Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-01-30
ECLI:NL:RBMNE:2026:1832
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,908 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1832 text/xml public 2026-04-30T08:48:16 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-30 UTR 25/6533 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1832 text/html public 2026-04-30T08:47:57 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1832 Rechtbank Midden-Nederland , 30-01-2026 / UTR 25/6533 Intrekking met pkv, afgewezen RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6533 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen [verzoekster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekster (gemachtigde: C. Rigters-Snijders), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingesteld op 12 november 2025, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Verweerder heeft op 2 december 2025 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. 2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen . Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). 3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden. 4. In artikel 1 van het Bpb is bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft een limitatieve opsomming. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat er sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, dan wel dat verzoekster andere kosten heeft gemaakt als genoemd in het Bpb. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde van verzoekster in dienst is bij verzoekster zelf. Hierdoor is er geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af. 5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster kan zich hiervoor tot verweerder wenden. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Artikel 8:75a in combinatie met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. ECLI:NL:HR:2019:1319
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1832 text/xml public 2026-04-30T08:48:16 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-30 UTR 25/6533 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1832 text/html public 2026-04-30T08:47:57 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1832 Rechtbank Midden-Nederland , 30-01-2026 / UTR 25/6533 Intrekking met pkv, afgewezen RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6533 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen [verzoekster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekster (gemachtigde: C. Rigters-Snijders), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingesteld op 12 november 2025, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Verweerder heeft op 2 december 2025 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. 2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen . Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). 3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden. 4. In artikel 1 van het Bpb is bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft een limitatieve opsomming. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat er sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, dan wel dat verzoekster andere kosten heeft gemaakt als genoemd in het Bpb. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde van verzoekster in dienst is bij verzoekster zelf. Hierdoor is er geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af. 5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster kan zich hiervoor tot verweerder wenden. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Artikel 8:75a in combinatie met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. ECLI:NL:HR:2019:1319