Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-02-02
ECLI:NL:RBMNE:2026:1752
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,881 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1752 text/xml public 2026-04-30T10:16:15 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-02 UTR 25/5896 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1752 text/html public 2026-04-30T10:15:41 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1752 Rechtbank Midden-Nederland , 02-02-2026 / UTR 25/5896 Intrekking met pkv RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5896 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. J.J.M. Peters), en Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingediend op 10 oktober 2025, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Verweerder heeft op 30 oktober 2025 alsnog een besluit genomen op het Woo-verzoek van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen 1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen. 2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen . Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). 3. De rechtbank stelt vast dat verzoekster het beroep heeft ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie. Met het besluit van 10 oktober 2025 heeft verweerder alsnog beslist op dit verzoek. Daarmee is verweerder tegemoetgekomen aan verzoekster. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster om vergoeding van proceskosten. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden. 4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 ). 5. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Artikel 8:75a in combinatie met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Conform de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1752 text/xml public 2026-04-30T10:16:15 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-02 UTR 25/5896 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1752 text/html public 2026-04-30T10:15:41 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1752 Rechtbank Midden-Nederland , 02-02-2026 / UTR 25/5896 Intrekking met pkv RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5896 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. J.J.M. Peters), en Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingediend op 10 oktober 2025, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Verweerder heeft op 30 oktober 2025 alsnog een besluit genomen op het Woo-verzoek van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen 1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen. 2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen . Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). 3. De rechtbank stelt vast dat verzoekster het beroep heeft ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie. Met het besluit van 10 oktober 2025 heeft verweerder alsnog beslist op dit verzoek. Daarmee is verweerder tegemoetgekomen aan verzoekster. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster om vergoeding van proceskosten. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden. 4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 ). 5. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Artikel 8:75a in combinatie met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Conform de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.