Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-09
ECLI:NL:RBMNE:2026:1877
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,673 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1877 text/xml public 2026-05-07T09:06:45 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-09 25/5729 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1877 text/html public 2026-05-07T09:06:22 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1877 Rechtbank Midden-Nederland , 09-04-2026 / 25/5729 bnt RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5729 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, verweerder, (gemachtigden: mr. S. Piron en mr. S. Soutouti). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie over alle goedgekeurde aanvragen wijziging dierentuinvergunning op grond van de Wet open overheid (Woo). Verweerder heeft op 28 oktober 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder. Overwegingen 1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. Eiser heeft zijn Woo-verzoek, samen met drie andere Woo-verzoeken , ingediend op 16 januari 2025. Verweerder heeft dit verzoek diezelfde dag ontvangen. Op grond van artikel 4.4, eerste lid, van de Woo moet verweerder binnen vier weken na ontvangst van het verzoek beslissen op het verzoek. Uit de gedingstukken volgt dat deze termijn meermaals is verlengd. Bij e-mail van 26 augustus 2025 stelt verweerder dat zij uiterlijk op 1 november 2025 het besluit kan toesturen. Eiser gaat hier niet mee akkoord en geeft verweerder bij e-mail van 28 augustus 2025 een termijn van twee weken. Verweerder had daarom uiterlijk op 11 september 2025 moeten beslissen. 3. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 18 september 2025 in gebreke heeft gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken erna, te weten bij brief van 3 oktober 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. 4. Het beroep is gegrond. Verweerder moet alsnog een besluit nemen 5. Bij een gegrond beroep inzake niet-tijdig beslissen moet de rechtbank bepalen binnen welke termijn het college alsnog een besluit bekend moet maken. Op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de Woo bepaalt de bestuursrechter, indien de omvang van het verzoek hiertoe aanleiding geeft, in afwijking van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb, de termijn waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een besluit bekendmaakt. De rechtbank moet een inschatting maken van de termijn die in redelijkheid nodig is voor deze bekendmaking. Het is vaste rechtspraak dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn. Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 10.7 in de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2346. De bestuursrechter verbindt, gelet op artikel 8:55d, tweede lid van de Awb, aan zijn uitspraak voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven een dwangsom. In de regel wordt daarbij een dwangsom bepaald van € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00. 6. Gedurende de zitting heeft de rechtbank aan partijen gevraagd welke beslistermijn zij redelijk achten. Verweerder heeft aangegeven dat een langere beslistermijn dan twee weken noodzakelijk is, omdat verweerder 385 Woo-verzoeken in 2025 heeft ontvangen. Naar aanleiding hiervan hebben ze de afdeling die zich bezig houdt met de afhandeling van Woo-verzoeken moeten opschalen, verweerder is namelijk een kleine organisatie en kan deze stroom niet aan. Daar komt bij dat voor de afhandeling van de verzoeken van eiser verschillende teams bevraagd moesten worden. Inmiddels is de gevraagde informatie wel binnen, maar moet nog bekeken worden wat wel en niet onder het Woo-verzoek valt. Onderhavig dossier bevat 30.000 documenten, waardoor het uitzoeken lang kan duren. Een exacte termijn waarbinnen beslist kan worden, durft verweerder niet te geven. Eiser geeft aan een termijn van twee weken redelijk te vinden. 7. De rechtbank begrijpt dat de Woo-verzoeken tezamen omvangrijk zijn, vooral door onderhavig verzoek, maar is ook van mening dat verweerder reeds veel tijd heeft gekregen om op het onderhavige verzoek te beslissen. De documenten zijn volgens partijen immers al sinds november 2025 verzameld en het is de rechtbank niet duidelijk geworden wat er sinds die tijd met het onderhavige verzoek is gedaan. Verweerder heeft aangegeven dat er nog zienswijzen moeten worden opgevraagd, maar er is nog geen actie daartoe ondernomen. Een beslistermijn van twee weken is echter naar het oordeel van de rechtbank onrealistisch kort, gelet op het gegeven dat verweerder geen duiding kan geven op welke termijn zij denkt te kunnen beslissen. De rechtbank wijkt hier dan ook van af en oordeelt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een besluit bekend moet maken (artikel 8:55d, lid 1, van de Awb). Zij acht dit een realistische termijn. 8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Proceskostenvergoeding en griffierecht 9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet betalen. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. van de Biesebos, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. de griffier de rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Zie hiervoor de uitspraken UTR 25/5798, UTR 25/2726 en UTR 25/5729
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1877 text/xml public 2026-05-07T09:06:45 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-09 25/5729 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1877 text/html public 2026-05-07T09:06:22 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1877 Rechtbank Midden-Nederland , 09-04-2026 / 25/5729 bnt RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5729 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, verweerder, (gemachtigden: mr. S. Piron en mr. S. Soutouti). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie over alle goedgekeurde aanvragen wijziging dierentuinvergunning op grond van de Wet open overheid (Woo). Verweerder heeft op 28 oktober 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder. Overwegingen 1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. Eiser heeft zijn Woo-verzoek, samen met drie andere Woo-verzoeken , ingediend op 16 januari 2025. Verweerder heeft dit verzoek diezelfde dag ontvangen. Op grond van artikel 4.4, eerste lid, van de Woo moet verweerder binnen vier weken na ontvangst van het verzoek beslissen op het verzoek. Uit de gedingstukken volgt dat deze termijn meermaals is verlengd. Bij e-mail van 26 augustus 2025 stelt verweerder dat zij uiterlijk op 1 november 2025 het besluit kan toesturen. Eiser gaat hier niet mee akkoord en geeft verweerder bij e-mail van 28 augustus 2025 een termijn van twee weken. Verweerder had daarom uiterlijk op 11 september 2025 moeten beslissen. 3. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 18 september 2025 in gebreke heeft gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken erna, te weten bij brief van 3 oktober 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. 4. Het beroep is gegrond. Verweerder moet alsnog een besluit nemen 5. Bij een gegrond beroep inzake niet-tijdig beslissen moet de rechtbank bepalen binnen welke termijn het college alsnog een besluit bekend moet maken. Op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de Woo bepaalt de bestuursrechter, indien de omvang van het verzoek hiertoe aanleiding geeft, in afwijking van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb, de termijn waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een besluit bekendmaakt. De rechtbank moet een inschatting maken van de termijn die in redelijkheid nodig is voor deze bekendmaking. Het is vaste rechtspraak dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn. Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 10.7 in de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2346. De bestuursrechter verbindt, gelet op artikel 8:55d, tweede lid van de Awb, aan zijn uitspraak voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven een dwangsom. In de regel wordt daarbij een dwangsom bepaald van € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00. 6. Gedurende de zitting heeft de rechtbank aan partijen gevraagd welke beslistermijn zij redelijk achten. Verweerder heeft aangegeven dat een langere beslistermijn dan twee weken noodzakelijk is, omdat verweerder 385 Woo-verzoeken in 2025 heeft ontvangen. Naar aanleiding hiervan hebben ze de afdeling die zich bezig houdt met de afhandeling van Woo-verzoeken moeten opschalen, verweerder is namelijk een kleine organisatie en kan deze stroom niet aan. Daar komt bij dat voor de afhandeling van de verzoeken van eiser verschillende teams bevraagd moesten worden. Inmiddels is de gevraagde informatie wel binnen, maar moet nog bekeken worden wat wel en niet onder het Woo-verzoek valt. Onderhavig dossier bevat 30.000 documenten, waardoor het uitzoeken lang kan duren. Een exacte termijn waarbinnen beslist kan worden, durft verweerder niet te geven. Eiser geeft aan een termijn van twee weken redelijk te vinden. 7. De rechtbank begrijpt dat de Woo-verzoeken tezamen omvangrijk zijn, vooral door onderhavig verzoek, maar is ook van mening dat verweerder reeds veel tijd heeft gekregen om op het onderhavige verzoek te beslissen. De documenten zijn volgens partijen immers al sinds november 2025 verzameld en het is de rechtbank niet duidelijk geworden wat er sinds die tijd met het onderhavige verzoek is gedaan. Verweerder heeft aangegeven dat er nog zienswijzen moeten worden opgevraagd, maar er is nog geen actie daartoe ondernomen. Een beslistermijn van twee weken is echter naar het oordeel van de rechtbank onrealistisch kort, gelet op het gegeven dat verweerder geen duiding kan geven op welke termijn zij denkt te kunnen beslissen. De rechtbank wijkt hier dan ook van af en oordeelt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een besluit bekend moet maken (artikel 8:55d, lid 1, van de Awb). Zij acht dit een realistische termijn. 8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Proceskostenvergoeding en griffierecht 9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet betalen. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. van de Biesebos, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. de griffier de rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Zie hiervoor de uitspraken UTR 25/5798, UTR 25/2726 en UTR 25/5729