Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-03
ECLI:NL:RBMNE:2026:1880
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,033 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1880 text/xml public 2026-05-07T09:14:45 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-03 UTR 23/1868 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1880 text/html public 2026-05-07T09:14:13 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1880 Rechtbank Midden-Nederland , 03-04-2026 / UTR 23/1868 Parkeerbelasting. Omvang van het geding. Beroep is niet-ontvankelijk, geen verschoonbare termijnoverschrijding. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/1868 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht , de heffingsambtenaar (gemachtigde: P.E. Boersma) Inleiding 1.1 De heffingsambtenaar heeft aan eiseres meerdere naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd met een bedrag van € 66,50 per aanslag wegens het parkeren op een zogenoemde gefiscaliseerde parkeerplaats, zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Het gaat om de volgende data: - 21 juni 2022 - 5 juli 2022 - 12 juli 2022 - 26 juli 2022 - 16 augustus 2022 - 17 augustus 2022 - 22 augustus 2022 en - 24 augustus 2022. 1.2 Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag van 21 juni 2022 en heeft daarbij benoemd het niet eens te zijn met meerdere naheffingsaanslagen. Het bezwaar is door de heffingsambtenaar ontvangen op 2 oktober 2022. 1.3 In de uitspraak op bezwaar van 16 februari 2023 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet binnen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet is ingediend. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ambtshalve in behandeling genomen en heeft het bezwaar ambtshalve ongegrond verklaard. 1.4 Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 De zaak is behandeld op de zitting van 26 juni 2025. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting. Na de zitting is gebleken dat eiseres de zittingsuitnodiging niet in goede orde had ontvangen. Daarom is op verzoek van eiseres het onderzoek heropend om partijen de mogelijkheid te geven alsnog op een nadere zitting te worden gehoord. 1.6 De zaak is vervolgens behandeld op de zitting van 25 februari 2026. Eiseres en de gemachtigde van heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting. Feiten 2. Op 21 juni 2022 om 9:59 uur stond het voertuig met kenteken [kenteken] , het voertuig van eiseres, geparkeerd op de Louis Bouwmeesterlaan in Utrecht. Deze straat ligt in de zone waarvoor betaald parkeren geldt. Omdat eiseres geen parkeerbelasting had betaald is aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Ook voor de overige data, zoals onder 1.1 vermeld, heeft de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiseres opgelegd. Beoordeling door de rechtbank Omvang van het geding 3. In bestuursrechtelijke procedures staat het besluit centraal waartegen het beroepschrift zich richt. Dat vormt de harde buitengrens van de omvang van het geding. In deze procedure is de omvang van het geding beperkt tot de uitspraak op bezwaar van 16 februari 2023 (met kenmerk [nummer] ) waarin het bezwaar tegen de naheffingsaanslag van 5 juli 2022 (met aanslagnummer [nummer] en met betrekking tot controledatum 21 juni 2022) door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk is verklaard. In het beroepschrift noemt eiseres uitdrukkelijk dat besluit als de beslissing waarmee zij het niet eens is. Naar aanleiding van een verzoek van de rechtbank heeft eiseres op 3 oktober 2023 ook slechts een kopie van dat besluit gestuurd als zijnde het besluit waarmee zij het niet eens is. In haar begeleidende brief van dezelfde datum schrijft eiseres: “Hierbij zend ik u desgevraagd het besluit van 16 februari 2023. Dit betreft de datum van parkeerboete 21 juni 2022. De besluiten betreffende de andere data zijn gelijkluidend.” Anders dan eiseres voorstaat, valt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de laatste zin van die brief niet af te leiden dat het beroep zich ook zou richten tegen andere uitspraken op bezwaar. Als het beroep van eiseres zich ook tegen andere uitspraken op bezwaar had gericht had het op haar weg gelegen om te specificeren om welke uitspraken op bezwaar het precies ging en ook van die besluiten kopieën over te leggen. Dat geldt eens te meer nu – zoals de heffingsambtenaar ter zitting heeft toegelicht – de andere uitspraken op bezwaar niet gelijkluidend zijn. Dat betekent dat de rechtbank in deze uitspraak alleen een oordeel kan geven over de ontvankelijkheid van de bestreden uitspraak. Ontvankelijkheid 4.1 De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is een fatale termijn van openbare orde. Als het bezwaarschrift te laat wordt ingediend, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift betrokkene niet is toe te rekenen. In dat geval laat de heffingsambtenaar niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege. 4.2 Over de te late indiending heeft eiseres desgevraagd in beroep slechts aangegeven dat haar bezwaar erin gelegen was dat er in twee maanden tijd een hele reeks naheffingsaanslagen is opgelegd. Dat levert geen verschoonbare termijnoverschrijding op voor wat betreft de naheffingsaanslag waar het in deze procedure om gaat. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Immateriële schadevergoeding 5.1 Ter zitting is naar voren gekomen dat eiseres een verzoek doet om immateriële schadevergoeding. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt. 5.2 Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 2 oktober 2022. Dat betekent dat de redelijke termijn op 2 oktober 2024 is verstreken. De rechtbank constateert dat sinds de indiening van het bezwaarschrift de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond) 1 jaar en zes maanden is overschreden. 5.3 Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 heeft De Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan de bagatelgrens van € 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Als de termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, moet naar bevind van zaken worden beslist. In dit geval is de termijn met (ruim) meer dan twaalf maanden overschreden. Daar staat tegenover dat, gelet op het geringe bedrag van de naheffingsaanslag, het financiële belang van de procedure ver onder de bagatelgrens van € 1.000,- blijft. Daarom ziet de rechtbank ook in dit geval aanleiding om te volstaan met de constatering dat de redelijk termijn is overschreden. Het verzoek wordt afgewezen. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond omdat de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug en zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Stumpel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1880 text/xml public 2026-05-07T09:14:45 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-03 UTR 23/1868 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1880 text/html public 2026-05-07T09:14:13 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1880 Rechtbank Midden-Nederland , 03-04-2026 / UTR 23/1868 Parkeerbelasting. Omvang van het geding. Beroep is niet-ontvankelijk, geen verschoonbare termijnoverschrijding. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/1868 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht , de heffingsambtenaar (gemachtigde: P.E. Boersma) Inleiding 1.1 De heffingsambtenaar heeft aan eiseres meerdere naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd met een bedrag van € 66,50 per aanslag wegens het parkeren op een zogenoemde gefiscaliseerde parkeerplaats, zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Het gaat om de volgende data: - 21 juni 2022 - 5 juli 2022 - 12 juli 2022 - 26 juli 2022 - 16 augustus 2022 - 17 augustus 2022 - 22 augustus 2022 en - 24 augustus 2022. 1.2 Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag van 21 juni 2022 en heeft daarbij benoemd het niet eens te zijn met meerdere naheffingsaanslagen. Het bezwaar is door de heffingsambtenaar ontvangen op 2 oktober 2022. 1.3 In de uitspraak op bezwaar van 16 februari 2023 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet binnen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet is ingediend. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ambtshalve in behandeling genomen en heeft het bezwaar ambtshalve ongegrond verklaard. 1.4 Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 De zaak is behandeld op de zitting van 26 juni 2025. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting. Na de zitting is gebleken dat eiseres de zittingsuitnodiging niet in goede orde had ontvangen. Daarom is op verzoek van eiseres het onderzoek heropend om partijen de mogelijkheid te geven alsnog op een nadere zitting te worden gehoord. 1.6 De zaak is vervolgens behandeld op de zitting van 25 februari 2026. Eiseres en de gemachtigde van heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting. Feiten 2. Op 21 juni 2022 om 9:59 uur stond het voertuig met kenteken [kenteken] , het voertuig van eiseres, geparkeerd op de Louis Bouwmeesterlaan in Utrecht. Deze straat ligt in de zone waarvoor betaald parkeren geldt. Omdat eiseres geen parkeerbelasting had betaald is aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Ook voor de overige data, zoals onder 1.1 vermeld, heeft de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiseres opgelegd. Beoordeling door de rechtbank Omvang van het geding 3. In bestuursrechtelijke procedures staat het besluit centraal waartegen het beroepschrift zich richt. Dat vormt de harde buitengrens van de omvang van het geding. In deze procedure is de omvang van het geding beperkt tot de uitspraak op bezwaar van 16 februari 2023 (met kenmerk [nummer] ) waarin het bezwaar tegen de naheffingsaanslag van 5 juli 2022 (met aanslagnummer [nummer] en met betrekking tot controledatum 21 juni 2022) door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk is verklaard. In het beroepschrift noemt eiseres uitdrukkelijk dat besluit als de beslissing waarmee zij het niet eens is. Naar aanleiding van een verzoek van de rechtbank heeft eiseres op 3 oktober 2023 ook slechts een kopie van dat besluit gestuurd als zijnde het besluit waarmee zij het niet eens is. In haar begeleidende brief van dezelfde datum schrijft eiseres: “Hierbij zend ik u desgevraagd het besluit van 16 februari 2023. Dit betreft de datum van parkeerboete 21 juni 2022. De besluiten betreffende de andere data zijn gelijkluidend.” Anders dan eiseres voorstaat, valt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de laatste zin van die brief niet af te leiden dat het beroep zich ook zou richten tegen andere uitspraken op bezwaar. Als het beroep van eiseres zich ook tegen andere uitspraken op bezwaar had gericht had het op haar weg gelegen om te specificeren om welke uitspraken op bezwaar het precies ging en ook van die besluiten kopieën over te leggen. Dat geldt eens te meer nu – zoals de heffingsambtenaar ter zitting heeft toegelicht – de andere uitspraken op bezwaar niet gelijkluidend zijn. Dat betekent dat de rechtbank in deze uitspraak alleen een oordeel kan geven over de ontvankelijkheid van de bestreden uitspraak. Ontvankelijkheid 4.1 De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is een fatale termijn van openbare orde. Als het bezwaarschrift te laat wordt ingediend, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift betrokkene niet is toe te rekenen. In dat geval laat de heffingsambtenaar niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege. 4.2 Over de te late indiending heeft eiseres desgevraagd in beroep slechts aangegeven dat haar bezwaar erin gelegen was dat er in twee maanden tijd een hele reeks naheffingsaanslagen is opgelegd. Dat levert geen verschoonbare termijnoverschrijding op voor wat betreft de naheffingsaanslag waar het in deze procedure om gaat. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Immateriële schadevergoeding 5.1 Ter zitting is naar voren gekomen dat eiseres een verzoek doet om immateriële schadevergoeding. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt. 5.2 Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 2 oktober 2022. Dat betekent dat de redelijke termijn op 2 oktober 2024 is verstreken. De rechtbank constateert dat sinds de indiening van het bezwaarschrift de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond) 1 jaar en zes maanden is overschreden. 5.3 Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 heeft De Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan de bagatelgrens van € 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Als de termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, moet naar bevind van zaken worden beslist. In dit geval is de termijn met (ruim) meer dan twaalf maanden overschreden. Daar staat tegenover dat, gelet op het geringe bedrag van de naheffingsaanslag, het financiële belang van de procedure ver onder de bagatelgrens van € 1.000,- blijft. Daarom ziet de rechtbank ook in dit geval aanleiding om te volstaan met de constatering dat de redelijk termijn is overschreden. Het verzoek wordt afgewezen. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond omdat de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug en zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Stumpel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.