Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-15
ECLI:NL:RBMNE:2026:1894
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,661 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1894 text/xml public 2026-04-28T15:01:29 2026-04-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-15 C/16/590414 / HL ZA 25-71 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1894 text/html public 2026-04-28T15:01:08 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1894 Rechtbank Midden-Nederland , 15-04-2026 / C/16/590414 / HL ZA 25-71 Eindvonnis. Bewijsopdrachten niet geslaagd. Afwijzing vordering tot bijdrage onderhoudskosten parkeerterrein. RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: C/16/590414 / HL ZA 25-71 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eiser] ” , te [plaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. H.J.G. Braakhuis, tegen [gedaagde] ” , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] advocaat: mr. X.H.C. Woodhouse. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 24 december 2025; - de akte van [eiser] met producties 1 tot en met 4; - de antwoordakte van [gedaagde] . 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling In conventie 2.1 In conventie vordert [eiser] betaling van € 32.980,33, zijnde de helft van de kosten van onderhoud dat zij heeft laten uitvoeren aan het parkeerterrein. [eiser] heeft niet bewezen dat het herbestraten van meer dan 25% van het parkeerterrein redelijkerwijs noodzakelijk was 2.2 In het tussenvonnis van 24 december 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het begrip ‘onderhoud’ beperkt moet worden opgevat. [gedaagde] hoeft alleen mee te betalen aan de kosten van het herbestraten van het parkeerterrein en het aanbrengen van belijning en mits vaststaat dat dit redelijkerwijs noodzakelijk was. Aan extra voorzieningen zoals slagbomen, groenvoorzieningen, parkeerpaaltjes, biggenruggen en lichtmasten hoeft [gedaagde] niet mee te betalen. 2.3 De rechtbank heeft [eiser] toegelaten te bewijzen dat het herbestraten van meer dan 25% van het parkeerterrein redelijkerwijs noodzakelijk was. [eiser] heeft bij akte als productie 1 tot en met 3 een aantal foto’s overgelegd. Hierop is te zien dat er door wortelvorming bestrating (klinkers) omhoog worden gedrukt rondom de bomen op het midden van het parkeerterrein. Dat er op die plek herbestraat moest worden en dat dit ongeveer 25% van het parkeerterrein betrof, daar zijn partijen het over eens en is in het tussenvonnis al vastgesteld. Uit de foto’s volgt echter niet dat de bestrating op de rest van het parkeerterrein in zodanig slechte staat verkeerde dat daar ook herbestrating redelijkerwijs noodzakelijk was. De bestrating ziet er op de rest van het parkeerterrein weliswaar verweerd uit, maar over het algemeen vlak en geschikt om te gebruiken om te parkeren. [eiser] stelt hierover ook niet meer dan dat er in algemene zin nut en noodzaak bestond om tot het herbestraten van het gehele terrein over te gaan. Dit is onvoldoende en strookt ook niet met de overgelegde foto’s. 2.4 De conclusie is dat [eiser] niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat slechts het herbestraten van 25% van het parkeerterrein redelijkerwijs noodzakelijk was. [eiser] heeft niet voldoende onderbouwd welke kosten zijn gemaakt voor het herbestraten en de belijning en of deze kosten marktconform zijn 2.5 In het tussenvonnis heeft de rechtbank [eiser] vervolgens bevolen toe te lichten welke kosten de aannemer haar in rekening heeft gebracht voor (alleen) het herbestraten en het aanbrengen van belijning, omdat de rechtbank dit uit de overgelegde facturen niet kan afleiden. Bij voorkeur door het overleggen van een toelichting van de aannemer, waarin aan de hand van de facturen wordt toegelicht welke onderdelen daarvan zien op het straatwerk en de belijning. 2.6 [eiser] heeft geen toelichting van haar aannemer overgelegd, maar heeft volstaan met het overleggen van facturen. De rechtbank kan daaruit nog steeds niet afleiden welke posten zien op het herbestraten en de belijning, en welke posten niet. De enkele stelling van [eiser] dat alle posten daarop zien, met uitzondering van de posten ‘lichtmasten’ en ‘betonnen zitbank’, is niet voldoende. Onder de overige posten bevinden zich immers nog steeds posten als ‘taxus haag’, ‘biggenruggen’, ‘uitneembare palen’ en ‘groenafval afvoeren’. Dit zijn geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Bovendien is niet duidelijk hoe de overige posten – zoals de in rekening gebrachte manuren – zich tot deze posten verhouden. Ook voert [gedaagde] terecht aan dat [eiser] weliswaar stelt dat de kosten voor de slagboom niet in deze facturen zijn opgenomen, maar zij daarvan geen aparte factuur heeft overgelegd waarmee dat wordt aangetoond. 2.7 In het tussenvonnis heeft de rechtbank tot slot geoordeeld dat op [gedaagde] enkel een verbintenis rust tot het bijdragen aan de kosten van herbestraten en belijning voor zover die kosten marktconform zijn. [eiser] is – gelet op de betwisting van [gedaagde] – toegelaten te bewijzen dat de in rekening gebrachte kosten marktconform zijn. Bijvoorbeeld door het overleggen van offertes van andere aannemers voor hetzelfde werk en met dezelfde peildatum. [eiser] is hier in haar akte in het geheel niet op ingegaan, zodat zij niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. 2.8 Het voorgaande betekent dat niet duidelijk is geworden welke kosten aan [eiser] in rekening zijn gebracht voor het herbestraten en het aanbrengen van belijning. Voor zover dit al duidelijk zou zijn geworden, heeft [eiser] niet bewezen dat die kosten marktconform zijn. Dit komt voor risico van [eiser] . Haar vordering tot betaling van de helft van de onderhoudskosten wordt daarom volledig afgewezen. De gevorderde wettelijke rente wordt als nevenvordering ook afgewezen. [eiser] krijgt niet nogmaals de kans om getuigen te horen 2.9 In het tussenvonnis is bepaald dat, als [eiser] (mede) bewijs wil leveren door middel van het doen horen van getuigen, zij de namen, woonplaatsen en verhinderdata van de getuigen moet opgeven. [eiser] heeft dit niet gedaan. Zij heeft enkel aangeboden bepaalde getuigen te horen als zij onvoldoende bewijs heeft geleverd. De rechtbank gaat daarin niet mee. Door op deze wijze te handelen, heeft [eiser] ervoor gekozen geen getuigen te horen met betrekking tot de aan haar verstrekte bewijsopdracht. [eiser] krijgt niet nogmaals de kans om getuigen te horen. [eiser] moet de proceskosten in conventie betalen 2.10 [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 2.995,00 - salaris advocaat € 2.090,00 (2,5 punten × € 836,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.274,00 In reconventie De tegenvorderingen van [gedaagde] worden afgewezen 2.11 In het tussenvonnis zijn de tegenvorderingen van [gedaagde] beoordeeld en is overwogen dat deze zullen worden afgewezen. Deze vorderingen worden hierna onder de beslissing dan ook afgewezen. [gedaagde] moet de proceskosten in reconventie betalen 2.12 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1894 text/xml public 2026-04-28T15:01:29 2026-04-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-15 C/16/590414 / HL ZA 25-71 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1894 text/html public 2026-04-28T15:01:08 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1894 Rechtbank Midden-Nederland , 15-04-2026 / C/16/590414 / HL ZA 25-71 Eindvonnis. Bewijsopdrachten niet geslaagd. Afwijzing vordering tot bijdrage onderhoudskosten parkeerterrein. RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: C/16/590414 / HL ZA 25-71 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [eiser] ” , te [plaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. H.J.G. Braakhuis, tegen [gedaagde] ” , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] advocaat: mr. X.H.C. Woodhouse. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 24 december 2025; - de akte van [eiser] met producties 1 tot en met 4; - de antwoordakte van [gedaagde] . 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling In conventie 2.1 In conventie vordert [eiser] betaling van € 32.980,33, zijnde de helft van de kosten van onderhoud dat zij heeft laten uitvoeren aan het parkeerterrein. [eiser] heeft niet bewezen dat het herbestraten van meer dan 25% van het parkeerterrein redelijkerwijs noodzakelijk was 2.2 In het tussenvonnis van 24 december 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het begrip ‘onderhoud’ beperkt moet worden opgevat. [gedaagde] hoeft alleen mee te betalen aan de kosten van het herbestraten van het parkeerterrein en het aanbrengen van belijning en mits vaststaat dat dit redelijkerwijs noodzakelijk was. Aan extra voorzieningen zoals slagbomen, groenvoorzieningen, parkeerpaaltjes, biggenruggen en lichtmasten hoeft [gedaagde] niet mee te betalen. 2.3 De rechtbank heeft [eiser] toegelaten te bewijzen dat het herbestraten van meer dan 25% van het parkeerterrein redelijkerwijs noodzakelijk was. [eiser] heeft bij akte als productie 1 tot en met 3 een aantal foto’s overgelegd. Hierop is te zien dat er door wortelvorming bestrating (klinkers) omhoog worden gedrukt rondom de bomen op het midden van het parkeerterrein. Dat er op die plek herbestraat moest worden en dat dit ongeveer 25% van het parkeerterrein betrof, daar zijn partijen het over eens en is in het tussenvonnis al vastgesteld. Uit de foto’s volgt echter niet dat de bestrating op de rest van het parkeerterrein in zodanig slechte staat verkeerde dat daar ook herbestrating redelijkerwijs noodzakelijk was. De bestrating ziet er op de rest van het parkeerterrein weliswaar verweerd uit, maar over het algemeen vlak en geschikt om te gebruiken om te parkeren. [eiser] stelt hierover ook niet meer dan dat er in algemene zin nut en noodzaak bestond om tot het herbestraten van het gehele terrein over te gaan. Dit is onvoldoende en strookt ook niet met de overgelegde foto’s. 2.4 De conclusie is dat [eiser] niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat slechts het herbestraten van 25% van het parkeerterrein redelijkerwijs noodzakelijk was. [eiser] heeft niet voldoende onderbouwd welke kosten zijn gemaakt voor het herbestraten en de belijning en of deze kosten marktconform zijn 2.5 In het tussenvonnis heeft de rechtbank [eiser] vervolgens bevolen toe te lichten welke kosten de aannemer haar in rekening heeft gebracht voor (alleen) het herbestraten en het aanbrengen van belijning, omdat de rechtbank dit uit de overgelegde facturen niet kan afleiden. Bij voorkeur door het overleggen van een toelichting van de aannemer, waarin aan de hand van de facturen wordt toegelicht welke onderdelen daarvan zien op het straatwerk en de belijning. 2.6 [eiser] heeft geen toelichting van haar aannemer overgelegd, maar heeft volstaan met het overleggen van facturen. De rechtbank kan daaruit nog steeds niet afleiden welke posten zien op het herbestraten en de belijning, en welke posten niet. De enkele stelling van [eiser] dat alle posten daarop zien, met uitzondering van de posten ‘lichtmasten’ en ‘betonnen zitbank’, is niet voldoende. Onder de overige posten bevinden zich immers nog steeds posten als ‘taxus haag’, ‘biggenruggen’, ‘uitneembare palen’ en ‘groenafval afvoeren’. Dit zijn geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Bovendien is niet duidelijk hoe de overige posten – zoals de in rekening gebrachte manuren – zich tot deze posten verhouden. Ook voert [gedaagde] terecht aan dat [eiser] weliswaar stelt dat de kosten voor de slagboom niet in deze facturen zijn opgenomen, maar zij daarvan geen aparte factuur heeft overgelegd waarmee dat wordt aangetoond. 2.7 In het tussenvonnis heeft de rechtbank tot slot geoordeeld dat op [gedaagde] enkel een verbintenis rust tot het bijdragen aan de kosten van herbestraten en belijning voor zover die kosten marktconform zijn. [eiser] is – gelet op de betwisting van [gedaagde] – toegelaten te bewijzen dat de in rekening gebrachte kosten marktconform zijn. Bijvoorbeeld door het overleggen van offertes van andere aannemers voor hetzelfde werk en met dezelfde peildatum. [eiser] is hier in haar akte in het geheel niet op ingegaan, zodat zij niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. 2.8 Het voorgaande betekent dat niet duidelijk is geworden welke kosten aan [eiser] in rekening zijn gebracht voor het herbestraten en het aanbrengen van belijning. Voor zover dit al duidelijk zou zijn geworden, heeft [eiser] niet bewezen dat die kosten marktconform zijn. Dit komt voor risico van [eiser] . Haar vordering tot betaling van de helft van de onderhoudskosten wordt daarom volledig afgewezen. De gevorderde wettelijke rente wordt als nevenvordering ook afgewezen. [eiser] krijgt niet nogmaals de kans om getuigen te horen 2.9 In het tussenvonnis is bepaald dat, als [eiser] (mede) bewijs wil leveren door middel van het doen horen van getuigen, zij de namen, woonplaatsen en verhinderdata van de getuigen moet opgeven. [eiser] heeft dit niet gedaan. Zij heeft enkel aangeboden bepaalde getuigen te horen als zij onvoldoende bewijs heeft geleverd. De rechtbank gaat daarin niet mee. Door op deze wijze te handelen, heeft [eiser] ervoor gekozen geen getuigen te horen met betrekking tot de aan haar verstrekte bewijsopdracht. [eiser] krijgt niet nogmaals de kans om getuigen te horen. [eiser] moet de proceskosten in conventie betalen 2.10 [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 2.995,00 - salaris advocaat € 2.090,00 (2,5 punten × € 836,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.274,00 In reconventie De tegenvorderingen van [gedaagde] worden afgewezen 2.11 In het tussenvonnis zijn de tegenvorderingen van [gedaagde] beoordeeld en is overwogen dat deze zullen worden afgewezen. Deze vorderingen worden hierna onder de beslissing dan ook afgewezen. [gedaagde] moet de proceskosten in reconventie betalen 2.12 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.