Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-14
ECLI:NL:RBMNE:2026:1887
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,401 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1887 text/xml public 2026-04-29T10:15:47 2026-04-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-14 12042997 \ LE VERZ 26-4 AW/1583 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1887 text/html public 2026-04-29T10:15:01 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1887 Rechtbank Midden-Nederland , 14-04-2026 / 12042997 \ LE VERZ 26-4 AW/1583 Ontslag op staande voet houdt geen stand. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Toevoeging: [verzoeker] , kr. toev.nr. [.] Zaaknummer / rekestnummer: 12042997 \ LE VERZ 26-4 AW/1583 Beschikking van 14 april 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. D. Buisman, tegen [verweerster] V.O.F. , gevestigd te [vestigingsplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerster] V.O.F., verschenen is: [A] , vennoot. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 4 producties (ingekomen op 5 januari 2026) - de aanvullende productie 5 van [verzoeker] van 16 maart 2026. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Lelystad. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Buisman. Namens [verweerster] is verschenen [A] , vennoot van [verweerster] V.O.F. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. Mr. Buisman heeft zijn standpunt nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. [A] heeft mondeling verweer gevoerd en op de zitting een tweetal afschriften van whatsapp correspondentie in het geding gebracht. Zowel de spreekaantekeningen van mr. Buisman als de whatsapp correspondentie zijn aan het procesdossier toegevoegd. 1.3 De beschikking is bepaald op vandaag. 2 Waar gaat deze zaak over? 2.1 [verweerster] heeft [verzoeker] op of omstreeks 7 november 2025 op staande voet ontslagen omdat [verzoeker] telefonisch niet bereikbaar zou zijn en ook niet thuis was, omdat er een groot mes in de bedrijfsauto is aangetroffen en omdat er ‘alcoholische flessen’ zijn gevonden in de bedrijfsauto. [verzoeker] kan zich niet verenigen met de opzegging van de arbeidsovereenkomst en verzoekt om de opzegging te vernietigen. [verweerster] stelt dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen. De kantonrechter wijst het verzoek van [verzoeker] toe en vernietigt de opzegging. [verweerster] moet het loon van [verzoeker] tot het einde van het dienstverband (tot 31 december 2025) betalen en ook de transitievergoeding. 3 De beoordeling 3.1 Kern van het geschil is de vraag of het op of omstreeks 7 november 2025 aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. 3.2 Gelet op de in artikel 7:686a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde vervaltermijn heeft [verzoeker] het verzoek tijdig ingediend. Het ontslag op staande voet is in stand gebleven 3.3 [verweerster] heeft op de zitting meegedeeld dat zij het ontslag op staande voet zou hebben ingetrokken. Zij heeft op 5 december 2025 aan [verzoeker] via whatsapp een bericht gestuurd met de mededeling dat hij € 3.567,68 te veel aan salaris zou hebben ontvangen en of hij maandag weer kon beginnen met werken. Hieruit blijkt echter in het geheel niet dat [verweerster] het gegeven ontslag op staande voet intrekt. [verzoeker] heeft dit ook niet als zodanig opgevat. Bovendien kan een eenmaal gegeven ontslag op staande voet niet meer worden ingetrokken door [verweerster] als [verzoeker] daar niet uitdrukkelijk mee instemt. [verweerster] kan aangeven op zijn besluit terug te willen komen en proberen om met [verzoeker] nieuwe afspraken te maken, maar dat heeft [verweerster] niet gedaan. Dit betekent dat het ontslag op staande voet in stand is gebleven. Er is geen dringende reden voor een ontslag op staande voet 3.4 Een werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een opzegging op grond van artikel 7:677 lid 1 BW. In dit artikel staat dat de arbeidsovereenkomst onverwijld opgezegd kan worden om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. 3.5 Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. 3.6 De door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden fixeert de omvang van het debat tussen partijen, omdat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werknemer moet zich namelijk na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. De werkgever die een werknemer heeft ontslagen, moet in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, stellen en zo nodig bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden. 3.7 [verweerster] heeft in haar brief van 7 november 2025, die zij zoals ter zitting is vast komen te staan enige dagen later heeft verzonden, drie redenen aangevoerd waarop zij het ontslag op staande voet heeft gebaseerd. [verweerster] baseert het ontslag op staande voet op a) dat [verzoeker] telefonisch niet bereikbaar was en ook niet thuis was, b) dat er een groot mes in de bedrijfsauto is gevonden en c) dat er ‘alcoholische flessen’ zijn gevonden in de bedrijfsauto. [verweerster] heeft niet gesteld dat zij [verzoeker] ook zou hebben ontslagen op basis van slechts één van de redenen genoemd in de ontslagbrief. Het gestelde feitencomplex dat ten grondslag ligt aan de dringende reden voor het ontslag dient daarom in zijn geheel vast komen te staan. De drie gronden die [verweerster] aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd, worden hierna besproken. - niet telefonisch bereikbaar en ook niet thuis 3.8 [verzoeker] heeft zich op dinsdagavond 3 november 2025 na werktijd ziekgemeld vanwege stressklachten. Volgens [verweerster] was [verzoeker] vervolgens voor haar onbereikbaar. Op donderdag heeft [verweerster] [verzoeker] gevraagd of hij vrijdag en zaterdag kon rijden omdat zij niemand had. [verzoeker] betwist dat hij onbereikbaar was. Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het midden blijven of [verzoeker] in dit geval onbereikbaar was voor [verweerster] . Ook wanneer daarvan wordt uitgegaan, kan in de gegeven omstandigheden niet gezegd worden dat sprake is van een dringende reden in de zin van de wet. [verzoeker] heeft zich immers ziekgemeld vanwege stressklachten. [verweerster] kon vervolgens niet van [verzoeker] verwachten dat hij twee dagen daarna weer zou gaan werken en/of met [verweerster] in gesprek zou gaan zonder dat hij een bedrijfsarts had ingeschakeld. Daarnaast – als dit al wel van [verzoeker] verwacht had mogen worden – ontbreekt een schriftelijke (officiële) waarschuwing, waarin [verzoeker] wordt gewezen op de consequenties. De kantonrechter begrijpt echter dat [verweerster] zich eigenlijk beroept op werkweigering. Op zaterdag 7 november 2025 heeft [verweerster] op eigen initiatief de bedrijfsauto bij [verzoeker] opgehaald met de reservesleutel. Zij heeft toen met de vriendin van [verzoeker] gesproken. De vriendin gaf aan dat [verzoeker] zich niet lekker voelde en dat hij zou bellen als hij beter was. Daaruit heeft [verweerster] , zo begrijpt de kantonrechter uit wat er naar voren is gebracht tijdens de zitting, geconcludeerd dat [verzoeker] niet meer wilde werken. De kantonrechter heeft [verweerster] op de zitting erop gewezen dat haar arbeidsrechtelijke verplichtingen anders zijn dan de bedrijfsmatige overwegingen die [verweerster] naar voren brengt om alle ritten te kunnen verrichten.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1887 text/xml public 2026-04-29T10:15:47 2026-04-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-14 12042997 \ LE VERZ 26-4 AW/1583 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1887 text/html public 2026-04-29T10:15:01 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1887 Rechtbank Midden-Nederland , 14-04-2026 / 12042997 \ LE VERZ 26-4 AW/1583 Ontslag op staande voet houdt geen stand. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Toevoeging: [verzoeker] , kr. toev.nr. [.] Zaaknummer / rekestnummer: 12042997 \ LE VERZ 26-4 AW/1583 Beschikking van 14 april 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. D. Buisman, tegen [verweerster] V.O.F. , gevestigd te [vestigingsplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerster] V.O.F., verschenen is: [A] , vennoot. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 4 producties (ingekomen op 5 januari 2026) - de aanvullende productie 5 van [verzoeker] van 16 maart 2026. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Lelystad. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Buisman. Namens [verweerster] is verschenen [A] , vennoot van [verweerster] V.O.F. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. Mr. Buisman heeft zijn standpunt nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. [A] heeft mondeling verweer gevoerd en op de zitting een tweetal afschriften van whatsapp correspondentie in het geding gebracht. Zowel de spreekaantekeningen van mr. Buisman als de whatsapp correspondentie zijn aan het procesdossier toegevoegd. 1.3 De beschikking is bepaald op vandaag. 2 Waar gaat deze zaak over? 2.1 [verweerster] heeft [verzoeker] op of omstreeks 7 november 2025 op staande voet ontslagen omdat [verzoeker] telefonisch niet bereikbaar zou zijn en ook niet thuis was, omdat er een groot mes in de bedrijfsauto is aangetroffen en omdat er ‘alcoholische flessen’ zijn gevonden in de bedrijfsauto. [verzoeker] kan zich niet verenigen met de opzegging van de arbeidsovereenkomst en verzoekt om de opzegging te vernietigen. [verweerster] stelt dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen. De kantonrechter wijst het verzoek van [verzoeker] toe en vernietigt de opzegging. [verweerster] moet het loon van [verzoeker] tot het einde van het dienstverband (tot 31 december 2025) betalen en ook de transitievergoeding. 3 De beoordeling 3.1 Kern van het geschil is de vraag of het op of omstreeks 7 november 2025 aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. 3.2 Gelet op de in artikel 7:686a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde vervaltermijn heeft [verzoeker] het verzoek tijdig ingediend. Het ontslag op staande voet is in stand gebleven 3.3 [verweerster] heeft op de zitting meegedeeld dat zij het ontslag op staande voet zou hebben ingetrokken. Zij heeft op 5 december 2025 aan [verzoeker] via whatsapp een bericht gestuurd met de mededeling dat hij € 3.567,68 te veel aan salaris zou hebben ontvangen en of hij maandag weer kon beginnen met werken. Hieruit blijkt echter in het geheel niet dat [verweerster] het gegeven ontslag op staande voet intrekt. [verzoeker] heeft dit ook niet als zodanig opgevat. Bovendien kan een eenmaal gegeven ontslag op staande voet niet meer worden ingetrokken door [verweerster] als [verzoeker] daar niet uitdrukkelijk mee instemt. [verweerster] kan aangeven op zijn besluit terug te willen komen en proberen om met [verzoeker] nieuwe afspraken te maken, maar dat heeft [verweerster] niet gedaan. Dit betekent dat het ontslag op staande voet in stand is gebleven. Er is geen dringende reden voor een ontslag op staande voet 3.4 Een werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een opzegging op grond van artikel 7:677 lid 1 BW. In dit artikel staat dat de arbeidsovereenkomst onverwijld opgezegd kan worden om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. 3.5 Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. 3.6 De door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden fixeert de omvang van het debat tussen partijen, omdat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werknemer moet zich namelijk na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. De werkgever die een werknemer heeft ontslagen, moet in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, stellen en zo nodig bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden. 3.7 [verweerster] heeft in haar brief van 7 november 2025, die zij zoals ter zitting is vast komen te staan enige dagen later heeft verzonden, drie redenen aangevoerd waarop zij het ontslag op staande voet heeft gebaseerd. [verweerster] baseert het ontslag op staande voet op a) dat [verzoeker] telefonisch niet bereikbaar was en ook niet thuis was, b) dat er een groot mes in de bedrijfsauto is gevonden en c) dat er ‘alcoholische flessen’ zijn gevonden in de bedrijfsauto. [verweerster] heeft niet gesteld dat zij [verzoeker] ook zou hebben ontslagen op basis van slechts één van de redenen genoemd in de ontslagbrief. Het gestelde feitencomplex dat ten grondslag ligt aan de dringende reden voor het ontslag dient daarom in zijn geheel vast komen te staan. De drie gronden die [verweerster] aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd, worden hierna besproken. - niet telefonisch bereikbaar en ook niet thuis 3.8 [verzoeker] heeft zich op dinsdagavond 3 november 2025 na werktijd ziekgemeld vanwege stressklachten. Volgens [verweerster] was [verzoeker] vervolgens voor haar onbereikbaar. Op donderdag heeft [verweerster] [verzoeker] gevraagd of hij vrijdag en zaterdag kon rijden omdat zij niemand had. [verzoeker] betwist dat hij onbereikbaar was. Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het midden blijven of [verzoeker] in dit geval onbereikbaar was voor [verweerster] . Ook wanneer daarvan wordt uitgegaan, kan in de gegeven omstandigheden niet gezegd worden dat sprake is van een dringende reden in de zin van de wet. [verzoeker] heeft zich immers ziekgemeld vanwege stressklachten. [verweerster] kon vervolgens niet van [verzoeker] verwachten dat hij twee dagen daarna weer zou gaan werken en/of met [verweerster] in gesprek zou gaan zonder dat hij een bedrijfsarts had ingeschakeld. Daarnaast – als dit al wel van [verzoeker] verwacht had mogen worden – ontbreekt een schriftelijke (officiële) waarschuwing, waarin [verzoeker] wordt gewezen op de consequenties. De kantonrechter begrijpt echter dat [verweerster] zich eigenlijk beroept op werkweigering. Op zaterdag 7 november 2025 heeft [verweerster] op eigen initiatief de bedrijfsauto bij [verzoeker] opgehaald met de reservesleutel. Zij heeft toen met de vriendin van [verzoeker] gesproken. De vriendin gaf aan dat [verzoeker] zich niet lekker voelde en dat hij zou bellen als hij beter was. Daaruit heeft [verweerster] , zo begrijpt de kantonrechter uit wat er naar voren is gebracht tijdens de zitting, geconcludeerd dat [verzoeker] niet meer wilde werken. De kantonrechter heeft [verweerster] op de zitting erop gewezen dat haar arbeidsrechtelijke verplichtingen anders zijn dan de bedrijfsmatige overwegingen die [verweerster] naar voren brengt om alle ritten te kunnen verrichten.
Volledig
Zo had [verweerster] als werkgever vanwege de ziekmelding van [verzoeker] de bedrijfsarts moeten inschakelen om vast te stellen of er sprake is van arbeidsongeschiktheid of niet. Het is niet aan een werkgever om (zelf) naar een woning van een werknemer te gaan en te oordelen over de arbeidsongeschiktheid van een werknemer. Vast staat dat [verweerster] de bedrijfsarts niet heeft ingeschakeld, zodat voor zover [verweerster] meent dat er geen sprake is van ziekte maar van werkweigering, dit nergens op is gebaseerd. - groot mes en ‘alcoholische flessen’ in de bedrijfsauto 3.9 Aangezien de conclusie is dat er geen sprake is geweest van het niet bereikbaar zijn van [verzoeker] , althans dat dit geen ontslag op staande voet rechtvaardigt, had [verweerster] geen dringende reden voor het ontslag op staande voet. Zoals eerder overwogen moet immers het gehele feitencomplex genoemd in de ontslagbrief vast komen te staan om tot een rechtsgeldig ontslag op staande voet te komen. [verweerster] heeft zelf ook verklaard dat het mes en de ‘alcoholische flessen’ niet de (enige) redenen zijn voor het ontslag. Immers, dat [verzoeker] niet reageerde maakte dat [verweerster] dacht dat [verzoeker] niet meer voor haar wilde werken. 3.10 Bovendien geldt voor het mes en de ‘alcoholische flessen’ ook dat dit geen dringende reden oplevert voor het ontslag. [verzoeker] betwist dat deze van hem zijn. De bedrijfsauto is bij hem opgehaald op 7 november 2025 en de ontslagbrief is pas later verzonden. Dat heeft [verweerster] op de zitting bevestigd. [verzoeker] erkent ter zitting wel dat er voor het verrichten van zijn werkzaamheden een klein mesje met een lampje in de bedrijfsauto heeft gelegen om dozen mee open te snijden, maar niet het ‘rambo’-mes waarvan [verweerster] tijdens de zitting een foto heeft getoond. Volgens [verzoeker] kan het zo zijn dat de bedrijfsauto nadat deze bij hem is opgehaald door anderen is gebruikt. [verweerster] onderbouwd haar stelling dat het mes en de ‘alcoholische flessen’ van [verzoeker] zijn niet, ondanks dat de kantonrechter dit op de zitting nog aan [verweerster] heeft gevraagd. [verweerster] stelt dat zij 100% zeker weet dat het mes en de ‘alcoholische flessen’ van [verzoeker] zijn. Dit is echter onvoldoende. Dat dit in de bedrijfsauto heeft gelegen en dat dit van [verzoeker] is, blijkt nergens uit. [verweerster] had dit wel aan moeten tonen. Dat maakt dat er niet vanuit kan worden gegaan dat het mes en de ‘alcoholische flessen’ van [verzoeker] zijn en door hem in de bedrijfsauto zijn gelegd. Dit levert dan ook geen dringende reden op voor het ontslag op staande voet. - conclusie 3.11 De conclusie is dat er geen dringende reden is voor het ontslag op staande voet. Het ontslag is dan ook niet rechtsgeldig gegeven. [verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst dan ook opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. 3.12 Omdat geoordeeld wordt dat een dringende reden ontbreekt, hoeft niet meer te worden beoordeeld of het ontslag onverwijld is gegeven en de dringende reden onverwijld is medegedeeld. 3.13 Het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag van (op of omstreeks) 7 november 2025 wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen [verzoeker] en [verweerster] nog doorloopt en wel tot en met 31 december 2025. Dat is de datum waarop de overeenkomst volgens zowel [verzoeker] als [verweerster] van rechtswege eindigt. [verweerster] moet het loon en de wettelijke verhoging daarover betalen 3.14 [verzoeker] heeft recht op loon, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van [verzoeker] tot loonbetaling (over november en december 2025) zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal ook worden toegewezen, omdat [verweerster] te laat heeft betaald. 3.15 [verzoeker] heeft ook de wettelijke verhoging verzocht over het achterstallige salaris. Omdat [verweerster] sinds november 2025 geen loon meer heeft betaald, maar de arbeidsovereenkomst nog voortduurt, zal zij worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW over dit achterstallige salaris. De kantonrechter ziet geen reden tot matiging. [verweerster] moet de transitievergoeding betalen 3.16 Tussen partijen staat vast dat de arbeidsovereenkomst per 31 december 2025 is geëindigd. Op grond van artikel 7:673 lid 4 onder b BW is [verweerster] een transitievergoeding verschuldigd. Door de kantonrechter is dit berekend op € 577,50. De vordering tot betaling van een transitievergoeding zal tot dat bedrag worden toegewezen. [verweerster] hoeft geen billijke vergoeding te betalen 3.17 Als de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW is opgezegd kan de werknemer op grond van artikel 7:681 BW vernietiging van de opzegging of om toekenning van een billijke vergoeding vragen. [verzoeker] heeft niet berust in de opzegging maar gevraagd om vernietiging. Dat verzoek wordt toegewezen. Toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 lid 1 BW is dan niet aan de orde. [verweerster] moet de proceskosten voldoen 3.18 De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] , omdat [verweerster] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] . De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten). 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 vernietigt het ontslag op staande voet, 4.2 veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van € 2.310,00 bruto per maand aan loon tot en met december 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van iedere verschuldigdheid tot aan de dag van de gehele betaling, 4.3 veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 577,50 bruto, 4.4 veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 4.5 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad , 4.6 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
Volledig
Zo had [verweerster] als werkgever vanwege de ziekmelding van [verzoeker] de bedrijfsarts moeten inschakelen om vast te stellen of er sprake is van arbeidsongeschiktheid of niet. Het is niet aan een werkgever om (zelf) naar een woning van een werknemer te gaan en te oordelen over de arbeidsongeschiktheid van een werknemer. Vast staat dat [verweerster] de bedrijfsarts niet heeft ingeschakeld, zodat voor zover [verweerster] meent dat er geen sprake is van ziekte maar van werkweigering, dit nergens op is gebaseerd. - groot mes en ‘alcoholische flessen’ in de bedrijfsauto 3.9 Aangezien de conclusie is dat er geen sprake is geweest van het niet bereikbaar zijn van [verzoeker] , althans dat dit geen ontslag op staande voet rechtvaardigt, had [verweerster] geen dringende reden voor het ontslag op staande voet. Zoals eerder overwogen moet immers het gehele feitencomplex genoemd in de ontslagbrief vast komen te staan om tot een rechtsgeldig ontslag op staande voet te komen. [verweerster] heeft zelf ook verklaard dat het mes en de ‘alcoholische flessen’ niet de (enige) redenen zijn voor het ontslag. Immers, dat [verzoeker] niet reageerde maakte dat [verweerster] dacht dat [verzoeker] niet meer voor haar wilde werken. 3.10 Bovendien geldt voor het mes en de ‘alcoholische flessen’ ook dat dit geen dringende reden oplevert voor het ontslag. [verzoeker] betwist dat deze van hem zijn. De bedrijfsauto is bij hem opgehaald op 7 november 2025 en de ontslagbrief is pas later verzonden. Dat heeft [verweerster] op de zitting bevestigd. [verzoeker] erkent ter zitting wel dat er voor het verrichten van zijn werkzaamheden een klein mesje met een lampje in de bedrijfsauto heeft gelegen om dozen mee open te snijden, maar niet het ‘rambo’-mes waarvan [verweerster] tijdens de zitting een foto heeft getoond. Volgens [verzoeker] kan het zo zijn dat de bedrijfsauto nadat deze bij hem is opgehaald door anderen is gebruikt. [verweerster] onderbouwd haar stelling dat het mes en de ‘alcoholische flessen’ van [verzoeker] zijn niet, ondanks dat de kantonrechter dit op de zitting nog aan [verweerster] heeft gevraagd. [verweerster] stelt dat zij 100% zeker weet dat het mes en de ‘alcoholische flessen’ van [verzoeker] zijn. Dit is echter onvoldoende. Dat dit in de bedrijfsauto heeft gelegen en dat dit van [verzoeker] is, blijkt nergens uit. [verweerster] had dit wel aan moeten tonen. Dat maakt dat er niet vanuit kan worden gegaan dat het mes en de ‘alcoholische flessen’ van [verzoeker] zijn en door hem in de bedrijfsauto zijn gelegd. Dit levert dan ook geen dringende reden op voor het ontslag op staande voet. - conclusie 3.11 De conclusie is dat er geen dringende reden is voor het ontslag op staande voet. Het ontslag is dan ook niet rechtsgeldig gegeven. [verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst dan ook opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. 3.12 Omdat geoordeeld wordt dat een dringende reden ontbreekt, hoeft niet meer te worden beoordeeld of het ontslag onverwijld is gegeven en de dringende reden onverwijld is medegedeeld. 3.13 Het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag van (op of omstreeks) 7 november 2025 wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen [verzoeker] en [verweerster] nog doorloopt en wel tot en met 31 december 2025. Dat is de datum waarop de overeenkomst volgens zowel [verzoeker] als [verweerster] van rechtswege eindigt. [verweerster] moet het loon en de wettelijke verhoging daarover betalen 3.14 [verzoeker] heeft recht op loon, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van [verzoeker] tot loonbetaling (over november en december 2025) zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal ook worden toegewezen, omdat [verweerster] te laat heeft betaald. 3.15 [verzoeker] heeft ook de wettelijke verhoging verzocht over het achterstallige salaris. Omdat [verweerster] sinds november 2025 geen loon meer heeft betaald, maar de arbeidsovereenkomst nog voortduurt, zal zij worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW over dit achterstallige salaris. De kantonrechter ziet geen reden tot matiging. [verweerster] moet de transitievergoeding betalen 3.16 Tussen partijen staat vast dat de arbeidsovereenkomst per 31 december 2025 is geëindigd. Op grond van artikel 7:673 lid 4 onder b BW is [verweerster] een transitievergoeding verschuldigd. Door de kantonrechter is dit berekend op € 577,50. De vordering tot betaling van een transitievergoeding zal tot dat bedrag worden toegewezen. [verweerster] hoeft geen billijke vergoeding te betalen 3.17 Als de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW is opgezegd kan de werknemer op grond van artikel 7:681 BW vernietiging van de opzegging of om toekenning van een billijke vergoeding vragen. [verzoeker] heeft niet berust in de opzegging maar gevraagd om vernietiging. Dat verzoek wordt toegewezen. Toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 lid 1 BW is dan niet aan de orde. [verweerster] moet de proceskosten voldoen 3.18 De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] , omdat [verweerster] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] . De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten). 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 vernietigt het ontslag op staande voet, 4.2 veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van € 2.310,00 bruto per maand aan loon tot en met december 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van iedere verschuldigdheid tot aan de dag van de gehele betaling, 4.3 veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 577,50 bruto, 4.4 veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 4.5 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad , 4.6 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.