Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-21
ECLI:NL:RBMNE:2026:1732
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummers: 16.228594-25 en 16.151447-24 (vordering tul) (P) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [2007 ] in [geboorteplaats] , wonende aan het [adres] , [woonplaats] , (hierna: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 7 april 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. J. Boon; de advocaat van de verdachte: mr. F.M.M.M. Vogels (hierna: de advocaat); de jeugdreclasseerder van de William Schrikker Groep (hierna: de WSG). 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: feit 1 op 26 augustus 2025 in Bilthoven samen met een of meer anderen of alleen een vuurwapen (alarmrevolver) en munitie (7 scherpe patronen) voorhanden heeft gehad; feit 2 primair op 26 augustus 2025 in Bilthoven samen met een of meer anderen of alleen heeft geprobeerd om een of meer personen af te persen en/of met (bedreiging met) geweld een of meer goederen van hen te stelen; subsidiair op 26 augustus 2025 in Bilthoven ter voorbereiding van (een van) de onder primair ten laste gelegde misdrijven samen met een of meer anderen of alleen voorwerpen en een vervoermiddel voorhanden heeft gehad; feit 3 op 26 augustus 2025 in Bilthoven samen met een of meer anderen of alleen een of meer onbekend gebleven personen en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met de dood en/of met zware mishandeling; feit 4 op 28 augustus 2025 in Almere een vuurwapen (alarmpistool) en munitie (3 scherpe patronen) voorhanden heeft gehad. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 primair, 3 en 4 heeft gepleegd. 3.2 Standpunt van de verdediging De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van de feiten 1 en 4. Ten aanzien van feit 2 primair stelt de advocaat dat dit niet kan worden bewezen, omdat de verdachte en de medeverdachten in Bilthoven hebben rondgelopen, maar dat onduidelijk is wat hun bedoeling is geweest. De advocaat stelt dat feit 2 subsidiair bewezen kan worden verklaard. De advocaat stelt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 3 heeft gepleegd. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Bewijsmiddelen feiten 1, 2 primair, 3 en 4 De rechtbank oordeelt dat de feiten 1, 2 primair, 3 en 4 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. De verdachte bekent dat hij de feiten 1 en 4 heeft gepleegd. Door of namens de verdachte is ook niet om vrijspraak van deze feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom ten aanzien van de feiten 1 en 4 alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert. Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. 3.3.2 Bewijsoverwegingen feiten 2 primair en 3 Vaststaande feiten en omstandigheden Op grond van de inhoud van het dossier, in het bijzonder de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, en hetgeen ter zitting is besproken, kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Op 26 augustus 2025 zijn drie jonge mannen met een Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken] naar het centrum van Bilthoven gereden. Nadat zij de auto hadden geparkeerd op de Prins Bernhardlaan, bleef de bestuurder in de auto zitten en gingen de beide andere mannen lopend het centrum van Bilthoven in. Beide mannen waren geheel in het zwart gekleed, droegen gezichtsbedekkende kleding en een van hen droeg een rugtas op zijn buik. De mannen renden door het centrum van Bilthoven, in de richting van de [straat] . Meerdere ge 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: feit 1 op 26 augustus 2025 te Bilthoven tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (naar scherpschietend) omgebouwde alarmrevolver van het merk BBM (Bruni), model Olympic 38, kaliber .22, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 7 scherpe patronen, van het merk Federal, kaliber .22LR voorhanden heeft gehad; feit 2 primair op 26 augustus 2025 te Bilthoven tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een of meer onbekend gebleven personen te dwingen tot de afgifte van een of meerdere goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die onbekend gebleven personen en/of een derde toebehoorde(n) en/of een of meer goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een of meer onbekend gebleven personen, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer onbekend gebleven personen, te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren - naar het centrum van Bilthoven is gereden, - donkere kleding en een bivakmuts, althans gezicht bedekkende kleding, heeft aangedaan en gedragen, - een rugzak heeft gedragen, - een hamer en/of een vuurwapen bij zich heeft gedragen, en - met een hamer en een vuurwapen naar de [straat] , in elk geval een winkelstraat, is gelopen en/of gerend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 3 op 26 augustus 2025 te Bilthoven tezamen en in vereniging met anderen een of meerdere onbekend gebleven personen en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een hamer en een vuurwapen te tonen, een vuurwapen te richten op eerder genoemde personen, en daarbij die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik waarschuw je"; feit 4 op 28 augustus 2025 te Almere een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (naar scherpschietend) omgebouwd alarmpistool, van het merk Retay, mode P114, kaliber 9mm P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 3 scherpe patronen, van het merk S&B, kaliber 7.65 Br. voorhanden heeft gehad. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: feit 1 ten aanzien van het wapen: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; ten aanzien van de munitie: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; feit 2 primair poging tot afpersing en/of poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf het De rechtbank houdt hiermee rekening in het nadeel van de verdachte. De reclassering heeft in het rapport van 3 april 2026 geconcludeerd dat, hoewel geen diagnostiek bekend is over de verstandelijke vermogens van de verdachte, er aanwijzingen zijn voor beperkte verstandelijke vermogens. De verdachte volgt onderwijs op een laag onderwijsniveau, lijkt beperkte leercapaciteiten te bezitten en lijkt nog ontvankelijk voor de pedagogische invloed van volwassenen. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. In het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis heeft de verdachte sinds 3 januari 2026 een schorsingstoezicht bij de jeugdreclassering van de WSG met een aantal bijzondere voorwaarden. De verdachte verleent medewerking aan onder meer ambulante behandeling, houdt zich aan de regels bij het begeleid wonen en van ITB harde kern en is goed in contact met de jeugdreclassering. Dit traject loopt goed en de verdachte is gemotiveerd zich aan de voorwaarden te (blijven) houden. De reclassering, en ook de jeugdreclassering, ziet meerwaarde in voortzetting van dit traject en adviseert daarom toepassing van het jeugdstrafrecht en oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf, met voortzetting van het huidige reclasseringstoezicht en de bijbehorende bijzondere voorwaarden. Op zitting heeft de jeugdreclasseerder van de WSG een toelichting gegeven op het rapport. Hij heeft verklaard zeer tevreden te zijn over het toezicht. In aanvulling op het advies in het rapport heeft de jeugdreclasseerder gevraagd als aanvullende (bijzondere) voorwaarde op te nemen dat de verdachte medewerking dient te verlenen aan het opstellen van diagnostiek. De op te leggen straf Bij het bepalen van de straf en de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de hiervoor genoemde aard en ernst van de bewezen feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten door de verdachte zijn gepleegd. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden zoals hiervoor omschreven. De rechtbank ziet, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte en het advies van de reclassering, aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank vindt dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere of minder zware straf dan een jeugddetentie. Een lichtere strafrechtelijke afdoening zou de aard en de ernst van de bewezen feiten miskennen. Omdat het huidige schorsingstoezicht bij de jeugdreclassering van de WSG goed verloopt, de verdachte zich houdt aan de hem gestelde voorwaarden en gemotiveerd is zich te blijven houden aan deze voorwaarden en de reclassering meerwaarde ziet om dit traject voort te zetten, zal de rechtbank het advies van de reclassering volgen. De rechtbank is van oordeel dat dit in het belang is van de verdachte en zijn persoonlijke ontwikkeling, maar dat ook de maatschappij gebaat is bij begeleiding en behandeling van de verdachte om hem in de toekomst op het rechte pad te houden. Alles overwegend vindt de rechtbank het passend en geboden om aan de verdachte een jeugddetentie op te leggen voor de duur van 200 dagen, waarvan 70 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op deze jeugddetentie in mindering worden gebracht. Dit betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de (jeugd)gevangenis. Het voorwaardelijke strafdeel dient mede als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering, ook de voorwaarde dat de verdachte medewerking dient te verlenen aan het opstellen van diagnostiek. 6 Beslag 6.1 In beslag genomen voorwerpen Volgens een ‘ Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen ’ van 2 april 2026 is onder de verdachte beslag gelegd op: een telefoontoestel, Apple, blauw, voorwerpnummer PL0900-2025288925-3580070; een jas, zwart, De verdachte moet begrijpen dat aan het overtreden van voorwaarden gevolgen zijn verbonden en dat als hij in de toekomst nogmaals een strafbaar feit pleegt, de tweede maand jeugddetentie ook ten uitvoer kan worden gelegd. 8 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en de beslissingen op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: 36b, 36c, 36d, 45, 47, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht; 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 9 Beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 primair, 3 en 4 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid feiten - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; Strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde; Straf - veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 200 (tweehonderd) dagen ; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 70 (zeventig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - als voorwaarden gelden dat de verdachte: * zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; * ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; * medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd: * begeleiding door de jeugdreclassering: de verdachte werkt mee aan het toezicht door de jeugdreclassering en blijft zich melden op afspraken met de jeugdreclassering van de William Schrikker Groep, zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt; * contactverbod: de verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met: - de medeverdachten [medeverdachte 1] , geboren op [2009] , en [medeverdachte 2] , geboren op [2003] ; - de slachtoffers [slachtoffer 1] , geboren op [1960] , en [slachtoffer 2] , geboren op [1960] ; zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; * locatieverbod (met elektronisch toezicht): de verdachte bevindt zich niet in een straal van 1.000 meter van de [adres] te [woonplaats] . De verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. De elektronische monitoring is van kracht zolang de reclassering dit nodig acht, maar niet langer dan voor de duur van 6 maanden. De verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen; * locatiegebod (met elektronisch toezicht): de verdachte verblijft gedurende de periode van het toezicht op het adres [adres] , [woonplaats] . Hij heeft daarbij een aaneengesloten blok van 12 respectievelijk 15 uur ter invulling van zijn activiteiten (sport, hobby’s, school, werk, behandeling), zoals met de gecertificeerde instelling / Reclassering wordt afgesproken. Als de Raad voor de Kinderbescherming, gecertificeerde instelling of reclassering het noodzakelijk vindt om voor een doelmatige uitvoering van het Hammerle, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026. De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I: Tenlastelegging Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat hij: 1 op of omstreeks 26 augustus 2025 te Bilthoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (naar scherpschietend) omgebouwd alarmrevolver, van het merk BBM (Bruni), model Olympic 38, kaliber .22, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 7 scherpe patronen, van het merk Federal, kaliber .22LR voorhanden heeft gehad; 2 op of omstreeks 26 augustus 2025 te Bilthoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een of meer onbekend gebleven personen te dwingen tot de afgifte van een of meerdere goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die onbekend gebleven personen en/of een derde toebehoorde(n) en/of een of meer goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een of meer onbekend gebleven personen, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer onbekend gebleven personen, te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren - naar het centrum van Bilthoven is gereden/vervoerd, - donkere kleding en/of een bivakmuts, althans gezicht bedekkende kleding, heeft aangedaan en/of gedragen, - een rugzak heeft gedragen, - een hamer en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, bij zich heeft gedragen, en/of - met een hamer en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, naar de [straat] , in elk geval een winkelstraat, is gelopen en/of gerend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: op of omstreeks 26 augustus 2025 te Bilthoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een afpersing in vereniging of een diefstal met geweld in vereniging, opzettelijk voorwerpen en een vervoermiddel, te weten - een personenauto (geschikt om te vluchten en/of om de buit te vervoeren), - donkere kleding en/of een bivakmuts, althans gezicht bedekkende kleding (geschikt om de identiteit te verhullen), - een rugzak (geschikt om de buit te vervoeren), - een hamer (geschikt om te dreigen en/of te verwonden), en/of - een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (geschikt om te dreigen en/of te verwonden), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad; 3 op of omstreeks 26 augustus 2025 te Bilthoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere anoniem en/of onbekend gebleven personen en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een hamer en/of een vuurwapen, al Het proces-verbaal van verhoor getuige , met daarin een verklaring van de getuige [slachtoffer 1] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 26 augustus 2025 was ik op de Julianalaan te Bilthoven. Ik zag twee mannen rennen. Ik kan de mannen als volgt omschrijven: Man 1: Donkergetinte huidskleur; Zwarte bivakmuts; Zwarte jas; Zwarte broek; Zwarte schoenen. Man 2: Zwarte bivakmuts; Zwarte jas; Rugtas op de buik; Zwarte broek; Zwarte schoenen. Man 2 haalde een voorwerp gelijkend aan een hamer uit de rugtas op zijn buik en dat hij deze hamer vasthield. Ik zag dat de twee mannen door renden. Ik zag dat man 1 naar mij keek. Ik zag vervolgens dat man 1 een voorwerp gelijkend aan een pistool ergens vandaan haalde. Er stond nog een man buiten die aan het werk was. Ik zag dat man l het pistool richtte op de bovengenoemde man. Vervolgens zag ik dat man l het pistool richtte op mij. Ik denk dat hij het pistool richtte op mijn borstkas. Ik weet niet precies hoe lang man l het pistool op mij richtte, maar ik denk dat dit ongeveer een seconde was. Ik zag dat man 1 en man 2 verder renden richting de kruising van de Julianalaan en de Prins Bernardlaan. Op het moment dat man 1 het pistool richtte op mij, was ik overtuigd dat ik dood zou gaan. Ik was doodsbang. Het proces-verbaal van bevindingen , met daarin bevindingen van een verbalisant van politie Midden-Nederland, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik hoorde een getuige die het volgende verklaarde: “Op 26 augustus 2025 zag ik op de Prins Bernhardlaan te Bilthoven een grijze Volkswagen stond, volgens mij een Volkswagen Golf. In deze Volkswagen zat een jongen die erg vaak om zich heen keek. Deze jongen zat op de bestuurderstoel zat. Ik zag dat twee jongens mijn richting op renden en in de Volkswagen stapten. Hierna reed de grijze Volkswagen weg.” Ik hoorde een tweede getuige die verklaarde: "Op 26 augustus 2025 was ik op de Julianalaan te Bilthoven. Ik stond op het trottoir naast mijn vrachtwagen. Ik zag dat twee jongens renden op het fietspad. Deze jongens renden mijn kant op. Ik zag dat jongen 1 een rugzak op zijn buik had hangen. Toen ik mijn omdraaide zag ik dat hij een klauwhamer uit deze rugzak haalde. Ik zag dat jongen 2 een pistool pakte uit een rugzak die hij op zijn buik had. Ik zag dat hij dit pistool, voor ongeveer drie seconden, op mij richtte, op de bovenkant van mijn borst. Achteraf had dit ook anders kunnen aflopen, ik had dood kunnen zijn.” Het proces-verbaal van bevindingen , met daarin bevindingen van een verbalisant van politie Midden-Nederland, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 26 augustus 2025 zagen wij een Volkswagen Golf rijden voorzien van het kenteken [kenteken] . Wij zagen drie jonge mannen in het voertuig. De bestuurder bleek te zijn: [medeverdachte 2] . De passagier linksachter in het voertuig bleek te zijn: [verdachte] . Ik zag dat tussen de benen van [verdachte] een zwarte tas stond. Ik vroeg aan [verdachte] wat in deze tas zat en ik hoorde [verdachte] zeggen “een vuurwapen.” Ik pakte de tas en zag dat in de tas een hamer zat. Het voertuig is doorzocht door een collega. Ik hoorde deze collega zeggen dat hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp had aangetroffen in het voertuig. De verklaring van de verdachte , onder meer inhoudende: Op 26 augustus 2025 zijn wij met z’n drieën in een Volkswagen Golf naar Bilthoven gereden. Ik heb door Bilthoven gelopen met een rugtas op mijn buik. Bij de aanhouding zat ik in de Volkswagen Golf met een tas tussen mijn benen en in deze tas zat een klauwhamer. Het klopt dat in de auto ook een revolver is aangetroffen. Wanneer hierna wordt verwezen naar pagina’s, zijn dit pagina’s uit het Proces-verbaal voorgeleidingsdossier, onderzoek 3DR25HAVEN, van politie eenheid Midden-Nederland, onderzoeksnummer MD3R025091, BVH-nummer 2025288925/2025288909, (digitaal) doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 64. Tenzij anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door