Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-11
ECLI:NL:RBMNE:2026:1688
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,603 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1688 text/xml public 2026-05-01T09:44:17 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-11 UTR 25/4189 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1688 text/html public 2026-05-01T09:43:53 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1688 Rechtbank Midden-Nederland , 11-03-2026 / UTR 25/4189 BNT, PKV RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4189 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.E.E. Vollebregt), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verweerder heeft op 2 januari 2026 gereageerd op dit verzoek om veroordeling in de proceskosten. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. 2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan eiseres) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen . Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). 3. In deze procedure heeft verweerder een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarmee verzoeker kan instemmen. Nu hiermee volledig aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen, heeft verzoeker het beroep ingetrokken. 4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 934,-. 5. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling aan verzoeker van € 934,- aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1688 text/xml public 2026-05-01T09:44:17 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-11 UTR 25/4189 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1688 text/html public 2026-05-01T09:43:53 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1688 Rechtbank Midden-Nederland , 11-03-2026 / UTR 25/4189 BNT, PKV RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4189 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.E.E. Vollebregt), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verweerder heeft op 2 januari 2026 gereageerd op dit verzoek om veroordeling in de proceskosten. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. 2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan eiseres) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen . Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). 3. In deze procedure heeft verweerder een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarmee verzoeker kan instemmen. Nu hiermee volledig aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen, heeft verzoeker het beroep ingetrokken. 4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 934,-. 5. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling aan verzoeker van € 934,- aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).