Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-29
ECLI:NL:RBMNE:2026:1750
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,947 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1750 text/xml public 2026-05-11T10:00:26 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-29 11945523 \ LC EXPL 25-2285 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1750 text/html public 2026-05-08T11:39:38 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1750 Rechtbank Midden-Nederland , 29-04-2026 / 11945523 \ LC EXPL 25-2285 Met de trein reizen zonder geldig vervoerbewijs, omdat de kaartautomaten niet werken. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 11945523 \ LC EXPL 25-2285 Vonnis van 29 april 2026 in de zaak van NS REIZIGERS B.V. , gevestigd te Utrecht, eisende partij, hierna te noemen: NS Reizigers, gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders Groningen, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] heeft op 11 april 2025 gebruik gemaakt van de trein en gereisd van Lelystad Centrum naar Den Bosch. 2.2. [gedaagde] beschikte niet over een treinkaart. De conducteur heeft aan [gedaagde] een vervangend vervoerbewijs verstrekt. 3 De kern van de zaak 3.1. Omdat [gedaagde] voor de treinreis van station Lelystad Centrum naar station Den Bosch geen treinkaartje had gekocht, heeft [gedaagde] volgens NS Reizigers niet aan de verplichtingen van artikel 47 van het Besluit personenvervoer 2000 en artikel 70 van de Wet personenvervoer 2000 voldaan. [gedaagde] is daarom volgens NS Reizigers de ritprijs van € 24,30, de wettelijke verhoging van € 50,00 en de administratiekosten van € 15,00 verschuldigd. [gedaagde] heeft die kosten niet betaald. De vraag is of [gedaagde] de ritprijs met wettelijke verhoging en kosten moet betalen, alsmede de proceskosten. 4 De beoordeling 4.1. [gedaagde] beschikte op 11 april 2025 niet over een geldig vervoerbewijs, zoals vereist in artikel 47 Besluit personenvervoer 2000 (Bp2000). Artikel 47 Bp2000 verplicht reizigers in het openbaar vervoer om voor aanvang van de reis, of direct bij het betreden van een station/halte, in het bezit te zijn van een geldig elektronisch vervoerbewijs. Indien het verkrijgen van een vervoerbewijs niet mogelijk is, omdat het kaartapparaat buiten werking is, geldt dat de reiziger op grond van artikel 47 lid 1 onder b Bp2000 zich zo spoedig mogelijk nadat zij het vervoermiddel of het gedeelte van het station of de halte heeft betreden, voor zover daar een met afgifte of ontwaarding belaste functionaris aanwezig is, tot die functionaris moet wenden. Op grond van artikel 48 Bp2000 moet de reiziger die niet over een geldig vervoerbewijs beschikt de ritprijs en de wettelijke verhoging betalen. De ritprijs en de wettelijke verhoging zijn dan ook in beginsel verschuldigd. 4.2. [gedaagde] heeft aangegeven dat zij de bijkomende kosten niet wil betalen, omdat zij niet met opzet zonder treinkaartje heeft gereisd. Omdat de kaartautomaten op het station in Lelystad niet werkten, heeft zij zich direct gewend tot de conducteur. Volgens [gedaagde] kon zij ook geen kaartje kopen bij de conducteur, omdat zijn pinapparaat niet werkte en contant betalen niet mogelijk was. [gedaagde] heeft daarom van de conducteur een treinkaartje gekregen, zodat ze verder kon reizen. [gedaagde] heeft ook aangegeven dat de conducteur haar heeft medegedeeld dat zij later thuis daarover een brief zal ontvangen. [gedaagde] meent dan ook dat zij slechts gehoudenen is de treinrit te betalen, maar zo begrijpt de kantonrechter, niet de wettelijke verhoging en administratiekosten, laat staan de proceskosten. 4.3. Volgens NS Reizigers heeft de conducteur [gedaagde] de mogelijkheid geboden om ter plekke de kosten van de ritprijs met de wettelijke verhoging te betalen, maar heeft [gedaagde] dat niet gedaan. Het vervangend vervoerbewijs dat [gedaagde] zoals gebruikelijk in dat soort situaties van de conducteur heeft gekregen was een uitstel van betaling voor die ritprijs en wettelijke verhoging. NS Reizigers heeft [gedaagde] bij brieven van 15 april 2025 en 2 mei 2025 aangemaand om de ritprijs en wettelijke verhoging te betalen, maar ook dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Als de ritprijs en de wettelijke verhoging niet worden betaald, zijn op grond van artikel 48 lid 6 Bp2000 ook de administratiekosten verschuldigd. Omdat een reactie van de zijde van [gedaagde] uitbleef heeft NS Reizigers de zaak uit handen gegeven. Bij brief van 27 mei 2025, 11 juni 2025 en 9 juli 2025 van BOS-Incasso is [gedaagde] aangeschreven om binnen 7 dagen over te gaan tot betaling van de vervoersprijs van € 24,30, de wettelijke verhoging van € 50,00, de administratiekosten van € 15,00 en de incassokosten van € 25,00 (totaal € 114,30). Op die brieven heeft [gedaagde] niet gereageerd. [gedaagde] stelt dat zij haar tante in Den Bosch heeft verzorgd en na haar overlijden is meegegaan naar Marokko om haar daar te begraven. Eerst na terugkomst heeft [gedaagde] op 11 november 2025 contact kunnen opnemen met de deurwaarder, maar toen was NS Reizigers ook al tot dagvaarding overgegaan. 4.4. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] stellig is in haar verweer dat zij niet bij de kaartautomaten in Lelystad kon betalen noch bij de conducteur, terwijl zij daartoe wel bereid was. NS Reizigers stelt dat [gedaagde] daarvan geen enkel bewijs heeft aangedragen. Dat ontslaat NS Reizigers evenwel niet te volstaan met betwisting van het verweer van [gedaagde] . Het is evident dat [gedaagde] niet in staat is van haar stellingen bewijs te leveren, maar NS Reizigers moet wel in staat worden geacht het verhaal van [gedaagde] te verifieren. Van NS Reizigers had mogen worden verwacht onderzoek te doen naar het buitenwerking zijn van de kaartautomaten in Lelystad en het buitenwerking zijn van de pinautomaat van de conducteur. Dat heeft NS Reizigers evenwel nagelaten. Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde] enkel gehouden is de ritprijs van € 24,30 te voldoen. De gevorderde wettelijke rente is door [gedaagde] niet afzonderlijk betwist en op grond van de wet ook toewijsbaar. Proceskosten 4.5. [gedaagde] is wel gehouden proceskosten te betalen. [gedaagde] is in de periode van april tot en met juli 2025 eerst door NS Reizigers en later door het incassobureua meermaals aangeschreven. [gedaagde] heeft uiteindelijk pas gerageerd op 11 november 2025 nadat de dagvaarding al op 1 oktober 2025 was betekend. Eerst op 12 november 2025 is NS Reizigers bekend geworden met het verweer van [gedaagde] . Dit betekent dat NS Reizigers niet onnodig tot dagvaarding is overgegaan. Dat [gedaagde] in verband met haar verblijf in Marokko niet eerder kon reageren komt voor haar rekening en risico en kan niet aan NS Reizigers worden tegengeworpen. De proceskosten van NS Reizigers worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,14 - griffierecht € 135,00 - salaris gemachtigde € 86,00 (2 punten × € 43,00) - nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 388,64 5 De beslissing De kantonrechter: 5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan NS Reizigers van € 24,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 september 2025 tot de dag van algehele voldoening; 5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 388,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1750 text/xml public 2026-05-11T10:00:26 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-29 11945523 \ LC EXPL 25-2285 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Lelystad Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1750 text/html public 2026-05-08T11:39:38 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1750 Rechtbank Midden-Nederland , 29-04-2026 / 11945523 \ LC EXPL 25-2285 Met de trein reizen zonder geldig vervoerbewijs, omdat de kaartautomaten niet werken. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 11945523 \ LC EXPL 25-2285 Vonnis van 29 april 2026 in de zaak van NS REIZIGERS B.V. , gevestigd te Utrecht, eisende partij, hierna te noemen: NS Reizigers, gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders Groningen, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] heeft op 11 april 2025 gebruik gemaakt van de trein en gereisd van Lelystad Centrum naar Den Bosch. 2.2. [gedaagde] beschikte niet over een treinkaart. De conducteur heeft aan [gedaagde] een vervangend vervoerbewijs verstrekt. 3 De kern van de zaak 3.1. Omdat [gedaagde] voor de treinreis van station Lelystad Centrum naar station Den Bosch geen treinkaartje had gekocht, heeft [gedaagde] volgens NS Reizigers niet aan de verplichtingen van artikel 47 van het Besluit personenvervoer 2000 en artikel 70 van de Wet personenvervoer 2000 voldaan. [gedaagde] is daarom volgens NS Reizigers de ritprijs van € 24,30, de wettelijke verhoging van € 50,00 en de administratiekosten van € 15,00 verschuldigd. [gedaagde] heeft die kosten niet betaald. De vraag is of [gedaagde] de ritprijs met wettelijke verhoging en kosten moet betalen, alsmede de proceskosten. 4 De beoordeling 4.1. [gedaagde] beschikte op 11 april 2025 niet over een geldig vervoerbewijs, zoals vereist in artikel 47 Besluit personenvervoer 2000 (Bp2000). Artikel 47 Bp2000 verplicht reizigers in het openbaar vervoer om voor aanvang van de reis, of direct bij het betreden van een station/halte, in het bezit te zijn van een geldig elektronisch vervoerbewijs. Indien het verkrijgen van een vervoerbewijs niet mogelijk is, omdat het kaartapparaat buiten werking is, geldt dat de reiziger op grond van artikel 47 lid 1 onder b Bp2000 zich zo spoedig mogelijk nadat zij het vervoermiddel of het gedeelte van het station of de halte heeft betreden, voor zover daar een met afgifte of ontwaarding belaste functionaris aanwezig is, tot die functionaris moet wenden. Op grond van artikel 48 Bp2000 moet de reiziger die niet over een geldig vervoerbewijs beschikt de ritprijs en de wettelijke verhoging betalen. De ritprijs en de wettelijke verhoging zijn dan ook in beginsel verschuldigd. 4.2. [gedaagde] heeft aangegeven dat zij de bijkomende kosten niet wil betalen, omdat zij niet met opzet zonder treinkaartje heeft gereisd. Omdat de kaartautomaten op het station in Lelystad niet werkten, heeft zij zich direct gewend tot de conducteur. Volgens [gedaagde] kon zij ook geen kaartje kopen bij de conducteur, omdat zijn pinapparaat niet werkte en contant betalen niet mogelijk was. [gedaagde] heeft daarom van de conducteur een treinkaartje gekregen, zodat ze verder kon reizen. [gedaagde] heeft ook aangegeven dat de conducteur haar heeft medegedeeld dat zij later thuis daarover een brief zal ontvangen. [gedaagde] meent dan ook dat zij slechts gehoudenen is de treinrit te betalen, maar zo begrijpt de kantonrechter, niet de wettelijke verhoging en administratiekosten, laat staan de proceskosten. 4.3. Volgens NS Reizigers heeft de conducteur [gedaagde] de mogelijkheid geboden om ter plekke de kosten van de ritprijs met de wettelijke verhoging te betalen, maar heeft [gedaagde] dat niet gedaan. Het vervangend vervoerbewijs dat [gedaagde] zoals gebruikelijk in dat soort situaties van de conducteur heeft gekregen was een uitstel van betaling voor die ritprijs en wettelijke verhoging. NS Reizigers heeft [gedaagde] bij brieven van 15 april 2025 en 2 mei 2025 aangemaand om de ritprijs en wettelijke verhoging te betalen, maar ook dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Als de ritprijs en de wettelijke verhoging niet worden betaald, zijn op grond van artikel 48 lid 6 Bp2000 ook de administratiekosten verschuldigd. Omdat een reactie van de zijde van [gedaagde] uitbleef heeft NS Reizigers de zaak uit handen gegeven. Bij brief van 27 mei 2025, 11 juni 2025 en 9 juli 2025 van BOS-Incasso is [gedaagde] aangeschreven om binnen 7 dagen over te gaan tot betaling van de vervoersprijs van € 24,30, de wettelijke verhoging van € 50,00, de administratiekosten van € 15,00 en de incassokosten van € 25,00 (totaal € 114,30). Op die brieven heeft [gedaagde] niet gereageerd. [gedaagde] stelt dat zij haar tante in Den Bosch heeft verzorgd en na haar overlijden is meegegaan naar Marokko om haar daar te begraven. Eerst na terugkomst heeft [gedaagde] op 11 november 2025 contact kunnen opnemen met de deurwaarder, maar toen was NS Reizigers ook al tot dagvaarding overgegaan. 4.4. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] stellig is in haar verweer dat zij niet bij de kaartautomaten in Lelystad kon betalen noch bij de conducteur, terwijl zij daartoe wel bereid was. NS Reizigers stelt dat [gedaagde] daarvan geen enkel bewijs heeft aangedragen. Dat ontslaat NS Reizigers evenwel niet te volstaan met betwisting van het verweer van [gedaagde] . Het is evident dat [gedaagde] niet in staat is van haar stellingen bewijs te leveren, maar NS Reizigers moet wel in staat worden geacht het verhaal van [gedaagde] te verifieren. Van NS Reizigers had mogen worden verwacht onderzoek te doen naar het buitenwerking zijn van de kaartautomaten in Lelystad en het buitenwerking zijn van de pinautomaat van de conducteur. Dat heeft NS Reizigers evenwel nagelaten. Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde] enkel gehouden is de ritprijs van € 24,30 te voldoen. De gevorderde wettelijke rente is door [gedaagde] niet afzonderlijk betwist en op grond van de wet ook toewijsbaar. Proceskosten 4.5. [gedaagde] is wel gehouden proceskosten te betalen. [gedaagde] is in de periode van april tot en met juli 2025 eerst door NS Reizigers en later door het incassobureua meermaals aangeschreven. [gedaagde] heeft uiteindelijk pas gerageerd op 11 november 2025 nadat de dagvaarding al op 1 oktober 2025 was betekend. Eerst op 12 november 2025 is NS Reizigers bekend geworden met het verweer van [gedaagde] . Dit betekent dat NS Reizigers niet onnodig tot dagvaarding is overgegaan. Dat [gedaagde] in verband met haar verblijf in Marokko niet eerder kon reageren komt voor haar rekening en risico en kan niet aan NS Reizigers worden tegengeworpen. De proceskosten van NS Reizigers worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,14 - griffierecht € 135,00 - salaris gemachtigde € 86,00 (2 punten × € 43,00) - nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 388,64 5 De beslissing De kantonrechter: 5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan NS Reizigers van € 24,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 september 2025 tot de dag van algehele voldoening; 5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 388,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.