962 \ UE VERZ 25-397 BJvd/61169 Beschikking van 16 april 2026 in de zaak van [verzoeker] , gevestigd in [vestigingsplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: de [verzoeker] , gemachtigde: mr. G. van Wankum-Bakker, tegen [verweerder] , wonend in [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties 1 tot en met 15, - het verweerschrift met producties 1 tot en met 7, - de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2 De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De kern van de zaak 2.1 [verweerder] is als werknemer in dienst bij de [verzoeker] . De [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . [verweerder] heeft zonder grondslag in klantdossiers gekeken en niet gemeld dat hij een eigen zorginstelling heeft opgericht, waardoor belangenverstrengeling is ontstaan. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en ontbindt de arbeidsovereenkomst. 3 De achtergrond van de zaak 3.1 [verweerder] , geboren [geboortedatum] 1985, is sinds 1 december 2015 in dienst bij [verzoeker] . De functie van [verweerder] is servicemedewerker DZW (Dienstverlening Zorg en Welzijn) met een loon van € 3.781,00 bruto per maand exclusief het Individueel Keuzebudget (IKB) en overige emolumenten. 3.2 In zijn functie is [verweerder] verantwoordelijk voor het uitvoeren van (financiële) administratieve werkzaamheden voor (de vertegenwoordigers) van PGB-houders. Een PGB-houder is iemand die vanwege een aandoening, handicap of ouderdom zorg nodig heeft en in dat kader een PGB (persoonsgebonden budget) is toegekend, waarmee de benodigde zorg of ondersteuning bij een zorgverlener kan worden ingekocht. Werknemers in de functie van servicemedewerker DZW gebruiken voor het uitvoeren van hun werkzaamheden het programma Treks en Portaal 2.0., waarin per dossier persoons- en/of financiële gegevens zijn opgeslagen van de budgethouder en diens vertegenwoordiger en zorgverlener. 3.3 Op 31 mei 2021 heeft [verweerder] de eed/belofte afgelegd, waarbij hij heeft beloofd zorgvuldig met informatie te zullen omgaan, betrouwbaar te zijn en zich te zullen houden aan de [verzoeker] Gedragscode. Op 1 juni 2021 heeft de [verzoeker] een nieuwe gedragscode ingevoerd en hebben al haar werknemers schriftelijk verklaard dat zij de [verzoeker] Gedragscode hebben gelezen en zullen naleven. Op 8 juni 2021 heeft [verweerder] een e-learning gevolgd (die voor alle werknemers verplicht was), waarbij de Gedragscode en integer handelen aan bod zijn gekomen. Op 23 november 2021 ondertekende [verweerder] de ‘Verklaring nalevering Gedragscode [verzoeker] (01-06-2021). 4 De beoordeling Het juridisch kader bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter 4.1 [verzoeker] verzoekt primair de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen (e-grond) en te verklaren voor recht dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding. Subsidiair verzoekt de [verzoeker] ontbinding vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair op grond van de cumulatiegrond (i-grond). 4.2 Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding, namelijk ernstig verwijtbaar handelen. Dat wordt als volgt toegelicht. [verweerder] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld 4.3 De [verzoeker] kreeg op 23 oktober 2025 een integriteitsmelding over [verweerder] met de inhoud belangenverstrengeling, fraude en misbruik van het PGB door [verweerder] . Daarna is de [verzoeker] een intern onderzoek gestart. Op 24 november 2025 verscheen het rapport van het interne onderzoek. Daaruit blijkt onder andere het volgende: De gebruikersnaam van [verweerder] is aangetroffen in vier klantdossiers, zonder dat deze klantdossiers verbonden waren aan een klantcontact van [verweerder] ; [verweerder] heeft niet gemeld dat hij sinds 1 juli 2024 een eigen zorginstelling genaamd [bedrijf] heeft, waarvoor hij betaalde nevenwerkzaamheden verrichte; De gebruikersnaam van [verweerder] is in drie van de vier klantdossiers 227 keer aangetroffen in het programma Treks, zonder zakelijke grondslag; In het vierde klantdossier is met het account van [verweerder] op 2 juni 2025 een mutatie in de declaratieregel aangemaakt. Op die dag is ook een declaratie van € 335,05 aan [bedrijf] uitbetaald; Eén van de dossiers die [verweerder] heeft ingezien betrof een klant van zijn eigen bedrijf waarmee hij een conflict had. [verweerder] heeft in klantdossiers gekeken die niet van hem waren 4.4 De kantonrechter is van oordeel dat vast staat dat [verweerder] veelvuldig en zonder zakelijke grondslag in klantdossiers heeft gekeken. Dit blijkt uit het hoorverslag en uit de digitale gegevens die de [verzoeker] in haar interne onderzoek heeft onderzocht. In het hoorverslag staat dat [verweerder] het volgende heeft verklaard: ‘ ’Ik zou liegen als ik zeg dat ik niet heb gekeken. Ik heb wel in dossiers gekeken.’’ Vervolgens noemt hij de namen van de vier klantdossiers die hij heeft bekeken, die overeenkomen met klantdossiers waarin zijn gebruikersnaam is aangetroffen. Na het hoorgesprek heeft [verweerder] de keuze gehad om het verslag hiervan door te lezen, maar volgens de [verzoeker] wilde hij dit niet. Vervolgens is het verslag aan hem voorgelezen door een medewerker van de [verzoeker] , waarna hij het heeft ondertekend. [verweerder] stelt dat hij het verslag moest ondertekenen op een tablet en dat hij het hele verslag pas achteraf heeft kunnen inzien. Volgens [verweerder] staan er meerdere onjuistheden en suggestieve formuleringen in het verslag. Hij stelt slechts één keer in een klantdossier te hebben gekeken dat niet aan hem verbonden was. Dit was om te zien of de zorgovereenkomst met [bedrijf] was goedgekeurd. Ook stelt hij geen mutatie te hebben verricht. 4.5 Hoewel [verweerder] betwist dat hij meer dan één keer in meer dan één klantdossier heeft gekeken, blijkt uit de digitale gegevens uit het systeem van de [verzoeker] , dat er met het account van [verweerder] in vier klantdossiers is gekeken die niet van hem zijn en dat dit 227 keer is gebeurd. Het account van [verweerder] is verbonden aan zijn gebruikersnaam en gekozen wachtwoord. [verweerder] heeft erkend dat zijn gebruikersnaam en wachtwoord enkel door hem in gebruik zijn. Ook kon [verweerder] precies de namen van de klantdossiers opnoemen waarin zijn gebruikersnaam is opgedoken. Dat dit deel van het hoorverslag onjuist zou zijn heeft [verweerder] niet gesteld. 4.6 [verweerder] betwist dat hij een mutatie zou hebben aangemaakt, zodat een declaratie aan [bedrijf] is uitbetaald. Volgens [verweerder] is het helemaal niet mogelijk om een algemene declaratie zoals deze te verrichten.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1915 text/xml public 2026-04-29T11:10:16 2026-04-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-16 12028962 \ UE VERZ 25-397 Uitspraak Beschikking NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1915 text/html public 2026-04-29T11:09:27 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1915 Rechtbank Midden-Nederland , 16-04-2026 / 12028962 \ UE VERZ 25-397 Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen. Werknemer heeft zonder grondslag in klantdossiers gekeken en niet gemeld dat hij een eigen zorginstelling heeft opgericht, waardoor belangenverstrengeling is ontstaan met werkgever. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 12028962 \ UE VERZ 25-397 BJvd/61169 Beschikking van 16 april 2026 in de zaak van [verzoeker] , gevestigd in [vestigingsplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: de [verzoeker] , gemachtigde: mr. G. van Wankum-Bakker, tegen [verweerder] , wonend in [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties 1 tot en met 15, - het verweerschrift met producties 1 tot en met 7, - de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2 De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De kern van de zaak 2.1 [verweerder] is als werknemer in dienst bij de [verzoeker] . De [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . [verweerder] heeft zonder grondslag in klantdossiers gekeken en niet gemeld dat hij een eigen zorginstelling heeft opgericht, waardoor belangenverstrengeling is ontstaan. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en ontbindt de arbeidsovereenkomst. 3 De achtergrond van de zaak 3.1 [verweerder] , geboren [geboortedatum] 1985, is sinds 1 december 2015 in dienst bij [verzoeker] . De functie van [verweerder] is servicemedewerker DZW (Dienstverlening Zorg en Welzijn) met een loon van € 3.781,00 bruto per maand exclusief het Individueel Keuzebudget (IKB) en overige emolumenten. 3.2 In zijn functie is [verweerder] verantwoordelijk voor het uitvoeren van (financiële) administratieve werkzaamheden voor (de vertegenwoordigers) van PGB-houders. Een PGB-houder is iemand die vanwege een aandoening, handicap of ouderdom zorg nodig heeft en in dat kader een PGB (persoonsgebonden budget) is toegekend, waarmee de benodigde zorg of ondersteuning bij een zorgverlener kan worden ingekocht. Werknemers in de functie van servicemedewerker DZW gebruiken voor het uitvoeren van hun werkzaamheden het programma Treks en Portaal 2.0., waarin per dossier persoons- en/of financiële gegevens zijn opgeslagen van de budgethouder en diens vertegenwoordiger en zorgverlener. 3.3 Op 31 mei 2021 heeft [verweerder] de eed/belofte afgelegd, waarbij hij heeft beloofd zorgvuldig met informatie te zullen omgaan, betrouwbaar te zijn en zich te zullen houden aan de [verzoeker] Gedragscode. Op 1 juni 2021 heeft de [verzoeker] een nieuwe gedragscode ingevoerd en hebben al haar werknemers schriftelijk verklaard dat zij de [verzoeker] Gedragscode hebben gelezen en zullen naleven. Op 8 juni 2021 heeft [verweerder] een e-learning gevolgd (die voor alle werknemers verplicht was), waarbij de Gedragscode en integer handelen aan bod zijn gekomen. Op 23 november 2021 ondertekende [verweerder] de ‘Verklaring nalevering Gedragscode [verzoeker] (01-06-2021). 4 De beoordeling Het juridisch kader bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter 4.1 [verzoeker] verzoekt primair de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen (e-grond) en te verklaren voor recht dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding. Subsidiair verzoekt de [verzoeker] ontbinding vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en meer subsidiair op grond van de cumulatiegrond (i-grond). 4.2 Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding, namelijk ernstig verwijtbaar handelen. Dat wordt als volgt toegelicht. [verweerder] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld 4.3 De [verzoeker] kreeg op 23 oktober 2025 een integriteitsmelding over [verweerder] met de inhoud belangenverstrengeling, fraude en misbruik van het PGB door [verweerder] . Daarna is de [verzoeker] een intern onderzoek gestart. Op 24 november 2025 verscheen het rapport van het interne onderzoek. Daaruit blijkt onder andere het volgende: De gebruikersnaam van [verweerder] is aangetroffen in vier klantdossiers, zonder dat deze klantdossiers verbonden waren aan een klantcontact van [verweerder] ; [verweerder] heeft niet gemeld dat hij sinds 1 juli 2024 een eigen zorginstelling genaamd [bedrijf] heeft, waarvoor hij betaalde nevenwerkzaamheden verrichte; De gebruikersnaam van [verweerder] is in drie van de vier klantdossiers 227 keer aangetroffen in het programma Treks, zonder zakelijke grondslag; In het vierde klantdossier is met het account van [verweerder] op 2 juni 2025 een mutatie in de declaratieregel aangemaakt. Op die dag is ook een declaratie van € 335,05 aan [bedrijf] uitbetaald; Eén van de dossiers die [verweerder] heeft ingezien betrof een klant van zijn eigen bedrijf waarmee hij een conflict had. [verweerder] heeft in klantdossiers gekeken die niet van hem waren 4.4 De kantonrechter is van oordeel dat vast staat dat [verweerder] veelvuldig en zonder zakelijke grondslag in klantdossiers heeft gekeken. Dit blijkt uit het hoorverslag en uit de digitale gegevens die de [verzoeker] in haar interne onderzoek heeft onderzocht. In het hoorverslag staat dat [verweerder] het volgende heeft verklaard: ‘ ’Ik zou liegen als ik zeg dat ik niet heb gekeken. Ik heb wel in dossiers gekeken.’’ Vervolgens noemt hij de namen van de vier klantdossiers die hij heeft bekeken, die overeenkomen met klantdossiers waarin zijn gebruikersnaam is aangetroffen. Na het hoorgesprek heeft [verweerder] de keuze gehad om het verslag hiervan door te lezen, maar volgens de [verzoeker] wilde hij dit niet. Vervolgens is het verslag aan hem voorgelezen door een medewerker van de [verzoeker] , waarna hij het heeft ondertekend. [verweerder] stelt dat hij het verslag moest ondertekenen op een tablet en dat hij het hele verslag pas achteraf heeft kunnen inzien. Volgens [verweerder] staan er meerdere onjuistheden en suggestieve formuleringen in het verslag. Hij stelt slechts één keer in een klantdossier te hebben gekeken dat niet aan hem verbonden was. Dit was om te zien of de zorgovereenkomst met [bedrijf] was goedgekeurd. Ook stelt hij geen mutatie te hebben verricht. 4.5 Hoewel [verweerder] betwist dat hij meer dan één keer in meer dan één klantdossier heeft gekeken, blijkt uit de digitale gegevens uit het systeem van de [verzoeker] , dat er met het account van [verweerder] in vier klantdossiers is gekeken die niet van hem zijn en dat dit 227 keer is gebeurd. Het account van [verweerder] is verbonden aan zijn gebruikersnaam en gekozen wachtwoord. [verweerder] heeft erkend dat zijn gebruikersnaam en wachtwoord enkel door hem in gebruik zijn. Ook kon [verweerder] precies de namen van de klantdossiers opnoemen waarin zijn gebruikersnaam is opgedoken. Dat dit deel van het hoorverslag onjuist zou zijn heeft [verweerder] niet gesteld. 4.6 [verweerder] betwist dat hij een mutatie zou hebben aangemaakt, zodat een declaratie aan [bedrijf] is uitbetaald. Volgens [verweerder] is het helemaal niet mogelijk om een algemene declaratie zoals deze te verrichten.
Volledig
Maar, een andere uitleg voor het feit dat het tegendeel uit het systeem blijkt heeft [verweerder] niet gegeven. Wat daar ook van zij, zelfs als [verweerder] de mutatie in het systeem niet heeft aangemaakt, is de kantonrechter van oordeel dat ook zonder het aanmaken van de mutatie de ernstige verwijtbaarheid van [verweerder] is gegeven met het bekijken van klantdossiers die niet van hem zijn en het creëren van een belangenverstrengeling. Dat wordt hieronder toegelicht. 4.7 De [verzoeker] heeft een publieke taak. Daarbij is het belangrijk dat burgers erop kunnen vertrouwen dat hun privé gegevens bij de [verzoeker] veilig zijn. [verweerder] heeft zich niet als betrouwbare en integere ambtenaar gedragen. [verweerder] heeft misbruik gemaakt van zijn positie binnen de [verzoeker] om voor zijn zorginstelling klantdossiers van zijn budgethouders te bekijken. Hiermee heeft hij een ernstige vertrouwensbreuk gecreëerd tussen hem en de [verzoeker] . Ook heeft hij hiermee het vertrouwen van burgers in de [verzoeker] geschaad, wat tot reputatieschade kan leiden voor de [verzoeker] . Bovendien is het onrechtmatig kijken in klantdossiers door [verweerder] in strijd met de Gedragscode en de eed die hij heeft afgelegd. Uit de Gedragscode volgt dat een [verzoeker] -medewerker nooit zonder zakelijke grondslag in een systeem met vertrouwelijke klantinformatie mag kijken en dat medewerkers zorgvuldig moeten omgaan met informatie. De Gedragscode is door [verweerder] ondertekend en er is aandacht besteed aan integer handelen bij de [verzoeker] . [verweerder] had dus kunnen en moeten weten dat gedragingen zoals deze zijn baan bij de [verzoeker] op het spel zetten. [verweerder] heeft een situatie van belangenverstrengeling gecreëerd door werkzaamheden te doen voor [bedrijf] tijdens zijn dienstverband bij de [verzoeker] 4.8 [verweerder] heeft door het oprichten van zorginstelling [bedrijf] een situatie van belangenverstrengeling gecreëerd. [bedrijf] heeft als kernactiviteiten: hulp bij PGB en hulp en zorg op maat. De nevenwerkzaamheden van [verweerder] bij [bedrijf] raken daarmee de belangen van de [verzoeker] direct. Aan de ene kant door als medewerker DZW PGB-houders te ondersteunen bij het inkopen van zorg en aan de andere kant door vanuit zijn zorgkantoor zorg aan PGB-houders te verkopen. Als medewerker DWZ had [verweerder] toegang tot kennis en informatie over het PGB-budget en het starten van een zorgonderneming die onder andere helpt bij het aanvragen van een PGB-budget en dat levert belangenverstrengeling op. Gelet op de publieke taak van de [verzoeker] is elke schijn van belangenverstrengeling onacceptabel. Dit blijkt ook uit de Gedragscode, waarin aandacht is besteed aan nevenactiviteiten. Zo wordt een werknemer gewezen op de meldplicht van nevenwerkzaamheden die de belangen van de [verzoeker] kunnen raken en gewaarschuwd voor (schijn van) belangenverstrengeling. [verweerder] had dus kunnen en moeten weten dat hij door zijn nevenwerkzaamheden bij [bedrijf] een voor de [verzoeker] onacceptabele situatie heeft gecreëerd. De persoonlijke omstandigheden van [verweerder] nemen de ernstige verwijtbaarheid niet weg 4.9 Volgens [verweerder] functioneerde hij altijd goed en heeft hij de informatie uit het systeem niet voor persoonlijk voordeel gebruikt. [verweerder] doet ook een beroep op zijn persoonlijke omstandigheden. Hij vraagt aandacht voor de scheiding die hij doormaakte, die een grote financiële en emotionele impact op hem heeft gehad. Daardoor voelde hij zich genoodzaakt om de onderneming [bedrijf] op te zetten. Al snel ontstond er een conflict tussen een client en diens bewindvoerder, waardoor hij veel stress ervaarde. Dit alles maakt volgens [verweerder] dat hij mogelijk wel verwijtbaar, maar in ieder geval niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. 4.10 De kantonrechter is van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden die [verweerder] aanvoert het ernstig verwijtbare karakter van zijn gedragingen niet wegnemen. [verweerder] heeft ervoor gekozen om te proberen zijn persoonlijke problemen op te lossen door een eigen zorginstelling op te richten en daarmee zijn eed en de Gedragscode van de [verzoeker] te schenden. Daarin heeft hij zich laten leiden door eigenbelang en de belangen van de [verzoeker] geschaad. Zijn gedragingen zijn ernstig verwijtbaar. De consequenties hiervan komen dan ook voor rekening en risico van [verweerder] . De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden 4.11 Met het kijken in klantdossiers en zijn nevenwerkzaamheden voor [bedrijf] heeft [verweerder] ernstig verwijtbaar gehandeld tegenover de [verzoeker] , zodanig dat van de [verzoeker] niet kan worden verlangd dat zij het dienstverband met [verweerder] voortzet. Omdat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, ligt herplaatsing niet in de rede. De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden. Omdat aan de zijde van [verweerder] sprake is van ernstige verwijtbaarheid wordt geen rekening gehouden met de geldende opzegtermijn. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal daarom worden bepaald op vandaag. 4.12 Omdat hiervoor is bepaald dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van ernstig verwijtbaar handelen, hoeft de subsidiaire en meer subsidiaire grondslag voor de ontbinding niet meer te worden besproken. [verweerder] krijgt geen billijke vergoeding 4.13 De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. 4.14 [verweerder] stelt dat de [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, door zonder waarschuwing of duidelijk instructie direct te kiezen voor ontbinding van het dienstverband. Daar gaat de kantonrechter niet in mee. Met het afleggen van de eed en het ondertekenen van de Gedragscode had het [verweerder] voldoende duidelijk moeten zijn dat dergelijke gedragingen als deze voor de [verzoeker] ontoelaatbaar zijn en directe gevolgen kunnen hebben voor zijn dienstverband. Door de [verzoeker] is een uitgebreid en zorgvuldig intern onderzoek gedaan, waarbij [verweerder] ook is gehoord. Vervolgens is overgegaan tot een verzoek tot ontbinding. In de gegeven omstandigheden kan van de [verzoeker] niet worden verwacht dat zij op grond van de uitkomst van het interne onderzoek nog voldoende vertrouwen had in een verdere samenwerking met [verweerder] en stond het haar vrij om over te gaan tot een verzoek tot ontbinding. Dat er aan de zijde van de [verzoeker] sprake zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen blijkt nergens uit. 4.15 De [verzoeker] hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden. [verweerder] krijgt geen transitievergoeding 4.16 Omdat er aan de zijde van [verweerder] sprake is van ernstig verwijtbaar handelen hoeft de [verzoeker] aan [verweerder] geen transitievergoeding te betalen. De door de [verzoeker] verzochte verklaring van recht dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding wordt daarom toegewezen. [verweerder] moet de proceskosten betalen 4.17 De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van de [verzoeker] worden begroot op € 1.144,00 (€ 135,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
Volledig
Maar, een andere uitleg voor het feit dat het tegendeel uit het systeem blijkt heeft [verweerder] niet gegeven. Wat daar ook van zij, zelfs als [verweerder] de mutatie in het systeem niet heeft aangemaakt, is de kantonrechter van oordeel dat ook zonder het aanmaken van de mutatie de ernstige verwijtbaarheid van [verweerder] is gegeven met het bekijken van klantdossiers die niet van hem zijn en het creëren van een belangenverstrengeling. Dat wordt hieronder toegelicht. 4.7 De [verzoeker] heeft een publieke taak. Daarbij is het belangrijk dat burgers erop kunnen vertrouwen dat hun privé gegevens bij de [verzoeker] veilig zijn. [verweerder] heeft zich niet als betrouwbare en integere ambtenaar gedragen. [verweerder] heeft misbruik gemaakt van zijn positie binnen de [verzoeker] om voor zijn zorginstelling klantdossiers van zijn budgethouders te bekijken. Hiermee heeft hij een ernstige vertrouwensbreuk gecreëerd tussen hem en de [verzoeker] . Ook heeft hij hiermee het vertrouwen van burgers in de [verzoeker] geschaad, wat tot reputatieschade kan leiden voor de [verzoeker] . Bovendien is het onrechtmatig kijken in klantdossiers door [verweerder] in strijd met de Gedragscode en de eed die hij heeft afgelegd. Uit de Gedragscode volgt dat een [verzoeker] -medewerker nooit zonder zakelijke grondslag in een systeem met vertrouwelijke klantinformatie mag kijken en dat medewerkers zorgvuldig moeten omgaan met informatie. De Gedragscode is door [verweerder] ondertekend en er is aandacht besteed aan integer handelen bij de [verzoeker] . [verweerder] had dus kunnen en moeten weten dat gedragingen zoals deze zijn baan bij de [verzoeker] op het spel zetten. [verweerder] heeft een situatie van belangenverstrengeling gecreëerd door werkzaamheden te doen voor [bedrijf] tijdens zijn dienstverband bij de [verzoeker] 4.8 [verweerder] heeft door het oprichten van zorginstelling [bedrijf] een situatie van belangenverstrengeling gecreëerd. [bedrijf] heeft als kernactiviteiten: hulp bij PGB en hulp en zorg op maat. De nevenwerkzaamheden van [verweerder] bij [bedrijf] raken daarmee de belangen van de [verzoeker] direct. Aan de ene kant door als medewerker DZW PGB-houders te ondersteunen bij het inkopen van zorg en aan de andere kant door vanuit zijn zorgkantoor zorg aan PGB-houders te verkopen. Als medewerker DWZ had [verweerder] toegang tot kennis en informatie over het PGB-budget en het starten van een zorgonderneming die onder andere helpt bij het aanvragen van een PGB-budget en dat levert belangenverstrengeling op. Gelet op de publieke taak van de [verzoeker] is elke schijn van belangenverstrengeling onacceptabel. Dit blijkt ook uit de Gedragscode, waarin aandacht is besteed aan nevenactiviteiten. Zo wordt een werknemer gewezen op de meldplicht van nevenwerkzaamheden die de belangen van de [verzoeker] kunnen raken en gewaarschuwd voor (schijn van) belangenverstrengeling. [verweerder] had dus kunnen en moeten weten dat hij door zijn nevenwerkzaamheden bij [bedrijf] een voor de [verzoeker] onacceptabele situatie heeft gecreëerd. De persoonlijke omstandigheden van [verweerder] nemen de ernstige verwijtbaarheid niet weg 4.9 Volgens [verweerder] functioneerde hij altijd goed en heeft hij de informatie uit het systeem niet voor persoonlijk voordeel gebruikt. [verweerder] doet ook een beroep op zijn persoonlijke omstandigheden. Hij vraagt aandacht voor de scheiding die hij doormaakte, die een grote financiële en emotionele impact op hem heeft gehad. Daardoor voelde hij zich genoodzaakt om de onderneming [bedrijf] op te zetten. Al snel ontstond er een conflict tussen een client en diens bewindvoerder, waardoor hij veel stress ervaarde. Dit alles maakt volgens [verweerder] dat hij mogelijk wel verwijtbaar, maar in ieder geval niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. 4.10 De kantonrechter is van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden die [verweerder] aanvoert het ernstig verwijtbare karakter van zijn gedragingen niet wegnemen. [verweerder] heeft ervoor gekozen om te proberen zijn persoonlijke problemen op te lossen door een eigen zorginstelling op te richten en daarmee zijn eed en de Gedragscode van de [verzoeker] te schenden. Daarin heeft hij zich laten leiden door eigenbelang en de belangen van de [verzoeker] geschaad. Zijn gedragingen zijn ernstig verwijtbaar. De consequenties hiervan komen dan ook voor rekening en risico van [verweerder] . De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden 4.11 Met het kijken in klantdossiers en zijn nevenwerkzaamheden voor [bedrijf] heeft [verweerder] ernstig verwijtbaar gehandeld tegenover de [verzoeker] , zodanig dat van de [verzoeker] niet kan worden verlangd dat zij het dienstverband met [verweerder] voortzet. Omdat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, ligt herplaatsing niet in de rede. De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden. Omdat aan de zijde van [verweerder] sprake is van ernstige verwijtbaarheid wordt geen rekening gehouden met de geldende opzegtermijn. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal daarom worden bepaald op vandaag. 4.12 Omdat hiervoor is bepaald dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van ernstig verwijtbaar handelen, hoeft de subsidiaire en meer subsidiaire grondslag voor de ontbinding niet meer te worden besproken. [verweerder] krijgt geen billijke vergoeding 4.13 De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. 4.14 [verweerder] stelt dat de [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, door zonder waarschuwing of duidelijk instructie direct te kiezen voor ontbinding van het dienstverband. Daar gaat de kantonrechter niet in mee. Met het afleggen van de eed en het ondertekenen van de Gedragscode had het [verweerder] voldoende duidelijk moeten zijn dat dergelijke gedragingen als deze voor de [verzoeker] ontoelaatbaar zijn en directe gevolgen kunnen hebben voor zijn dienstverband. Door de [verzoeker] is een uitgebreid en zorgvuldig intern onderzoek gedaan, waarbij [verweerder] ook is gehoord. Vervolgens is overgegaan tot een verzoek tot ontbinding. In de gegeven omstandigheden kan van de [verzoeker] niet worden verwacht dat zij op grond van de uitkomst van het interne onderzoek nog voldoende vertrouwen had in een verdere samenwerking met [verweerder] en stond het haar vrij om over te gaan tot een verzoek tot ontbinding. Dat er aan de zijde van de [verzoeker] sprake zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen blijkt nergens uit. 4.15 De [verzoeker] hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden. [verweerder] krijgt geen transitievergoeding 4.16 Omdat er aan de zijde van [verweerder] sprake is van ernstig verwijtbaar handelen hoeft de [verzoeker] aan [verweerder] geen transitievergoeding te betalen. De door de [verzoeker] verzochte verklaring van recht dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding wordt daarom toegewezen. [verweerder] moet de proceskosten betalen 4.17 De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van de [verzoeker] worden begroot op € 1.144,00 (€ 135,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.