Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-15
ECLI:NL:RBMNE:2026:1906
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,185 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1906 text/xml public 2026-04-29T11:02:16 2026-04-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-15 11890489 \ MC EXPL 25-5159 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1906 text/html public 2026-04-29T11:01:21 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1906 Rechtbank Midden-Nederland , 15-04-2026 / 11890489 \ MC EXPL 25-5159 Gebrekkige warmtepompen? Huurder meldt geluidsoverlast en onvoldoende verwarming. Klein deel van de gevorderde huurprijsvermindering wordt toegewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 11890489 \ MC EXPL 25-5159 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eiser] , wonende in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. A. Klerk, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ASR DUTCH CORE RESIDENTIAL CUSTODIAN B.V. , gevestigd in Utrecht, gedaagde partij, hierna te noemen: ASR, gemachtigde: mr. D. Pranjic. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 12 september 2025, met producties 1 t/m 10, - de conclusie van antwoord van 19 november 2025, met producties 1 t/m 8, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de aanvullende producties 11 t/m 16 van [eiser] , - de aanvullende producties 9 t/m 15 van ASR. 1.2 De mondelinge behandeling vond plaats op 17 maart 2026. [eiser] was daarbij aanwezig met zijn gemachtigde mr. A. Klerk. Namens ASR was [A] ( [functie] bij ASR) aanwezig met gemachtigde mr. D. Pranjic. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.3 Ten slotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] huurt sinds 2019 een woning van ASR en betaalt daar (nu) € 1.259,72 per maand voor. Vanwege een verduurzamingstraject heeft ASR in december 2022 een warmtepomp laten plaatsen in die woning. Die warmtepomp bleek het al snel niet te doen, waarna een nieuwe warmtepomp is geplaatst in september 2023, die het ook niet (goed) bleek te doen. [eiser] stelt dat hij zijn woning onvoldoende kon verwarmen met deze 2 warmtepompen, een buitensporig hoog energieverbruik had daardoor en de warmtepompen veel geluidsoverlast hebben veroorzaakt. Hij vordert daarom onder andere herstel van de gebreken aan de warmtepomp (en radiatoren), € 22.433,83 aan huurprijsvermindering vanaf januari 2023 tot augustus 2025 en een huurprijsvermindering van 60% vanaf september 2025. ASR betwist dat de warmtepompen gebreken hadden. Bovendien is in september 2025 een nieuwe warmtepomp bij [eiser] opgehangen en zijn sindsdien geen klachten binnengekomen. De kantonrechter wijst alleen een gedeelte van de gevorderde huurprijsvermindering toe. De andere vorderingen worden afgewezen. 3 De beoordeling 3.1 De kantonrechter zal eerst vaststellen aan welke normen moet worden getoetst. Daarna wordt eerst beoordeeld of de huidige warmtepomp aan die normen voldoet en vervolgens of de eerdere warmtepompen aan die normen voldeden. De geluidsoverlast zal worden getoetst aan het Bouwbesluit en voor de vraag of er voldoende wordt verwarmd wordt aangesloten bij het Beleidsboek 3.2 [eiser] en ASR zijn het oneens over welke geluidsnorm moet worden gebruikt bij het beantwoorden van de vraag of een warmtepomp dusdanige geluidsoverlast veroorzaakt dat sprake is van een gebrek (en [eiser] daarom recht heeft op een huurprijsvermindering). [eiser] neemt het standpunt in dat door de voortdurende geluidsoverlast van de warmtepomp(en) sprake is van een categorie C gebrek uit het Beleidsboek gebreken van de Huurcommissie (‘het Beleidsboek’). In het Beleidsboek staat kortgezegd dat er sprake is van ernstige geluidsoverlast als het geluid dat een warmtepomp maakt, meer dan 30dB meet in de slaapkamer. ASR is het hier niet mee eens en neemt het standpunt in dat de geluidsnormen uit het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) van toepassing zijn. 3.3 Het standpunt van ASR met betrekking tot de geluidsnormen wordt gevolgd. De kantonrechter is niet gebonden aan het Beleidsboek van de Huurcommissie en ASR hoeft zich alleen aan de geluidsnormen in het Bouwbesluit te houden. Daarin staat samengevat dat bij nieuwbouw het geluid van een warmtepomp niet meer dan 30 dB mag zijn in verblijfsruimtes, zoals slaapkamers. In dit geval is sprake van bestaande bouw en dan geldt artikel 3.10 van het Bouwbesluit, waarin staat dat de norm dan 10 dB hoger is, dus 40 dB. 3.4 Partijen zijn het erover eens dat voor de vraag of de woning voldoende wordt verwarmd kan worden aangesloten bij de normen uit het Beleidsboek, zodat de kantonrechter daarvan uit zal gaan. De vorderingen tot herstel van de gebreken aan de warmtepomp en radiatoren en de huurprijsvermindering vanaf 1 september 2025 worden afgewezen 3.5 [eiser] vordert kortgezegd dat ASR gebreken aan de warmtepomp (en radiatoren) herstelt en hij wil daaraan een dwangsom verbinden van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00. [eiser] wil ook dat de huur voor de woning vanaf 1 september 2025 wordt vastgesteld op € 503,89 per maand. Hij baseert deze vorderingen op artikelen 7:204, 7:206 en 7:207 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’). Deze vorderingen worden afgewezen, omdat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat de huidige warmtepomp en radiatoren gebrekkig zijn. Geen geluidsoverlast van de huidige warmtepomp 3.6 [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevuld dat sinds de warmtepomp in september 2025 is geïnstalleerd er 6 keer een monteur van [bedrijf] langs geweest is en dat de pomp nog steeds lawaai maakt. Uit de uitdraai van [bedrijf] die ASR heeft overgelegd blijkt dat [eiser] op 20 oktober 2025 heeft geklaagd over het lawaai dat de nieuwe warmtepomp maakt en dat [bedrijf] daarvoor op 23 en 28 oktober en 12 november 2025 is langs geweest. Alleen van het bezoek op 23 oktober 2025 heeft ASR een werkbon overgelegd. Daarop staat dat is geconstateerd dat de aansluiting van de slangkoppeling tegen het frame zat en dat dat is verholpen, en tevens de kabel ventilator is vrijgelegd en de schuimdeksel is rechtgezet. In de uitdraai staat bij het bezoek van 28 oktober 2025: ‘Toestel gecontroleerd i.v.m een lawaaiklacht. Ik heb dit geconstateerd als de compressor tussen de 5.800 rpm tot 6.000 draait dus dit stukje bij d’ . Daar eindigt de tekst. Volgens ASR luidt de volledige tekst: ‘ Toestel gecontroleerd i.v.m een lawaaiklacht. Ik heb dit geconstateerd als de compressor tussen de 5.800 rpm tot 6.000 draait dus dit stukje bij de instellingen aangepast. Tevens de stille modus geactiveerd van 20.00 uur tot 7.00 uur. Na de aanpassingen geen lawaai meer geconstateerd ’. [eiser] heeft niet gezegd dat dit niet de juiste tekst is. In de uitdraai staat bij 3 november 2025: ‘Eerdere geluidsklacht niet verholpen graag sammer plannen ’. Daarna bij 12 november 2025: ‘ Pomp van de ketel was vervangen niet terug gezet naar de juiste stand, dit hersteld en unit in orde bevonden ’. ASR heeft een e-mail van [bedrijf] overgelegd waaruit volgt dat [eiser] na 12 november 2025 geen meldingen meer heeft gedaan en dus ook geen werkzaamheden meer zijn uitgevoerd aan de warmtepomp. Dat [eiser] nog wel meldingen heeft gedaan, heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd. Dat betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat dat de situatie na 12 november 2025 niet meer is gewijzigd. 3.7 [eiser] heeft niet voldoende onderbouwd dat de huidige warmtepomp die in september 2025 is geplaatst in de woning nog steeds voor onacceptabele geluidsoverlast zorgt. Zowel [eiser] als [bedrijf] hebben na 12 november 2025 geluidsmetingen uitgevoerd. [bedrijf] is namens ASR op 13 maart 2026 langs geweest bij [eiser] voor een controle van de warmtepomp en een geluidsmeting. Uit het rapport van [bedrijf] volgt dat de warmtepomp voldoet aan de geluidsnormen van het Bouwbesluit. De metingen zijn gedaan op de slaapkamer, terwijl de warmtepomp op het maximale toerental van de compressor en ventilator werkte, met de geluidsdeur van de warmtepomp open én dicht. [eiser] was bij iedere meting aanwezig.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1906 text/xml public 2026-04-29T11:02:16 2026-04-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-15 11890489 \ MC EXPL 25-5159 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1906 text/html public 2026-04-29T11:01:21 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1906 Rechtbank Midden-Nederland , 15-04-2026 / 11890489 \ MC EXPL 25-5159 Gebrekkige warmtepompen? Huurder meldt geluidsoverlast en onvoldoende verwarming. Klein deel van de gevorderde huurprijsvermindering wordt toegewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 11890489 \ MC EXPL 25-5159 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eiser] , wonende in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. A. Klerk, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ASR DUTCH CORE RESIDENTIAL CUSTODIAN B.V. , gevestigd in Utrecht, gedaagde partij, hierna te noemen: ASR, gemachtigde: mr. D. Pranjic. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 12 september 2025, met producties 1 t/m 10, - de conclusie van antwoord van 19 november 2025, met producties 1 t/m 8, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de aanvullende producties 11 t/m 16 van [eiser] , - de aanvullende producties 9 t/m 15 van ASR. 1.2 De mondelinge behandeling vond plaats op 17 maart 2026. [eiser] was daarbij aanwezig met zijn gemachtigde mr. A. Klerk. Namens ASR was [A] ( [functie] bij ASR) aanwezig met gemachtigde mr. D. Pranjic. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.3 Ten slotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] huurt sinds 2019 een woning van ASR en betaalt daar (nu) € 1.259,72 per maand voor. Vanwege een verduurzamingstraject heeft ASR in december 2022 een warmtepomp laten plaatsen in die woning. Die warmtepomp bleek het al snel niet te doen, waarna een nieuwe warmtepomp is geplaatst in september 2023, die het ook niet (goed) bleek te doen. [eiser] stelt dat hij zijn woning onvoldoende kon verwarmen met deze 2 warmtepompen, een buitensporig hoog energieverbruik had daardoor en de warmtepompen veel geluidsoverlast hebben veroorzaakt. Hij vordert daarom onder andere herstel van de gebreken aan de warmtepomp (en radiatoren), € 22.433,83 aan huurprijsvermindering vanaf januari 2023 tot augustus 2025 en een huurprijsvermindering van 60% vanaf september 2025. ASR betwist dat de warmtepompen gebreken hadden. Bovendien is in september 2025 een nieuwe warmtepomp bij [eiser] opgehangen en zijn sindsdien geen klachten binnengekomen. De kantonrechter wijst alleen een gedeelte van de gevorderde huurprijsvermindering toe. De andere vorderingen worden afgewezen. 3 De beoordeling 3.1 De kantonrechter zal eerst vaststellen aan welke normen moet worden getoetst. Daarna wordt eerst beoordeeld of de huidige warmtepomp aan die normen voldoet en vervolgens of de eerdere warmtepompen aan die normen voldeden. De geluidsoverlast zal worden getoetst aan het Bouwbesluit en voor de vraag of er voldoende wordt verwarmd wordt aangesloten bij het Beleidsboek 3.2 [eiser] en ASR zijn het oneens over welke geluidsnorm moet worden gebruikt bij het beantwoorden van de vraag of een warmtepomp dusdanige geluidsoverlast veroorzaakt dat sprake is van een gebrek (en [eiser] daarom recht heeft op een huurprijsvermindering). [eiser] neemt het standpunt in dat door de voortdurende geluidsoverlast van de warmtepomp(en) sprake is van een categorie C gebrek uit het Beleidsboek gebreken van de Huurcommissie (‘het Beleidsboek’). In het Beleidsboek staat kortgezegd dat er sprake is van ernstige geluidsoverlast als het geluid dat een warmtepomp maakt, meer dan 30dB meet in de slaapkamer. ASR is het hier niet mee eens en neemt het standpunt in dat de geluidsnormen uit het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) van toepassing zijn. 3.3 Het standpunt van ASR met betrekking tot de geluidsnormen wordt gevolgd. De kantonrechter is niet gebonden aan het Beleidsboek van de Huurcommissie en ASR hoeft zich alleen aan de geluidsnormen in het Bouwbesluit te houden. Daarin staat samengevat dat bij nieuwbouw het geluid van een warmtepomp niet meer dan 30 dB mag zijn in verblijfsruimtes, zoals slaapkamers. In dit geval is sprake van bestaande bouw en dan geldt artikel 3.10 van het Bouwbesluit, waarin staat dat de norm dan 10 dB hoger is, dus 40 dB. 3.4 Partijen zijn het erover eens dat voor de vraag of de woning voldoende wordt verwarmd kan worden aangesloten bij de normen uit het Beleidsboek, zodat de kantonrechter daarvan uit zal gaan. De vorderingen tot herstel van de gebreken aan de warmtepomp en radiatoren en de huurprijsvermindering vanaf 1 september 2025 worden afgewezen 3.5 [eiser] vordert kortgezegd dat ASR gebreken aan de warmtepomp (en radiatoren) herstelt en hij wil daaraan een dwangsom verbinden van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00. [eiser] wil ook dat de huur voor de woning vanaf 1 september 2025 wordt vastgesteld op € 503,89 per maand. Hij baseert deze vorderingen op artikelen 7:204, 7:206 en 7:207 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’). Deze vorderingen worden afgewezen, omdat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat de huidige warmtepomp en radiatoren gebrekkig zijn. Geen geluidsoverlast van de huidige warmtepomp 3.6 [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevuld dat sinds de warmtepomp in september 2025 is geïnstalleerd er 6 keer een monteur van [bedrijf] langs geweest is en dat de pomp nog steeds lawaai maakt. Uit de uitdraai van [bedrijf] die ASR heeft overgelegd blijkt dat [eiser] op 20 oktober 2025 heeft geklaagd over het lawaai dat de nieuwe warmtepomp maakt en dat [bedrijf] daarvoor op 23 en 28 oktober en 12 november 2025 is langs geweest. Alleen van het bezoek op 23 oktober 2025 heeft ASR een werkbon overgelegd. Daarop staat dat is geconstateerd dat de aansluiting van de slangkoppeling tegen het frame zat en dat dat is verholpen, en tevens de kabel ventilator is vrijgelegd en de schuimdeksel is rechtgezet. In de uitdraai staat bij het bezoek van 28 oktober 2025: ‘Toestel gecontroleerd i.v.m een lawaaiklacht. Ik heb dit geconstateerd als de compressor tussen de 5.800 rpm tot 6.000 draait dus dit stukje bij d’ . Daar eindigt de tekst. Volgens ASR luidt de volledige tekst: ‘ Toestel gecontroleerd i.v.m een lawaaiklacht. Ik heb dit geconstateerd als de compressor tussen de 5.800 rpm tot 6.000 draait dus dit stukje bij de instellingen aangepast. Tevens de stille modus geactiveerd van 20.00 uur tot 7.00 uur. Na de aanpassingen geen lawaai meer geconstateerd ’. [eiser] heeft niet gezegd dat dit niet de juiste tekst is. In de uitdraai staat bij 3 november 2025: ‘Eerdere geluidsklacht niet verholpen graag sammer plannen ’. Daarna bij 12 november 2025: ‘ Pomp van de ketel was vervangen niet terug gezet naar de juiste stand, dit hersteld en unit in orde bevonden ’. ASR heeft een e-mail van [bedrijf] overgelegd waaruit volgt dat [eiser] na 12 november 2025 geen meldingen meer heeft gedaan en dus ook geen werkzaamheden meer zijn uitgevoerd aan de warmtepomp. Dat [eiser] nog wel meldingen heeft gedaan, heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd. Dat betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat dat de situatie na 12 november 2025 niet meer is gewijzigd. 3.7 [eiser] heeft niet voldoende onderbouwd dat de huidige warmtepomp die in september 2025 is geplaatst in de woning nog steeds voor onacceptabele geluidsoverlast zorgt. Zowel [eiser] als [bedrijf] hebben na 12 november 2025 geluidsmetingen uitgevoerd. [bedrijf] is namens ASR op 13 maart 2026 langs geweest bij [eiser] voor een controle van de warmtepomp en een geluidsmeting. Uit het rapport van [bedrijf] volgt dat de warmtepomp voldoet aan de geluidsnormen van het Bouwbesluit. De metingen zijn gedaan op de slaapkamer, terwijl de warmtepomp op het maximale toerental van de compressor en ventilator werkte, met de geluidsdeur van de warmtepomp open én dicht. [eiser] was bij iedere meting aanwezig.
Volledig
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling in twijfel getrokken of de meetapparatuur van [bedrijf] geijkt was, maar op de foto’s in het rapport is te zien dat een (professionele) decibelmeter gebruikt is bij de metingen en zonder verdere toelichting/uitleg van [eiser] ziet de kantonrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de uitkomsten zoals die in het rapport van [bedrijf] staan. De metingen die [eiser] zelf heeft uitgevoerd laten immers ook geen overschrijding van de waarde van 40dB in de slaapkamer zien. Omdat de situatie na 12 november 2025 niet meer is veranderd betekent dat dat de klachten over geluidsoverlast die [eiser] op 20 oktober 2025 heeft gemeld op 12 november 2025 definitief zijn verholpen. Dat daarvoor drie bezoeken in ruim drie weken nodig waren is vervelend, maar onvoldoende om te oordelen dat ASR niet voldoende voortvarend heeft gehandeld naar aanleiding van de meldingen van [eiser] , waardoor [eiser] recht zou hebben op huurprijsvermindering. De woning van [eiser] wordt voldoende verwarmd 3.8 [eiser] heeft ook niet voldoende onderbouwd dat de huidige warmtepomp en radiatoren zijn woning onvoldoende verwarmen. [eiser] heeft foto’s overgelegd van een (analoge) thermometer en screenshots van de buitentemperatuur van 3 dagen in december 2025 en januari 2026. Daaruit zou volgens hem blijken dat bij een buitentemperatuur van – 2 °C, een temperatuur van 15 °C in het toilet wordt behaald en bij een buitentemperatuur van - 4 °C een temperatuur van 14 °C in het toilet wordt behaald. Hiermee voldoet de woning/warmtepomp volgens [eiser] niet aan de norm uit het Beleidsboek dat bij een buitentemperatuur van -10 °C een temperatuur van 15 °C moet worden gehaald in het toilet. 3.9 Als het al zo zou zijn dat de temperatuur op het toilet af en toe 14 °C is, is dat onvoldoende om te oordelen dat er sprake is van een gebrek als bedoeld in artikel 7:207 BW. Dat de norm uit het Beleidsboek van 18 °C op de slaapkamer niet wordt gehaald, blijkt niet uit de metingen die [eiser] zelf heeft gedaan. Daarbij komt dat ASR een overzicht van de temperatuur in de woning van [eiser] heeft overgelegd in de periode 31 maart 2025 tot en met 30 november 2025. Deze gegevens zien dus ook op de huidige warmtepomp. Uit het overzicht volgt dat de huidige warmtepomp de woonkamer (waar de thermostaat hangt) voldoende verwarmt en dat de temperatuur die wordt ingesteld ook wordt gehaald. 3.10 Wat betreft het gebrek aan de radiatoren heeft [eiser] gesteld dat de radiatoren moeten worden voorzien van flowmeters en niet goed zijn ingeregeld. [eiser] verwijst daartoe naar het rapport van ZNEB Expertise en Taxatie en de bijlage daarbij, het rapport van J2 Moerdijk uit 2024. J2 Moerdijk schrijft op pagina 6: “5. Naast het feit dat er gezorgd dient te worden dat de warmtepomp (eventueel bestaand of nieuw ) vlekkeloos functioneert zullen alle radiatoren ingeregeld dienen te worden op een waterhoeveelheid gebaseerd op een temperatuurverschil aanvoer-retour van 10 graden. Deze inregeling dient te geschieden met een hiervoor geschikt componenten welke inregelen mogelijk maakt en in de huidige situatie ontbreekt. Dit kan bijvoorbeeld met toepassing van een flowmeter Watts WattFlow per radiator. De gehele installatie dient ingesteld te worden op de juiste waterhoeveelheden en een rapportage beschikbaar worden gesteld. 6. Indien bovenstaande wordt uitgevoerd zoals omschreven zal de hybride combinatie kostentechnisch gunstiger uitkomen.” Hieruit volgt dus niet dat er een gebrek is aan de radiatoren, waardoor de woning onvoldoende wordt verwarmd. Dat de radiatoren beter zouden kunnen worden ingeregeld waardoor het systeem kostentechnisch gunstiger uitkomt, is geen gebrek als bedoeld in artikel 7:207 BW. Daarvoor is alleen van belang of de woning voldoende wordt verwarmd en hierboven is al geoordeeld dat zo is. Alleen huurkorting voor geluidsoverlast door de 1e warmtepomp 3.11 De kantonrechter is van oordeel dat voldoende vaststaat dat [eiser] dusdanige geluidsoverlast heeft gehad van de 1e warmtepomp die op 22 december 2022 is geplaatst dat hij op basis daarvan recht heeft op een huurprijsvermindering, alleen niet in de mate die hij vordert. Dit wordt hieronder toegelicht. 3.12 Vrijwel meteen na de plaatsing van de 1e warmtepomp kreeg [eiser] last van trillingen door de warmtepomp in de muren, trappen en verwarmingspijpen van de woning. Dit kwam doordat de condensor schuin in de warmtepomp was geplaatst en de warmtepomp rechtstreeks op de muur was geplaatst en aan de verwarmingspijpen was aangesloten. Uit de werkbonnen van [bedrijf] volgt dat de trap nog steeds meetrilde nadat een monteur langsgekomen was op 16 maart 2023: “ Klacht: Het toestel geeft een zware resonerende bromtoon door de gehele woning en de CV leidingen trillen daardoor ook mee. Diagnose: Het geluid komt met name voor in de lage toerentallen van de compressor. Uitgevoerd: Software geupdate naar versie 7 en 127 ingesteld op 4300, het geluid is nu minder, echter de trap trilt nog steeds een beetje. ” 3.13 Op 29 maart 2023 is opnieuw een monteur van [bedrijf] langsgekomen naar aanleiding van een geluidsklacht van [eiser] . Die monteur schrijft bij bevindingen: ‘Warmtepomp maakt zwaar resonantie geluid (…) ’. En bij constateringen: ‘Het leidingwerk zit behoorlijk onder spanning, de compressor staat scheef in de machine, de ene trilllingsdemper is ingedrukt terwijl de andere 2 omhoog staan’ . Uit het advies volgt dat de monteur de klachten niet heeft kunnen verhelpen;, hij adviseert een nieuwe warmtepomp op te hangen. De vervangende warmtepomp is pas in september 2023 opgehangen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [eiser] vanaf de plaatsing op 22 december 2022 tot de vervanging van de warmtepomp begin september 2023 geluidsoverlast heeft gehad door de trillingen in zijn woning. Daarvoor wordt een huurprijsvermindering van 10% van de huurprijs toegewezen over de maanden januari tot en met augustus 2023. In 3.18 staat hoeveel ASR daarvoor aan [eiser] moet betalen. 3.14 Met betrekking tot de warmtepomp die in september 2023 is geplaatst (de 2e warmtepomp) heeft [eiser] , mede gelet op de betwisting van ASR, onvoldoende aangedragen om vast te kunnen stellen dat hij daar zulke geluidsoverlast van had dat dit een huurkorting rechtvaardigt. Geen gebreken aan de vorige warmtepompen m.b.t. de verwarming van de woning 3.15 [eiser] stelt dat hij met de vorige warmtepompen zijn woning onvoldoende warm kreeg, maar deze stelling heeft hij, mede gelet op de betwisting door ASR, onvoldoende onderbouwd. ASR heeft onbetwist aangevoerd dat als de warmtepomp de woning niet (voldoende) kon verwarmen de Cv-ketel dit overnam. Dat de Cv-ketel niet goed werkte heeft [eiser] niet gesteld en volgt ook nergens uit. Uit het rapport van 17 juli 2024 van de deskundige die [eiser] heeft ingehuurd (ZNEB) volgt daarnaast dat de woning met die verwarmingsinstallatie voldoende kon worden verwarmd. In het rapport staat namelijk: " De ontwerptemperaturen, zoals in het Gebrekenboek Huurcommissie, ook online, bij Hoofdstuk 4.3. op bladzijde 26 worden genoemden, kunnen met de huidige verwarmingsinstallatie worden bereikt. Er is derhalve geen sprake van een ernstig gebrek aan de huurwoning ." 3.16 Daarnaast heeft ASR de temperatuurloggegevens over de periode 3 april 2024 tot en met 31 maart 2025 overgelegd. Daaruit volgt kortgezegd dat woning voldoende warm werd en de temperatuur goed was in te stellen. [eiser] heeft hier tijdens de mondelinge behandeling tegenover gezet dat de temperatuur bij de thermostaat in de woonkamer wordt gemeten en dat de gewenste temperatuur in andere ruimtes niet wordt gehaald, maar hij heeft dit niet onderbouwd. Geen gebreken aan de radiatoren 3.17 Zoals in 3.10 al staat heeft [eiser] gesteld dat de radiatoren niet goed waren ingeregeld en dit een gebrek is. Hierboven is besproken dat [eiser] de woning voldoende warm kreeg met de toenmalige installatie (warmtepomp plus radiatoren). Een gebrek op dit punt kan dus niet worden vastgesteld.
Volledig
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling in twijfel getrokken of de meetapparatuur van [bedrijf] geijkt was, maar op de foto’s in het rapport is te zien dat een (professionele) decibelmeter gebruikt is bij de metingen en zonder verdere toelichting/uitleg van [eiser] ziet de kantonrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de uitkomsten zoals die in het rapport van [bedrijf] staan. De metingen die [eiser] zelf heeft uitgevoerd laten immers ook geen overschrijding van de waarde van 40dB in de slaapkamer zien. Omdat de situatie na 12 november 2025 niet meer is veranderd betekent dat dat de klachten over geluidsoverlast die [eiser] op 20 oktober 2025 heeft gemeld op 12 november 2025 definitief zijn verholpen. Dat daarvoor drie bezoeken in ruim drie weken nodig waren is vervelend, maar onvoldoende om te oordelen dat ASR niet voldoende voortvarend heeft gehandeld naar aanleiding van de meldingen van [eiser] , waardoor [eiser] recht zou hebben op huurprijsvermindering. De woning van [eiser] wordt voldoende verwarmd 3.8 [eiser] heeft ook niet voldoende onderbouwd dat de huidige warmtepomp en radiatoren zijn woning onvoldoende verwarmen. [eiser] heeft foto’s overgelegd van een (analoge) thermometer en screenshots van de buitentemperatuur van 3 dagen in december 2025 en januari 2026. Daaruit zou volgens hem blijken dat bij een buitentemperatuur van – 2 °C, een temperatuur van 15 °C in het toilet wordt behaald en bij een buitentemperatuur van - 4 °C een temperatuur van 14 °C in het toilet wordt behaald. Hiermee voldoet de woning/warmtepomp volgens [eiser] niet aan de norm uit het Beleidsboek dat bij een buitentemperatuur van -10 °C een temperatuur van 15 °C moet worden gehaald in het toilet. 3.9 Als het al zo zou zijn dat de temperatuur op het toilet af en toe 14 °C is, is dat onvoldoende om te oordelen dat er sprake is van een gebrek als bedoeld in artikel 7:207 BW. Dat de norm uit het Beleidsboek van 18 °C op de slaapkamer niet wordt gehaald, blijkt niet uit de metingen die [eiser] zelf heeft gedaan. Daarbij komt dat ASR een overzicht van de temperatuur in de woning van [eiser] heeft overgelegd in de periode 31 maart 2025 tot en met 30 november 2025. Deze gegevens zien dus ook op de huidige warmtepomp. Uit het overzicht volgt dat de huidige warmtepomp de woonkamer (waar de thermostaat hangt) voldoende verwarmt en dat de temperatuur die wordt ingesteld ook wordt gehaald. 3.10 Wat betreft het gebrek aan de radiatoren heeft [eiser] gesteld dat de radiatoren moeten worden voorzien van flowmeters en niet goed zijn ingeregeld. [eiser] verwijst daartoe naar het rapport van ZNEB Expertise en Taxatie en de bijlage daarbij, het rapport van J2 Moerdijk uit 2024. J2 Moerdijk schrijft op pagina 6: “5. Naast het feit dat er gezorgd dient te worden dat de warmtepomp (eventueel bestaand of nieuw ) vlekkeloos functioneert zullen alle radiatoren ingeregeld dienen te worden op een waterhoeveelheid gebaseerd op een temperatuurverschil aanvoer-retour van 10 graden. Deze inregeling dient te geschieden met een hiervoor geschikt componenten welke inregelen mogelijk maakt en in de huidige situatie ontbreekt. Dit kan bijvoorbeeld met toepassing van een flowmeter Watts WattFlow per radiator. De gehele installatie dient ingesteld te worden op de juiste waterhoeveelheden en een rapportage beschikbaar worden gesteld. 6. Indien bovenstaande wordt uitgevoerd zoals omschreven zal de hybride combinatie kostentechnisch gunstiger uitkomen.” Hieruit volgt dus niet dat er een gebrek is aan de radiatoren, waardoor de woning onvoldoende wordt verwarmd. Dat de radiatoren beter zouden kunnen worden ingeregeld waardoor het systeem kostentechnisch gunstiger uitkomt, is geen gebrek als bedoeld in artikel 7:207 BW. Daarvoor is alleen van belang of de woning voldoende wordt verwarmd en hierboven is al geoordeeld dat zo is. Alleen huurkorting voor geluidsoverlast door de 1e warmtepomp 3.11 De kantonrechter is van oordeel dat voldoende vaststaat dat [eiser] dusdanige geluidsoverlast heeft gehad van de 1e warmtepomp die op 22 december 2022 is geplaatst dat hij op basis daarvan recht heeft op een huurprijsvermindering, alleen niet in de mate die hij vordert. Dit wordt hieronder toegelicht. 3.12 Vrijwel meteen na de plaatsing van de 1e warmtepomp kreeg [eiser] last van trillingen door de warmtepomp in de muren, trappen en verwarmingspijpen van de woning. Dit kwam doordat de condensor schuin in de warmtepomp was geplaatst en de warmtepomp rechtstreeks op de muur was geplaatst en aan de verwarmingspijpen was aangesloten. Uit de werkbonnen van [bedrijf] volgt dat de trap nog steeds meetrilde nadat een monteur langsgekomen was op 16 maart 2023: “ Klacht: Het toestel geeft een zware resonerende bromtoon door de gehele woning en de CV leidingen trillen daardoor ook mee. Diagnose: Het geluid komt met name voor in de lage toerentallen van de compressor. Uitgevoerd: Software geupdate naar versie 7 en 127 ingesteld op 4300, het geluid is nu minder, echter de trap trilt nog steeds een beetje. ” 3.13 Op 29 maart 2023 is opnieuw een monteur van [bedrijf] langsgekomen naar aanleiding van een geluidsklacht van [eiser] . Die monteur schrijft bij bevindingen: ‘Warmtepomp maakt zwaar resonantie geluid (…) ’. En bij constateringen: ‘Het leidingwerk zit behoorlijk onder spanning, de compressor staat scheef in de machine, de ene trilllingsdemper is ingedrukt terwijl de andere 2 omhoog staan’ . Uit het advies volgt dat de monteur de klachten niet heeft kunnen verhelpen;, hij adviseert een nieuwe warmtepomp op te hangen. De vervangende warmtepomp is pas in september 2023 opgehangen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [eiser] vanaf de plaatsing op 22 december 2022 tot de vervanging van de warmtepomp begin september 2023 geluidsoverlast heeft gehad door de trillingen in zijn woning. Daarvoor wordt een huurprijsvermindering van 10% van de huurprijs toegewezen over de maanden januari tot en met augustus 2023. In 3.18 staat hoeveel ASR daarvoor aan [eiser] moet betalen. 3.14 Met betrekking tot de warmtepomp die in september 2023 is geplaatst (de 2e warmtepomp) heeft [eiser] , mede gelet op de betwisting van ASR, onvoldoende aangedragen om vast te kunnen stellen dat hij daar zulke geluidsoverlast van had dat dit een huurkorting rechtvaardigt. Geen gebreken aan de vorige warmtepompen m.b.t. de verwarming van de woning 3.15 [eiser] stelt dat hij met de vorige warmtepompen zijn woning onvoldoende warm kreeg, maar deze stelling heeft hij, mede gelet op de betwisting door ASR, onvoldoende onderbouwd. ASR heeft onbetwist aangevoerd dat als de warmtepomp de woning niet (voldoende) kon verwarmen de Cv-ketel dit overnam. Dat de Cv-ketel niet goed werkte heeft [eiser] niet gesteld en volgt ook nergens uit. Uit het rapport van 17 juli 2024 van de deskundige die [eiser] heeft ingehuurd (ZNEB) volgt daarnaast dat de woning met die verwarmingsinstallatie voldoende kon worden verwarmd. In het rapport staat namelijk: " De ontwerptemperaturen, zoals in het Gebrekenboek Huurcommissie, ook online, bij Hoofdstuk 4.3. op bladzijde 26 worden genoemden, kunnen met de huidige verwarmingsinstallatie worden bereikt. Er is derhalve geen sprake van een ernstig gebrek aan de huurwoning ." 3.16 Daarnaast heeft ASR de temperatuurloggegevens over de periode 3 april 2024 tot en met 31 maart 2025 overgelegd. Daaruit volgt kortgezegd dat woning voldoende warm werd en de temperatuur goed was in te stellen. [eiser] heeft hier tijdens de mondelinge behandeling tegenover gezet dat de temperatuur bij de thermostaat in de woonkamer wordt gemeten en dat de gewenste temperatuur in andere ruimtes niet wordt gehaald, maar hij heeft dit niet onderbouwd. Geen gebreken aan de radiatoren 3.17 Zoals in 3.10 al staat heeft [eiser] gesteld dat de radiatoren niet goed waren ingeregeld en dit een gebrek is. Hierboven is besproken dat [eiser] de woning voldoende warm kreeg met de toenmalige installatie (warmtepomp plus radiatoren). Een gebrek op dit punt kan dus niet worden vastgesteld.
Volledig
ASR moet [eiser] € 878,58 betalen 3.18 De huur die [eiser] in de periode januari 2023 tot en met juni 2023 moest betalen was € 1.087,14 per maand en in de periode juli en augustus 2023 was dit € 1.131,51. Dit betekent dat ASR € 878,58 moet betalen vanwege de geluidsoverlast die [eiser] in zijn woning heeft gehad door de trillingen van de warmtepomp. De gevorderde rente hierover wordt zoals gevorderd toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Gelet op wat hiervoor is besproken ziet de kantonrechter geen aanleiding om een huurkorting toe te wijzen voor de andere punten die [eiser] heeft aangedragen. Hogere lasten 3.19 [eiser] heeft ook gesteld dat hij hogere energielasten heeft door het niet goed werken van de warmtepomp(en). Als dat al zo zou zijn heeft [eiser] geen compensatie voor hogere energielasten in deze procedure gevorderd en daarbij komt dat hij hiervoor al is gecompenseerd door [bedrijf] . Buitengerechtelijke incassokosten 3.20 [eiser] vordert vergoeding van € 999,34 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarbij wordt aangesloten bij het toegewezen bedrag. Daarom zal een bedrag van € 131,79 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, waarover de wettelijke rente is verschuldigd met ingang van de datum van de dagvaarding. ASR moet de proceskosten betalen 3.21 ASR is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat een gedeelte van de vordering wordt afgewezen, dient het griffierecht voor zover dit een bedrag van € 90,00 te boven gaat, als nodeloos veroorzaakt voor rekening van [eiser] te blijven. 3.22 De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 148,04 - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 288,00 (2 punten × € 144,00) - nakosten € 72,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 598,04. 3.23 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Uitvoerbaar bij voorraad 3.24 De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 verklaart voor recht dat [eiser] recht heeft op een huurkorting van 10% over de maanden januari tot en met augustus 2023, 4.2 veroordeelt ASR om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 878,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 12 september 2025, tot de dag van volledige betaling, 4.3 veroordeelt ASR om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 131,79 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 12 september 2025, tot de dag van volledige betaling, 4.4 veroordeelt ASR in de proceskosten van € 598,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als ASR niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.5 veroordeelt ASR tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 4.6 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.7 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. 61312 Productie 12 van ASR Productie 14 van [eiser] en productie 15 van ASR. Productie 15 van [eiser] . Productie 10 van ASR. Productie 6 van [eiser] . Productie 7 van [eiser] . Productie 12 van [eiser] Pagina 9 van het rapport van ZNEB (productie 6 van [eiser] ). Productie 8 van ASR. Punt 2.18. van de dagvaarding. (6 x (€ 1.087,14 x 0,1) = € 652,28) + (2 x (€ 1.131,51 x 0,1) = € 226,30) = 878,58
Volledig
ASR moet [eiser] € 878,58 betalen 3.18 De huur die [eiser] in de periode januari 2023 tot en met juni 2023 moest betalen was € 1.087,14 per maand en in de periode juli en augustus 2023 was dit € 1.131,51. Dit betekent dat ASR € 878,58 moet betalen vanwege de geluidsoverlast die [eiser] in zijn woning heeft gehad door de trillingen van de warmtepomp. De gevorderde rente hierover wordt zoals gevorderd toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Gelet op wat hiervoor is besproken ziet de kantonrechter geen aanleiding om een huurkorting toe te wijzen voor de andere punten die [eiser] heeft aangedragen. Hogere lasten 3.19 [eiser] heeft ook gesteld dat hij hogere energielasten heeft door het niet goed werken van de warmtepomp(en). Als dat al zo zou zijn heeft [eiser] geen compensatie voor hogere energielasten in deze procedure gevorderd en daarbij komt dat hij hiervoor al is gecompenseerd door [bedrijf] . Buitengerechtelijke incassokosten 3.20 [eiser] vordert vergoeding van € 999,34 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarbij wordt aangesloten bij het toegewezen bedrag. Daarom zal een bedrag van € 131,79 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, waarover de wettelijke rente is verschuldigd met ingang van de datum van de dagvaarding. ASR moet de proceskosten betalen 3.21 ASR is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat een gedeelte van de vordering wordt afgewezen, dient het griffierecht voor zover dit een bedrag van € 90,00 te boven gaat, als nodeloos veroorzaakt voor rekening van [eiser] te blijven. 3.22 De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 148,04 - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 288,00 (2 punten × € 144,00) - nakosten € 72,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 598,04. 3.23 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Uitvoerbaar bij voorraad 3.24 De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 verklaart voor recht dat [eiser] recht heeft op een huurkorting van 10% over de maanden januari tot en met augustus 2023, 4.2 veroordeelt ASR om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 878,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 12 september 2025, tot de dag van volledige betaling, 4.3 veroordeelt ASR om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 131,79 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 12 september 2025, tot de dag van volledige betaling, 4.4 veroordeelt ASR in de proceskosten van € 598,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als ASR niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.5 veroordeelt ASR tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 4.6 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.7 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. 61312 Productie 12 van ASR Productie 14 van [eiser] en productie 15 van ASR. Productie 15 van [eiser] . Productie 10 van ASR. Productie 6 van [eiser] . Productie 7 van [eiser] . Productie 12 van [eiser] Pagina 9 van het rapport van ZNEB (productie 6 van [eiser] ). Productie 8 van ASR. Punt 2.18. van de dagvaarding. (6 x (€ 1.087,14 x 0,1) = € 652,28) + (2 x (€ 1.131,51 x 0,1) = € 226,30) = 878,58