Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-09
ECLI:NL:RBMNE:2026:1874
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,282 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1874 text/xml public 2026-05-07T09:00:15 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-09 25/4321 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1874 text/html public 2026-05-07T08:59:52 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1874 Rechtbank Midden-Nederland , 09-04-2026 / 25/4321 bnt RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4312 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen de stichting Stichting House of Animals Foundation , gevestigd te Amsterdam, eiseres, (gemachtigde: mr. H. van Drunen), en de stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, verweerder, (gemachtigde: mr. H.E.M. van Beurden). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar handhavingsverzoek van 10 april 2025. Verweerder heeft gereageerd op het beroepschrift. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] en [B] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, mr.. F.C.P. Ternede namens verweerder en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen 1. Het beroep is ingediend bij de rechtbank Amsterdam, die het vervolgens heeft doorgestuurd naar de rechtbank Midden-Nederland. Deze laatste rechtbank is namelijk de bevoegde rechtbank om op het beroep van eiseres te beslissen. Is verweerder een bestuursorgaan? 2. Om te beginnen staat de rechtbank stil bij de vraag of verweerder een bestuursorgaan is in de zin van de Awb. Verweerder geeft aan dit niet te zijn en verwijst naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank van 23 december 2025 . Zij geeft aan niet aan de voorwaarden van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb te voldoen. Eiseres geeft aan tegen voornoemde uitspraak hoger beroep ingesteld te hebben. Zij is van mening dat verweerder wel een bestuursorgaan is en dat dit volgt uit een convenant, het briefpapier van verweerder en het feit dat verweerder door het ministerie gefinancierd wordt. Tevens wijst zij op het feit dat zij het handhavingsverzoek oorspronkelijk had gericht aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en dat deze het heeft doorgeleid aan verweerder. Als verweerder niet handhavend had mogen optreden, dan had zij het handhavingsverzoek terug moeten geleiden naar een bestuursorgaan dat dat wel kan en dat daarop in rechte aangesproken kan worden. 3. De rechtbank oordeelt als volgt. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan bij de rechtbank alleen beroep worden ingesteld tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, genomen door een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. 4. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder a, van de Awb. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Verweerder is namelijk een stichting en dus krachtens privaatrecht opgericht en niet krachtens publiekrecht ingesteld. Tussen partijen is wel in geschil of verweerder een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder b, van de Awb. 5. In de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3379 en ECLI:NL:RVS:2014:3394, is uiteengezet wanneer sprake is van een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Volgens die bepaling is een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon een bestuursorgaan als dat orgaan met openbaar gezag is bekleed. Daarvoor is bepalend of aan dat orgaan een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten is toegekend. Openbaar gezag kan in beginsel slechts bij wettelijk voorschrift worden toegekend. Als een daartoe strekkend wettelijk voorschrift ontbreekt, is een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon in beginsel geen bestuursorgaan. Bij organen van privaatrechtelijke rechtspersonen die geldelijke uitkeringen of op geld waardeerbare voorzieningen aan derden verstrekken, kan zich evenwel een uitzondering op deze regel voordoen, waardoor die organen toch bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb zijn. 6. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van enig wettelijk voorschrift op grond waarvan aan verweerder of haar inspecteurs de bevoegdheid is toegekend om de rechtspositie van rechtssubjecten eenzijdig vast te stellen. Op grond van de Wet Dieren en het daarbij behorende Besluit aanwijzing toezichthouders Wet Dieren is verweerder “slechts” toezichthouder en komt de bevoegdheid om de rechtspositie van een rechtssubject vast te stellen, bijvoorbeeld door middel van het opleggen van een bestuurlijke boete, toe aan de Minister. Een schriftelijke reactie van verweerder op het verzoek van eiseres is dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Er is daarom geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit. Overigens heeft verweerder tijdens de zitting laten weten dat het bericht van 26 juni 2025 aan eiseres, waarin verweerder haar informeert het handhavingsverzoek in behandeling is genomen, ten onrechte is verstuurd. Daarvoor heeft ze haar excuses aangeboden. De rechtbank is gelet op het voorgaande onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Conclusie en gevolgen 7. Gelet op artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025 draagt de rechtbank de griffier op het door eiseres betaalde griffierecht terug te storten. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ECLI:NL:RBMNE:2025:6856.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1874 text/xml public 2026-05-07T09:00:15 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-09 25/4321 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1874 text/html public 2026-05-07T08:59:52 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1874 Rechtbank Midden-Nederland , 09-04-2026 / 25/4321 bnt RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4312 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen de stichting Stichting House of Animals Foundation , gevestigd te Amsterdam, eiseres, (gemachtigde: mr. H. van Drunen), en de stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, verweerder, (gemachtigde: mr. H.E.M. van Beurden). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar handhavingsverzoek van 10 april 2025. Verweerder heeft gereageerd op het beroepschrift. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] en [B] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, mr.. F.C.P. Ternede namens verweerder en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen 1. Het beroep is ingediend bij de rechtbank Amsterdam, die het vervolgens heeft doorgestuurd naar de rechtbank Midden-Nederland. Deze laatste rechtbank is namelijk de bevoegde rechtbank om op het beroep van eiseres te beslissen. Is verweerder een bestuursorgaan? 2. Om te beginnen staat de rechtbank stil bij de vraag of verweerder een bestuursorgaan is in de zin van de Awb. Verweerder geeft aan dit niet te zijn en verwijst naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank van 23 december 2025 . Zij geeft aan niet aan de voorwaarden van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb te voldoen. Eiseres geeft aan tegen voornoemde uitspraak hoger beroep ingesteld te hebben. Zij is van mening dat verweerder wel een bestuursorgaan is en dat dit volgt uit een convenant, het briefpapier van verweerder en het feit dat verweerder door het ministerie gefinancierd wordt. Tevens wijst zij op het feit dat zij het handhavingsverzoek oorspronkelijk had gericht aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en dat deze het heeft doorgeleid aan verweerder. Als verweerder niet handhavend had mogen optreden, dan had zij het handhavingsverzoek terug moeten geleiden naar een bestuursorgaan dat dat wel kan en dat daarop in rechte aangesproken kan worden. 3. De rechtbank oordeelt als volgt. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan bij de rechtbank alleen beroep worden ingesteld tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, genomen door een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. 4. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder a, van de Awb. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Verweerder is namelijk een stichting en dus krachtens privaatrecht opgericht en niet krachtens publiekrecht ingesteld. Tussen partijen is wel in geschil of verweerder een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder b, van de Awb. 5. In de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3379 en ECLI:NL:RVS:2014:3394, is uiteengezet wanneer sprake is van een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Volgens die bepaling is een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon een bestuursorgaan als dat orgaan met openbaar gezag is bekleed. Daarvoor is bepalend of aan dat orgaan een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten is toegekend. Openbaar gezag kan in beginsel slechts bij wettelijk voorschrift worden toegekend. Als een daartoe strekkend wettelijk voorschrift ontbreekt, is een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon in beginsel geen bestuursorgaan. Bij organen van privaatrechtelijke rechtspersonen die geldelijke uitkeringen of op geld waardeerbare voorzieningen aan derden verstrekken, kan zich evenwel een uitzondering op deze regel voordoen, waardoor die organen toch bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb zijn. 6. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van enig wettelijk voorschrift op grond waarvan aan verweerder of haar inspecteurs de bevoegdheid is toegekend om de rechtspositie van rechtssubjecten eenzijdig vast te stellen. Op grond van de Wet Dieren en het daarbij behorende Besluit aanwijzing toezichthouders Wet Dieren is verweerder “slechts” toezichthouder en komt de bevoegdheid om de rechtspositie van een rechtssubject vast te stellen, bijvoorbeeld door middel van het opleggen van een bestuurlijke boete, toe aan de Minister. Een schriftelijke reactie van verweerder op het verzoek van eiseres is dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Er is daarom geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit. Overigens heeft verweerder tijdens de zitting laten weten dat het bericht van 26 juni 2025 aan eiseres, waarin verweerder haar informeert het handhavingsverzoek in behandeling is genomen, ten onrechte is verstuurd. Daarvoor heeft ze haar excuses aangeboden. De rechtbank is gelet op het voorgaande onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Conclusie en gevolgen 7. Gelet op artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025 draagt de rechtbank de griffier op het door eiseres betaalde griffierecht terug te storten. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ECLI:NL:RBMNE:2025:6856.