Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-23
ECLI:NL:RBMNE:2026:1834
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,895 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1834 text/xml public 2026-04-30T08:50:45 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-23 UTR 25/6616 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1834 text/html public 2026-04-30T08:50:06 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1834 Rechtbank Midden-Nederland , 23-03-2026 / UTR 25/6616 Intrekking met pkv, toegewezen RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6616 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , te [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. B.M. Brandenburg-Stroo), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht , verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft op 19 november 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Verweerder heeft op 15 januari 2026 alsnog een besluit genomen op het Woo-verzoek van verzoeker. Verzoeker heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen 1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen. 2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen . Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). 3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoeker. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoeker te vergoeden. 4. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 15 januari 2026 tegemoet is gekomen aan verzoeker. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze proceskosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde van verzoeker verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). 5. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Artikel 8:75a in combinatie met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Conform de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1834 text/xml public 2026-04-30T08:50:45 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-23 UTR 25/6616 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1834 text/html public 2026-04-30T08:50:06 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1834 Rechtbank Midden-Nederland , 23-03-2026 / UTR 25/6616 Intrekking met pkv, toegewezen RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6616 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , te [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. B.M. Brandenburg-Stroo), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht , verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft op 19 november 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Verweerder heeft op 15 januari 2026 alsnog een besluit genomen op het Woo-verzoek van verzoeker. Verzoeker heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen 1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen. 2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen . Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). 3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoeker. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoeker te vergoeden. 4. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 15 januari 2026 tegemoet is gekomen aan verzoeker. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze proceskosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde van verzoeker verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). 5. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Artikel 8:75a in combinatie met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Conform de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.