Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-20
ECLI:NL:RBMNE:2026:1632
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,935 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1632 text/xml public 2026-05-06T10:18:38 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-20 UTR 25/4583 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1632 text/html public 2026-05-06T10:18:24 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1632 Rechtbank Midden-Nederland , 20-04-2026 / UTR 25/4583 Omgevingswet. Omgevingsvergunning voor het kappen van 25 bomen. Ontvankelijkheid. Eén eiser heeft te laat beroep ingesteld. Dit is niet verschoonbaar. De omgevingsvergunning is niet in strijd met het verbod op vooringenomenheid verleend. Omdat de kap al heeft plaatsgevonden, hebben eisers geen procesbelang meer bij de door hen aangevoerde beroepsgrond over de aanvullende motivering van het bestreden besluit waarom de omgevingsvergunning is verleend. Eisers hebben nog wel procesbelang bij de herplantplicht, maar zij hebben de beroepsgrond die daarop zag op de zitting ingetrokken. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4583 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen 1. [eiser 1] en [eiser 2] , 2. [eiser 3] en [eiser 4] , 3. [eiser 5] en [eiser 6] , 4. [eiser 7] en [eiser 8] , 5. [eiser 9] en [eiser 10] , 6. [eiser 11] , 7. [eiser 12] , 8. [eiser 13] , 9. [eiser 14] en [eiser 15] , 10. [eiser 16] en [eiser 17] , 11. [eiser 18] en [eiser 19] , 12. [eiser 20] en [eiser 21] , allen uit [plaats] , eisers (gemachtigde: mr. N.A. Visser), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren , verweerder (gemachtigde: mr. A.M. van Kordelaar). Inleiding 1.1. Deze procedure is begonnen met een verzoek van eisers en nog een aantal personen uit [plaats] (gemeente Gooise Meren) aan het college om handhavend op te treden tegen de kapwerkzaamheden die in augustus 2024 werden uitgevoerd op het perceel naast [adres 1] in [plaats] , kadastraal bekend [plaats] [nummer] . Het perceel is onbebouwd, maar er was wel een vooroverlegplan ingediend met het voornemen om op het perceel een woonzorgcomplex voor senioren te realiseren. Op de zitting heeft het college toegelicht dat hij dit vooroverlegplan inmiddels als onwenselijk heeft beoordeeld. 1.2. Het college heeft naar aanleiding van het handhavingsverzoek contact opgenomen met de eigenaar van het perceel. Die heeft vervolgens ter legalisatie van de reeds uitgevoerde kapwerkzaamheden bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het kappen van 25 bomen. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend. In de voorschriften van de omgevingsvergunning is een herplantplicht opgenomen voor de herplant van 25 bomen, in de soort 1e en 2e boomgrootte met een maat van 16-18 omtrek stam bij aanplant. De bomen moesten volgens het voorschrift in de omgevingsvergunning uiterlijk in het plantseizoen na het realiseren van het woonzorgcomplex op het perceel worden geplant. 1.3. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning en hebben hier bij het college bezwaar tegen gemaakt. Met het bestreden besluit van 25 juni 2025 op de bezwaren van eisers heeft het college de omgevingsvergunning met een aanvulling van de motivering en een verzwaring van de herplantplicht in stand gelaten. Naast de 25 bomen die zijn opgenomen in de herplantplicht in de omgevingsvergunning moet vergunninghouder nog 9 extra bomen op het perceel herplanten vanwege het reeds in 2022 kappen van 10 bomen op het perceel. Vergunninghouder moet 3 Quercus robur, 3 Fagus sylvatica en 3 Pnu sylvestris met de levermaat 20-25 herplanten. De termijn waarop de totale herplantplicht moet worden uitgevoerd is in het bestreden besluit teruggebracht naar het plantseizoen najaar 2026. 1.4. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de eisers [eiser 1] , [eiser 8] en [eiser 10] en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Ontvankelijkheid van het beroep van eiser [eiser 12] 2. De rechtbank moet voordat zij een beroep in behandeling neemt eerst ambtshalve beoordelen of dat beroep ontvankelijk is. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep voor zover dat is ingediend door [eiser 12] niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit bekend is gemaakt. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. 4. Alle eisers met uitzondering van [eiser 12] , hebben binnen zes weken nadat het college het bestreden besluit bekend heeft gemaakt – en dus tijdig – beroep ingesteld door middel van het indienen van een zogenaamd pro forma beroepschrift. Zij hebben in dit pro forma beroepschrift de rechtbank verzocht aan hen een nadere termijn te verlenen waarbinnen zij de gronden van het beroep mochten indienen. Binnen de aan hen verleende termijn hebben eisers vervolgens de gronden van het beroep aangevuld. Deze aanvulling van de gronden is ook ingediend namens [eiser 12] , die nog niet eerder beroep had ingesteld. Omdat de termijn van zes weken voor het indienen van beroep bij het indienen van de aanvullende beroepsgronden inmiddels ruimschoots verstreken was, is het beroepschrift van [eiser 12] niet tijdig ingediend. 5. Eisers hebben op de zitting toegelicht dat deze eiser pas later op de [adres 2] in [plaats] is komen wonen en dat zij hem daarom niet eerder hebben kunnen vragen om deel te nemen aan de beroepsprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen reden om het te laat indienen van het beroepschrift door [eiser 12] verschoonbaar te achten. De rechtbank zal het beroep van deze eiser daarom niet-ontvankelijk verklaren. Inhoudelijke beoordeling van het beroep van de overige eisers 6. Omdat alle andere eisers wel tijdig een beroepschrift hebben ingediend tegen het bestreden besluit, zal de rechtbank het beroep hierna wel inhoudelijk beoordelen. Wat beoordeelt de rechtbank? 7. De rechtbank stelt bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep voorop dat het gaat om een besluit van het college op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het kappen van 25 bomen. Dit betekent dat de rechtbank alleen over dat besluit in deze uitspraak een oordeel kan geven. 8. Dit betekent dat de rechtbank in deze procedure geen oordeel kan geven over de beroepsgronden die gaan over het verzoek om handhaving van eisers en anderen. Ook al is dit verzoek de aanleiding geweest voor het indienen van de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Op de zitting heeft het college toegelicht dat hij het besluit op dit handhavingsverzoek in afwachting van de afhandeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning heeft aangehouden. Het college zal daar na afloop van de beroepsprocedure over de omgevingsvergunning nog een besluit over nemen. Is sprake van een aanvraag? 9. Eisers voeren over de omgevingsvergunning aan dat de persoon die het aanvraagformulier voor de omgevingsvergunning heeft ingediend geen belanghebbende was bij deze aanvraag. Volgens eisers was niet de betreffende persoon, maar [bedrijf] B.V. ten tijde van de aanvraag eigenaar van het perceel. Een verzoek aan het college is alleen een aanvraag als dat verzoek is ingediend door een belanghebbende. Omdat de betreffende persoon geen belanghebbende was, had het college volgens eisers het verzoek buiten behandeling moeten laten. 10. De rechtbank is het daar niet mee eens.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1632 text/xml public 2026-05-06T10:18:38 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-20 UTR 25/4583 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1632 text/html public 2026-05-06T10:18:24 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1632 Rechtbank Midden-Nederland , 20-04-2026 / UTR 25/4583 Omgevingswet. Omgevingsvergunning voor het kappen van 25 bomen. Ontvankelijkheid. Eén eiser heeft te laat beroep ingesteld. Dit is niet verschoonbaar. De omgevingsvergunning is niet in strijd met het verbod op vooringenomenheid verleend. Omdat de kap al heeft plaatsgevonden, hebben eisers geen procesbelang meer bij de door hen aangevoerde beroepsgrond over de aanvullende motivering van het bestreden besluit waarom de omgevingsvergunning is verleend. Eisers hebben nog wel procesbelang bij de herplantplicht, maar zij hebben de beroepsgrond die daarop zag op de zitting ingetrokken. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4583 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen 1. [eiser 1] en [eiser 2] , 2. [eiser 3] en [eiser 4] , 3. [eiser 5] en [eiser 6] , 4. [eiser 7] en [eiser 8] , 5. [eiser 9] en [eiser 10] , 6. [eiser 11] , 7. [eiser 12] , 8. [eiser 13] , 9. [eiser 14] en [eiser 15] , 10. [eiser 16] en [eiser 17] , 11. [eiser 18] en [eiser 19] , 12. [eiser 20] en [eiser 21] , allen uit [plaats] , eisers (gemachtigde: mr. N.A. Visser), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren , verweerder (gemachtigde: mr. A.M. van Kordelaar). Inleiding 1.1. Deze procedure is begonnen met een verzoek van eisers en nog een aantal personen uit [plaats] (gemeente Gooise Meren) aan het college om handhavend op te treden tegen de kapwerkzaamheden die in augustus 2024 werden uitgevoerd op het perceel naast [adres 1] in [plaats] , kadastraal bekend [plaats] [nummer] . Het perceel is onbebouwd, maar er was wel een vooroverlegplan ingediend met het voornemen om op het perceel een woonzorgcomplex voor senioren te realiseren. Op de zitting heeft het college toegelicht dat hij dit vooroverlegplan inmiddels als onwenselijk heeft beoordeeld. 1.2. Het college heeft naar aanleiding van het handhavingsverzoek contact opgenomen met de eigenaar van het perceel. Die heeft vervolgens ter legalisatie van de reeds uitgevoerde kapwerkzaamheden bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het kappen van 25 bomen. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend. In de voorschriften van de omgevingsvergunning is een herplantplicht opgenomen voor de herplant van 25 bomen, in de soort 1e en 2e boomgrootte met een maat van 16-18 omtrek stam bij aanplant. De bomen moesten volgens het voorschrift in de omgevingsvergunning uiterlijk in het plantseizoen na het realiseren van het woonzorgcomplex op het perceel worden geplant. 1.3. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning en hebben hier bij het college bezwaar tegen gemaakt. Met het bestreden besluit van 25 juni 2025 op de bezwaren van eisers heeft het college de omgevingsvergunning met een aanvulling van de motivering en een verzwaring van de herplantplicht in stand gelaten. Naast de 25 bomen die zijn opgenomen in de herplantplicht in de omgevingsvergunning moet vergunninghouder nog 9 extra bomen op het perceel herplanten vanwege het reeds in 2022 kappen van 10 bomen op het perceel. Vergunninghouder moet 3 Quercus robur, 3 Fagus sylvatica en 3 Pnu sylvestris met de levermaat 20-25 herplanten. De termijn waarop de totale herplantplicht moet worden uitgevoerd is in het bestreden besluit teruggebracht naar het plantseizoen najaar 2026. 1.4. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de eisers [eiser 1] , [eiser 8] en [eiser 10] en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Ontvankelijkheid van het beroep van eiser [eiser 12] 2. De rechtbank moet voordat zij een beroep in behandeling neemt eerst ambtshalve beoordelen of dat beroep ontvankelijk is. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep voor zover dat is ingediend door [eiser 12] niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit bekend is gemaakt. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. 4. Alle eisers met uitzondering van [eiser 12] , hebben binnen zes weken nadat het college het bestreden besluit bekend heeft gemaakt – en dus tijdig – beroep ingesteld door middel van het indienen van een zogenaamd pro forma beroepschrift. Zij hebben in dit pro forma beroepschrift de rechtbank verzocht aan hen een nadere termijn te verlenen waarbinnen zij de gronden van het beroep mochten indienen. Binnen de aan hen verleende termijn hebben eisers vervolgens de gronden van het beroep aangevuld. Deze aanvulling van de gronden is ook ingediend namens [eiser 12] , die nog niet eerder beroep had ingesteld. Omdat de termijn van zes weken voor het indienen van beroep bij het indienen van de aanvullende beroepsgronden inmiddels ruimschoots verstreken was, is het beroepschrift van [eiser 12] niet tijdig ingediend. 5. Eisers hebben op de zitting toegelicht dat deze eiser pas later op de [adres 2] in [plaats] is komen wonen en dat zij hem daarom niet eerder hebben kunnen vragen om deel te nemen aan de beroepsprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen reden om het te laat indienen van het beroepschrift door [eiser 12] verschoonbaar te achten. De rechtbank zal het beroep van deze eiser daarom niet-ontvankelijk verklaren. Inhoudelijke beoordeling van het beroep van de overige eisers 6. Omdat alle andere eisers wel tijdig een beroepschrift hebben ingediend tegen het bestreden besluit, zal de rechtbank het beroep hierna wel inhoudelijk beoordelen. Wat beoordeelt de rechtbank? 7. De rechtbank stelt bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep voorop dat het gaat om een besluit van het college op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het kappen van 25 bomen. Dit betekent dat de rechtbank alleen over dat besluit in deze uitspraak een oordeel kan geven. 8. Dit betekent dat de rechtbank in deze procedure geen oordeel kan geven over de beroepsgronden die gaan over het verzoek om handhaving van eisers en anderen. Ook al is dit verzoek de aanleiding geweest voor het indienen van de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Op de zitting heeft het college toegelicht dat hij het besluit op dit handhavingsverzoek in afwachting van de afhandeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning heeft aangehouden. Het college zal daar na afloop van de beroepsprocedure over de omgevingsvergunning nog een besluit over nemen. Is sprake van een aanvraag? 9. Eisers voeren over de omgevingsvergunning aan dat de persoon die het aanvraagformulier voor de omgevingsvergunning heeft ingediend geen belanghebbende was bij deze aanvraag. Volgens eisers was niet de betreffende persoon, maar [bedrijf] B.V. ten tijde van de aanvraag eigenaar van het perceel. Een verzoek aan het college is alleen een aanvraag als dat verzoek is ingediend door een belanghebbende. Omdat de betreffende persoon geen belanghebbende was, had het college volgens eisers het verzoek buiten behandeling moeten laten. 10. De rechtbank is het daar niet mee eens.
Volledig
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het terecht aannemelijk geacht dat de betreffende persoon belang had bij de aanvraag. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek van eisers en anderen, heeft het college de eigenaar van het perceel aangeschreven. Deze persoon heeft op de aanschrijving gereageerd en daar actie op ondernomen door de aanvraag voor de omgevingsvergunning in te dienen. De voor de omgevingsvergunning verschuldigde leges zijn voldaan. Ondertussen had ook niemand anders zich als eigenaar van het perceel gemeld. De rechtbank is met het college van oordeel dat er voor het college geen aanknopingspunt was om aan de belanghebbendheid van de aanvrager te twijfelen. Eisers hebben hun stelling dat de betreffende persoon niet bevoegd zou zijn om de aanvraag voor de omgevingsvergunning in te dienen niet met stukken onderbouwd. Het had op de weg van eisers gelegen om dit te doen. 11. De conclusie van het voorgaande is dat het college de aanvraag niet buiten behandeling hoefde te laten. Is de omgevingsvergunning in strijd met het verbod op vooringenomenheid verleend? 12. Eisers voeren verder aan dat de omgevingsvergunning in strijd met het verbod op vooringenomenheid is verleend. Volgens eisers stelt het college zich te soepel op in verband met de toekomstige bouwplannen voor het perceel en maakt hij het algemeen belang van natuurbehoud en ruimtelijke kwaliteit daaraan ondergeschikt. 13. Het college moet zijn taak – in dit geval het nemen van een besluit op de aanvraag voor de omgevingsvergunning – zonder vooringenomenheid vervullen. Ook moet hij ertegen waken dat de besluitvorming op de aanvraag wordt beïnvloed door tot het college behorende personen of de personen die voor hem werkzaam zijn die een persoonlijk belang bij een besluit hebben. 14. De rechtbank begrijpt deze beroepsrond zo dat eisers aanvoeren dat het college bij het nemen van het besluit op de aanvraag naast het belang van natuurbehoud en ruimtelijke kwaliteit, ten onrechte ook de belangen van de aanvrager heeft meegewogen. Dat het college bij het nemen van een besluit op de aanvraag rekening houdt met meerdere belangen betekent niet dat sprake is van vooringenomenheid. Het college moet bij het nemen van een besluit op de aanvraag juist alle betrokken belangen afwegen. Dat het college bij het maken van die afweging aan bepaalde belangen een ander gewicht toekent dan eisers graag zouden willen, maakt nog niet dat sprake is van vooringenomenheid. Is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd? 15. Omdat de bomen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend al zijn gekapt, kunnen eisers met hun beroep voor zover dat betrekking heeft op het kappen van de bomen waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd niet meer bereiken wat zij daarmee beogen. Namelijk het voorkomen van de kap van deze bomen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers daarom geen belang meer bij een oordeel van de rechtbank over de door hen aangevoerde beroepsgrond tegen de aanvullende motivering in het bestreden besluit waarom het college de omgevingsvergunning voor het kappen van deze bomen heeft verleend. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond. 16. Eisers hebben nog wel procesbelang bij de herplantplicht die met het bestreden besluit is opgelegd. Maar eisers hebben geen beroepsgrond ingediend tegen de oorspronkelijke herplantplicht van 25 bomen in de soort 1e en 2e boomgroote met een maat van 16-18 omtrek stam bij aanplant. Eisers spreken in hun beroepsschrift de waardering uit dat met het bestreden besluit de herplantplicht is vervroegd naar het plantseizoen van najaar 2026. Wel hadden eisers een beroepsgrond ingediend tegen de verzwaring van de herplantplicht in het bestreden besluit voor zover deze ziet op compensatie van een eerdere kap uit 2022. Maar deze beroepsgrond hebben eisers op de zitting ingetrokken. 16. Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van de motivering van het bestreden besluit. Conclusie en gevolgen 18. Het beroep van [eiser 12] is niet-ontvankelijk. Het beroep van de overige eisers is ongegrond. Het bestreden besluit en dus ook de omgevingsvergunning blijven in stand. Dit betekent dat de herplantplicht zoals deze in het bestreden besluit is opgenomen moet worden uitgevoerd. 19. Omdat het beroep van [eiser 12] niet-ontvankelijk en het beroep van de overige eisers ongegrond is, krijgen eisers het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep voor zover dat is ingediend door: - [eiser 12] niet-ontvankelijk; - de overige eisers ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb. Artikel 6:11 van de Awb. Dit volgt uit artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Artikel 2:4 van de Awb. Dit volgt uit artikel 3:4, eerste lid, van de Awb.
Volledig
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het terecht aannemelijk geacht dat de betreffende persoon belang had bij de aanvraag. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek van eisers en anderen, heeft het college de eigenaar van het perceel aangeschreven. Deze persoon heeft op de aanschrijving gereageerd en daar actie op ondernomen door de aanvraag voor de omgevingsvergunning in te dienen. De voor de omgevingsvergunning verschuldigde leges zijn voldaan. Ondertussen had ook niemand anders zich als eigenaar van het perceel gemeld. De rechtbank is met het college van oordeel dat er voor het college geen aanknopingspunt was om aan de belanghebbendheid van de aanvrager te twijfelen. Eisers hebben hun stelling dat de betreffende persoon niet bevoegd zou zijn om de aanvraag voor de omgevingsvergunning in te dienen niet met stukken onderbouwd. Het had op de weg van eisers gelegen om dit te doen. 11. De conclusie van het voorgaande is dat het college de aanvraag niet buiten behandeling hoefde te laten. Is de omgevingsvergunning in strijd met het verbod op vooringenomenheid verleend? 12. Eisers voeren verder aan dat de omgevingsvergunning in strijd met het verbod op vooringenomenheid is verleend. Volgens eisers stelt het college zich te soepel op in verband met de toekomstige bouwplannen voor het perceel en maakt hij het algemeen belang van natuurbehoud en ruimtelijke kwaliteit daaraan ondergeschikt. 13. Het college moet zijn taak – in dit geval het nemen van een besluit op de aanvraag voor de omgevingsvergunning – zonder vooringenomenheid vervullen. Ook moet hij ertegen waken dat de besluitvorming op de aanvraag wordt beïnvloed door tot het college behorende personen of de personen die voor hem werkzaam zijn die een persoonlijk belang bij een besluit hebben. 14. De rechtbank begrijpt deze beroepsrond zo dat eisers aanvoeren dat het college bij het nemen van het besluit op de aanvraag naast het belang van natuurbehoud en ruimtelijke kwaliteit, ten onrechte ook de belangen van de aanvrager heeft meegewogen. Dat het college bij het nemen van een besluit op de aanvraag rekening houdt met meerdere belangen betekent niet dat sprake is van vooringenomenheid. Het college moet bij het nemen van een besluit op de aanvraag juist alle betrokken belangen afwegen. Dat het college bij het maken van die afweging aan bepaalde belangen een ander gewicht toekent dan eisers graag zouden willen, maakt nog niet dat sprake is van vooringenomenheid. Is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd? 15. Omdat de bomen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend al zijn gekapt, kunnen eisers met hun beroep voor zover dat betrekking heeft op het kappen van de bomen waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd niet meer bereiken wat zij daarmee beogen. Namelijk het voorkomen van de kap van deze bomen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers daarom geen belang meer bij een oordeel van de rechtbank over de door hen aangevoerde beroepsgrond tegen de aanvullende motivering in het bestreden besluit waarom het college de omgevingsvergunning voor het kappen van deze bomen heeft verleend. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond. 16. Eisers hebben nog wel procesbelang bij de herplantplicht die met het bestreden besluit is opgelegd. Maar eisers hebben geen beroepsgrond ingediend tegen de oorspronkelijke herplantplicht van 25 bomen in de soort 1e en 2e boomgroote met een maat van 16-18 omtrek stam bij aanplant. Eisers spreken in hun beroepsschrift de waardering uit dat met het bestreden besluit de herplantplicht is vervroegd naar het plantseizoen van najaar 2026. Wel hadden eisers een beroepsgrond ingediend tegen de verzwaring van de herplantplicht in het bestreden besluit voor zover deze ziet op compensatie van een eerdere kap uit 2022. Maar deze beroepsgrond hebben eisers op de zitting ingetrokken. 16. Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van de motivering van het bestreden besluit. Conclusie en gevolgen 18. Het beroep van [eiser 12] is niet-ontvankelijk. Het beroep van de overige eisers is ongegrond. Het bestreden besluit en dus ook de omgevingsvergunning blijven in stand. Dit betekent dat de herplantplicht zoals deze in het bestreden besluit is opgenomen moet worden uitgevoerd. 19. Omdat het beroep van [eiser 12] niet-ontvankelijk en het beroep van de overige eisers ongegrond is, krijgen eisers het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep voor zover dat is ingediend door: - [eiser 12] niet-ontvankelijk; - de overige eisers ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb. Artikel 6:11 van de Awb. Dit volgt uit artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Artikel 2:4 van de Awb. Dit volgt uit artikel 3:4, eerste lid, van de Awb.