Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-23
ECLI:NL:RBMNE:2026:1693
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,761 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1693 text/xml public 2026-05-11T09:40:44 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-23 UTR 24/2842 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1693 text/html public 2026-05-11T09:40:19 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1693 Rechtbank Midden-Nederland , 23-04-2026 / UTR 24/2842 pkv RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2842 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: I. Szulc), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht , verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. 2. Verweerder heeft op 29 januari 2024 een beslissing op bezwaar genomen. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 27 mei 2025 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op de beslissing op bezwaar en dat hij de onderhavige in geschil zijnde aanslag afvalstoffenheffing en aanslag zuiveringsheffing bedrijven vernietigt. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft op 5 juni 2025 het beroep ingetrokken met het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten. 3. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)). 4. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoeker. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoeker te vergoeden. 5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 800,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde de wegingsfactor 0,5 toegepast. 6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 800,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1693 text/xml public 2026-05-11T09:40:44 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-23 UTR 24/2842 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1693 text/html public 2026-05-11T09:40:19 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1693 Rechtbank Midden-Nederland , 23-04-2026 / UTR 24/2842 pkv RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2842 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: I. Szulc), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht , verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. 2. Verweerder heeft op 29 januari 2024 een beslissing op bezwaar genomen. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 27 mei 2025 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op de beslissing op bezwaar en dat hij de onderhavige in geschil zijnde aanslag afvalstoffenheffing en aanslag zuiveringsheffing bedrijven vernietigt. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft op 5 juni 2025 het beroep ingetrokken met het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten. 3. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)). 4. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoeker. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoeker te vergoeden. 5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 800,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde de wegingsfactor 0,5 toegepast. 6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 800,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.