Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-09
ECLI:NL:RBMNE:2026:1872
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,124 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1872 text/xml public 2026-05-07T08:56:45 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-09 UTR 26/2264 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1872 text/html public 2026-05-07T08:56:15 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1872 Rechtbank Midden-Nederland , 09-04-2026 / UTR 26/2264 Het verzoek om voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Het besluit tot beëindiging van de verleende tweede bewnersparkeervergunning is ook niet evident onrechtmatig. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/2264 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort , het college. Inleiding In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beëindiging van de aan hem verleende tweede bewonersparkeervergunning. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Met het bestreden besluit van 2 maart 2026 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort de aan verzoeker verleende tweede bewonersparkeervergunning voor zone B6 per 30 maart 2026 beëindigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Beoordeling door de voorzieningenrechter 1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening speelt de spoedeisendheid daarom een belangrijke rol. Verzoeker moet goede redenen hebben die maken dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. 2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van zo’n spoedeisend belang in dit geval geen sprake. De voorzieningenrechter heeft verzoeker bij brief van 19 maart 2026 gevraagd om te onderbouwen welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Verzoeker voert aan dat hij er op korte termijn mee wordt geconfronteerd dat hij zijn auto niet meer kan parkeren en dat hij dan met een acuut probleem zit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hierin geen spoedeisend belang is gelegen. De enkele omstandigheid dat verzoeker zijn auto niet meer met een tweede bewonersparkeervergunning kan parkeren is onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. Bovendien is niet gebleken dat er sprake is van een situatie met (financiële of andere) gevolgen die onomkeerbaar zijn. 3. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit tot beëindiging van de parkeervergunning in de bodemprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Conclusie en gevolgen Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1872 text/xml public 2026-05-07T08:56:45 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-09 UTR 26/2264 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1872 text/html public 2026-05-07T08:56:15 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1872 Rechtbank Midden-Nederland , 09-04-2026 / UTR 26/2264 Het verzoek om voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Het besluit tot beëindiging van de verleende tweede bewnersparkeervergunning is ook niet evident onrechtmatig. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/2264 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort , het college. Inleiding In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beëindiging van de aan hem verleende tweede bewonersparkeervergunning. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Met het bestreden besluit van 2 maart 2026 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort de aan verzoeker verleende tweede bewonersparkeervergunning voor zone B6 per 30 maart 2026 beëindigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Beoordeling door de voorzieningenrechter 1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening speelt de spoedeisendheid daarom een belangrijke rol. Verzoeker moet goede redenen hebben die maken dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. 2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van zo’n spoedeisend belang in dit geval geen sprake. De voorzieningenrechter heeft verzoeker bij brief van 19 maart 2026 gevraagd om te onderbouwen welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Verzoeker voert aan dat hij er op korte termijn mee wordt geconfronteerd dat hij zijn auto niet meer kan parkeren en dat hij dan met een acuut probleem zit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hierin geen spoedeisend belang is gelegen. De enkele omstandigheid dat verzoeker zijn auto niet meer met een tweede bewonersparkeervergunning kan parkeren is onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. Bovendien is niet gebleken dat er sprake is van een situatie met (financiële of andere) gevolgen die onomkeerbaar zijn. 3. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit tot beëindiging van de parkeervergunning in de bodemprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Conclusie en gevolgen Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.