Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-22
ECLI:NL:RBMNE:2026:1805
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,981 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1805 text/xml public 2026-05-11T13:23:44 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-22 25/2188 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1805 text/html public 2026-05-11T13:23:18 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1805 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2026 / 25/2188 Beroep. Wht. Herbeoordeling recht kinderopvangtoeslag. Ex-partner heeft al compensatie ontvangen. Dienst Toeslagen heeft verzoek terecht afgewezen. Motiveringsgebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb. Beroep ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Almere Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2188 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. E.G. Engwirda), en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: [plaats] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door Dienst Toeslagen van eisers aanvraag om herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag (KOT) over het jaar 2016 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht voor 2016. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Wel is er sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser was de eigenaar van het [naam onderneming] . Hij heeft voor het jaar 2016 KOT aangevraagd in verband met de opvang van zijn (stief)zoon. Met het besluit van 21 mei 2016 is de KOT voor 2016 voorlopig vastgesteld op € 5.504,-. Daarna is met het besluit van 21 september 2016 de KOT voor 2016 vastgesteld op € 0,-. Met het besluit van 3 april 2017 heeft Dienst Toeslagen besloten de KOT voor 2016 niet te herstarten, omdat onvoldoende blijkt dat eiser recht heeft op KOT. Eiser heeft niet met loonstroken of andere bewijsstukken aangetoond dat hij in 2016 in een onderneming heeft gewerkt en daarvoor inkomsten heeft genoten. 3. Op 5 juni 2020 heeft eiser zich gemeld als gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire en heeft hij Dienst Toeslagen verzocht om een herbeoordeling van de KOT over het jaar 2016. Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 22 februari 2023 afgewezen. Daaraan is het advies van de onafhankelijke Commissie van Wijzen ten grondslag gelegd. Volgens Dienst Toeslagen is er wel sprake van vooringenomenheid, maar heeft eiser evident geen recht op KOT. Daarom krijgt eiser geen compensatie. 4. Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag om herbeoordeling gebleven. 5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend. 6. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Dienst Toeslagen, bijgestaan door mr. I. Mulder. Beoordeling door de rechtbank 7. In het verweerschrift heeft Dienst Toeslagen zijn standpunt uitgebreid en zich primair op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie, omdat zijn ex-partner al is gecompenseerd voor (onder meer) het toeslagjaar 2016 en eiser en zijn ex-partner van 1 februari 2013 tot en met 31 oktober 2016 elkaars toeslagpartners waren. De ex-partner heeft de € 30.000,- van de Catshuisregeling en een aanvullende schadevergoeding ontvangen. Als subsidiair standpunt handhaaft Dienst Toeslagen het eerder ingenomen standpunt zoals verwoord in het bestreden besluit. 8. Eiser stelt zich op het standpunt dat de toekenning van de compensatie over 2016 aan de ex-partner berust op een vergissing. De toekenning van compensatie aan zijn ex-partner kan hem niet worden tegengeworpen, omdat niet zijn ex-partner maar hij de aanvrager van de toeslag over 2016 is. Hij vindt dat hij bovenop de € 30.000,- die aan zijn ex-partner is toegekend recht heeft op vergoeding van het bedrag van € 5.504,-. 9. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wht bepaalt dat de Dienst Toeslagen aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor vóór 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend, ambtshalve eenmalig een forfaitair bedrag toekent van € 30.000, met dien verstande dat dit bedrag wordt verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met de bedragen die de aanvrager op het moment van toekenning van het forfaitaire bedrag al op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen. Bij vermindering tot nihil vindt geen toekenning plaats. 10. Zowel eiser als zijn ex-partner hebben op 5 juni 2020 verzocht om compensatie. Op de zitting is komen vast te staan dat met een besluit van 14 juni 2021 aan de ex-partner van eiser compensatie is toegekend over de toeslagjaren 2012 tot en met 2016 tot een bedrag van € 50.883,-, waarin het forfaitaire bedrag van € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling is inbegrepen. Eiser en zijn ex-partner waren op het moment van toekenning van deze compensatie nog samen en waren elkaars toeslagpartner. Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wht wordt het forfaitaire bedrag van € 30.000,- eenmalig uitbetaald. Dat is in dit geval ook gebeurd. De ouder en de (ex-)toeslagpartner moeten dit bedrag onderling verdelen. Het bedrag van € 5.504,- waar eiser aanspraak op maakt gaat het bedrag van € 30.000,- niet te boven. Eiser heeft daarom geen recht op aanvullende compensatie. 11. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij ook niet op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wht voor compensatie van € 10.000,- in aanmerking komt. Dit is in een apart besluit aan hem bekend gemaakt. Dit besluit ligt hier niet ter beoordeling voor. De rechtbank zal daarover daarom geen oordeel geven. 12. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de beroepsgronden gericht tegen de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit. 13. Omdat Dienst Toeslagen in beroep een nieuw (primair) standpunt heeft ingenomen is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. De rechtbank zal dit gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet aannemelijk dat eiser door dit motiveringsgebrek is benadeeld, omdat hij op de zitting op het primaire standpunt van Dienst Toeslagen heeft kunnen reageren. Wel is dit gebrek voor de rechtbank aanleiding om Dienst Toeslagen te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten van eiser uit de beroepsfase. Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. 15. Zoals overwogen onder 13 vertoont het bestreden besluit wel een gebrek. De rechtbank ziet daarin aanleiding om Dienst Toeslagen te veroordelen in de proceskosten van eiser voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Ook moet Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiser vergoeden. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1805 text/xml public 2026-05-11T13:23:44 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-22 25/2188 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1805 text/html public 2026-05-11T13:23:18 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1805 Rechtbank Midden-Nederland , 22-04-2026 / 25/2188 Beroep. Wht. Herbeoordeling recht kinderopvangtoeslag. Ex-partner heeft al compensatie ontvangen. Dienst Toeslagen heeft verzoek terecht afgewezen. Motiveringsgebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb. Beroep ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Almere Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2188 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. E.G. Engwirda), en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: [plaats] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door Dienst Toeslagen van eisers aanvraag om herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag (KOT) over het jaar 2016 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht voor 2016. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Wel is er sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser was de eigenaar van het [naam onderneming] . Hij heeft voor het jaar 2016 KOT aangevraagd in verband met de opvang van zijn (stief)zoon. Met het besluit van 21 mei 2016 is de KOT voor 2016 voorlopig vastgesteld op € 5.504,-. Daarna is met het besluit van 21 september 2016 de KOT voor 2016 vastgesteld op € 0,-. Met het besluit van 3 april 2017 heeft Dienst Toeslagen besloten de KOT voor 2016 niet te herstarten, omdat onvoldoende blijkt dat eiser recht heeft op KOT. Eiser heeft niet met loonstroken of andere bewijsstukken aangetoond dat hij in 2016 in een onderneming heeft gewerkt en daarvoor inkomsten heeft genoten. 3. Op 5 juni 2020 heeft eiser zich gemeld als gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire en heeft hij Dienst Toeslagen verzocht om een herbeoordeling van de KOT over het jaar 2016. Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 22 februari 2023 afgewezen. Daaraan is het advies van de onafhankelijke Commissie van Wijzen ten grondslag gelegd. Volgens Dienst Toeslagen is er wel sprake van vooringenomenheid, maar heeft eiser evident geen recht op KOT. Daarom krijgt eiser geen compensatie. 4. Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag om herbeoordeling gebleven. 5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend. 6. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Dienst Toeslagen, bijgestaan door mr. I. Mulder. Beoordeling door de rechtbank 7. In het verweerschrift heeft Dienst Toeslagen zijn standpunt uitgebreid en zich primair op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie, omdat zijn ex-partner al is gecompenseerd voor (onder meer) het toeslagjaar 2016 en eiser en zijn ex-partner van 1 februari 2013 tot en met 31 oktober 2016 elkaars toeslagpartners waren. De ex-partner heeft de € 30.000,- van de Catshuisregeling en een aanvullende schadevergoeding ontvangen. Als subsidiair standpunt handhaaft Dienst Toeslagen het eerder ingenomen standpunt zoals verwoord in het bestreden besluit. 8. Eiser stelt zich op het standpunt dat de toekenning van de compensatie over 2016 aan de ex-partner berust op een vergissing. De toekenning van compensatie aan zijn ex-partner kan hem niet worden tegengeworpen, omdat niet zijn ex-partner maar hij de aanvrager van de toeslag over 2016 is. Hij vindt dat hij bovenop de € 30.000,- die aan zijn ex-partner is toegekend recht heeft op vergoeding van het bedrag van € 5.504,-. 9. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wht bepaalt dat de Dienst Toeslagen aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor vóór 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend, ambtshalve eenmalig een forfaitair bedrag toekent van € 30.000, met dien verstande dat dit bedrag wordt verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met de bedragen die de aanvrager op het moment van toekenning van het forfaitaire bedrag al op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen. Bij vermindering tot nihil vindt geen toekenning plaats. 10. Zowel eiser als zijn ex-partner hebben op 5 juni 2020 verzocht om compensatie. Op de zitting is komen vast te staan dat met een besluit van 14 juni 2021 aan de ex-partner van eiser compensatie is toegekend over de toeslagjaren 2012 tot en met 2016 tot een bedrag van € 50.883,-, waarin het forfaitaire bedrag van € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling is inbegrepen. Eiser en zijn ex-partner waren op het moment van toekenning van deze compensatie nog samen en waren elkaars toeslagpartner. Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wht wordt het forfaitaire bedrag van € 30.000,- eenmalig uitbetaald. Dat is in dit geval ook gebeurd. De ouder en de (ex-)toeslagpartner moeten dit bedrag onderling verdelen. Het bedrag van € 5.504,- waar eiser aanspraak op maakt gaat het bedrag van € 30.000,- niet te boven. Eiser heeft daarom geen recht op aanvullende compensatie. 11. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij ook niet op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wht voor compensatie van € 10.000,- in aanmerking komt. Dit is in een apart besluit aan hem bekend gemaakt. Dit besluit ligt hier niet ter beoordeling voor. De rechtbank zal daarover daarom geen oordeel geven. 12. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de beroepsgronden gericht tegen de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit. 13. Omdat Dienst Toeslagen in beroep een nieuw (primair) standpunt heeft ingenomen is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. De rechtbank zal dit gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet aannemelijk dat eiser door dit motiveringsgebrek is benadeeld, omdat hij op de zitting op het primaire standpunt van Dienst Toeslagen heeft kunnen reageren. Wel is dit gebrek voor de rechtbank aanleiding om Dienst Toeslagen te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten van eiser uit de beroepsfase. Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. 15. Zoals overwogen onder 13 vertoont het bestreden besluit wel een gebrek. De rechtbank ziet daarin aanleiding om Dienst Toeslagen te veroordelen in de proceskosten van eiser voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Ook moet Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiser vergoeden. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.