Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-26
ECLI:NL:RBMNE:2026:162
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.066061.24 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 26 januari 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] (Duitsland), verblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats] , (hierna ook: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 12 januari 2026. De strafzaak tegen de verdachte is gelijktijdig behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten: [medeverdachte 1] (16.065978.24), [medeverdachte 2] (16.076499.24) en [medeverdachte 3] (16.124994.24). Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. J.P. Jansen; de advocaat van de verdachte: mr. W.S. de Zanger (hierna: de advocaat); de advocaat van de benadeelde partij: mr. R.H. Jager 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: feit 1 op 26 februari 2024 in Amersfoort, samen met anderen, [slachtoffer 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd heeft; feit 2 primair op 26 februari 2024 in Amersfoort, samen met anderen, [slachtoffer 1] met geweld gedwongen heeft tot het aangaan van een schuld; subsidiair op 26 februari 2024 in Amersfoort, samen met anderen, geprobeerd heeft om [slachtoffer 1] een schuld aan te laten gaan. De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan de twee feiten waarvan hij wordt beschuldigd. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de beschuldiging. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn onjuist en worden tegensproken. De verdachte was door de medeverdachte [medeverdachte 3] gevraagd om naar de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] te komen. De verdachte wist niet wat er speelde, alleen dat er sprake was van onenigheid. De verdachte heeft [slachtoffer 1] boos toegesproken en hem zachte tikken op het achterhoofd gegeven. Niet kan wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] of dat bij de verdachte enig oogmerk bestond op wederrechtelijke bevoordeling. 3.3. Oordeel van de rechtbank Betrouwbaarheid verklaringen aangever [slachtoffer 1] De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] . Zijn verklaringen komen in grote lijnen met elkaar overeen en zijn in overwegende mate als consistent aan te merken. Dat zijn verklaringen niet exact met elkaar overeenkomen of op sommige punten afwijken doet niet af aan de betrouwbaarheid daarvan. Daarnaast vinden de verklaringen van [slachtoffer 1] op essentiële punten steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank verwijst naar de camerabeelden, de verklaringen van de getuigen en de bevindingen naar aanleiding van het onderzoek aan de mobiele telefoons. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar en geloofwaardig en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier, waaronder de camerabeelden, en het onderzoek ter terechtzitting, de volgende feiten en omstandigheden vast. [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) stuurt op zaterdag 24 februari 2024 een bericht aan een contact waarin hij schrijft problemen met [slachtoffer 2] en zijn broertje te hebben en ‘maandag even afstraffen’. Op 25 februari 2024 stuurt [medeverdachte 1] berichten aan [medeverdachte 3] (zijn zwager, hierna [medeverdachte 3] ). Uit die berichten blijkt dat [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrapt heeft en vraagt hij of [medeverdachte 3] de volgende dag om 07.00 uur bij hem op de zaa Een paar minuten later pakt [medeverdachte 3] de pen op die [medeverdachte 1] had klaargelegd op het bureau en maakt een stekende beweging met de pen in de richting van het gezicht van [slachtoffer 1] . [medeverdachte 3] slaat de pen vervolgens met kracht op het bureau, waarna [slachtoffer 1] plaatsneemt aan het bureau en iets op het papier begint op te schrijven. [medeverdachte 2] is in de ruimte aanwezig. Niet veel later komt een collega binnen en is het moment zichtbaar dat [slachtoffer 2] met [medeverdachte 2] het kantoor uitloopt. [slachtoffer 2] komt dan niet meer terug. Om 09.30 uur loopt [verdachte] (hierna: [verdachte] ) het kantoor binnen, hij begroet [medeverdachte 1] en loopt hij in de richting van [slachtoffer 1] . Uit het niets geeft [verdachte] [slachtoffer 1] een klap in het gezicht, waarna [slachtoffer 1] met zijn gezicht wegduikt. Te zien is dat [verdachte] tegen [slachtoffer 1] blijft praten. [medeverdachte 3] loopt naar [verdachte] toe. Te zien is dat [verdachte] weer een slaande beweging maakt in de richting van [slachtoffer 1] en dat [slachtoffer 1] wegduikt. [medeverdachte 1] komt de kamer binnengelopen. Op dat moment draait [verdachte] aan de stoel van [slachtoffer 1] en maakt hij druk en gebarende bewegingen. [slachtoffer 1] duikt weg in de stoel, waarna [verdachte] voor hem gaat staan en zich breed maakt. Dan geeft [verdachte] [slachtoffer 1] weer een klap. [medeverdachte 3] staat ernaast. Dan grijpt [verdachte] [slachtoffer 1] bij zijn nek, [medeverdachte 1] staat in de deuropening. [verdachte] laat [slachtoffer 1] los en loopt van hem weg richting [medeverdachte 1] . Te zien is dat [medeverdachte 1] [verdachte] van achter beet pakt en hem een soort van “hug” geeft. [medeverdachte 3] is dan nog steeds in de kamer. [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn druk met elkaar in gesprek, waarna [medeverdachte 3] om 09.32 de kamer verlaat. Al die tijd blijft [slachtoffer 1] in de stoel zitten. [verdachte] gaat dicht bij het bureau staan van [slachtoffer 1] en te zien is dat hij zijn trui omhoogtrekt om [slachtoffer 1] iets op zijn rug te laten zien. Dan pakt [verdachte] zijn telefoon en toont zijn scherm aan [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] verklaart hierover dat [verdachte] hem een tatoeage liet zien en hem vertelde dat hij lid is van een bende. Uit het onderzoek naar de telefoon van [verdachte] is gebleken dat hij voorafgaand aan zijn komst bij [bedrijf] heeft gezocht op ‘ [naam] ’. Om 09.40 uur komt [medeverdachte 1] met een kladblok binnen. Die legt hij op het bureau bij [slachtoffer 1] . [verdachte] en [medeverdachte 3] staan naast [slachtoffer 1] en [verdachte] wijst op iets wat op het papier staat dat [slachtoffer 1] in zijn handen heeft. [verdachte] maakt drukke bewegingen met zijn handen. [medeverdachte 1] komt bij hen staan en ze staan met ze drieën om [slachtoffer 1] heen. [medeverdachte 3] en [verdachte] lijken tegen [slachtoffer 1] te praten. Om 09.40 uur loopt iedereen weg van het bureau van [slachtoffer 1] . [verdachte] blijft in de buurt van [slachtoffer 1] en [medeverdachte 1] zit aan een bureau aan de andere kant van de kamer. [medeverdachte 1] loopt het kantoor uit, maar [verdachte] blijft in de buurt van [slachtoffer 1] . Om 09.43 uur komt [medeverdachte 1] weer de ruimte in en is in gesprek met [verdachte] . Dan komt [medeverdachte 2] binnen en geeft een boks aan [verdachte] . Om 09.44 uur pakt [slachtoffer 1] zijn papieren op en loopt hij met [medeverdachte 1] de kamer uit. Feit 1 - Wederrechtelijke vrijheidsberoving Er is een sprake van wederrechtelijke vrijheidsberoving als bedoeld in artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht in een situatie waarin men – zonder dat de verdachte daartoe gerechtigd is – iemand doet verblijven op een plaats waarvan of waaruit die persoon zich niet op ieder gewenst ogenblik kan verwijderen. Een vrijheidsberoving kan op verschillende manieren plaatsvinden. Zo kan bijvoorbeeld het voortdurend in de nabijheid van het slachtoffer verblijven, zodat het hem eff Nadat de verdachte in het kantoor van [medeverdachte 1] was verschenen heeft hij als het ware het stokje van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] overgenomen en is hij doorgegaan met dat waarmee zij waren begonnen. De rechtbank leidt uit dit alles af dat de verdachte een essentiële bijdrage heeft geleverd aan de gang van zaken en dat dan ook sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, samen met anderen, [slachtoffer 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden en dat de verdachte daar ook het opzet op had. Feit 2 – afpersing De rechtbank leidt uit de vastgestelde feiten en omstandigheden af dat de verdachte en de medeverdachten [slachtoffer 1] hebben geslagen en geschopt en met de dood hebben bedreigd met geen ander doel dan om hem te dwingen op te schrijven welke klanten hij had, wat hij met die opdrachten verdiend heeft, met andere woorden om hem te dwingen gegevens ter beschikking te stellen en zich tot een bepaald bedrag schuldig te verklaren. Het geweld en de bedreigingen volgden nadat [medeverdachte 1] pen en paper op tafel had gelegd met de bedoeling om [slachtoffer 1] op te laten schrijven welke opdrachten bij welke klanten hij zwart zou hebben verricht en welke bedragen hij daarmee zou hebben verdiend. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt ook dat hij door dit geweld is bewogen om in te stemmen met betaling van het door [medeverdachte 1] genoemde geldbedrag van € 25.000,--. Nadat [verdachte] de kantoorruimte betrad heeft hij gesproken met [medeverdachte 3] , op wiens verzoek hij naar het kantoor van [medeverdachte 1] is gegaan. Direct na dat gesprek richt [verdachte] zijn aandacht en woede op [slachtoffer 1] . Ook kijkt [verdachte] geregeld op het papier bij [slachtoffer 1] . Het kan niet anders dan dat [verdachte] met het voortduren van intimidatie en geweld druk op [slachtoffer 1] uitoefende om door te gaan met op te schrijven welke klanten hij van [medeverdachte 1] zou hebben afgepakt en wat hij daarmee zou hebben verdiend. Van een andere verklaring voor het gewelddadige en bedreigende gedrag van verdachte is ook niet gebleken. Dit gedrag van verdachten, ongeacht het antwoord op de vraag of [slachtoffer 1] zwart gewerkt heeft en [bedrijf] daarmee tekort heeft gedaan, is te bestempelen als eigenrichting, waarmee de wederrechtelijkheid van de gedragingen van verdachten reeds is gegeven. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, samen met anderen, [slachtoffer 1] heeft afgeperst. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: op 26 februari 2024 (tussen de cameratijden 09:14 en 09:44 uur) te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer 1] te vertellen dat hij na een werkbespreking in het kantoor van het bedrijfspand moesten blijven zitten en de telefoons van [slachtoffer 1] enige tijd in te nemen en (vervolgens) die [slachtoffer 1] meerdere malen tegen het lichaam en hoofd te slaan en te schoppen en de vrije doorgang telkens te blokkeren en die [slachtoffer 1] en zijn familie meermaals met de dood te bedreigen en die [slachtoffer 1] steeds in de gaten te houden en een dreigende houding jegens die [slachtoffer 1] aan te nemen en die [slachtoffer 1] steeds te dwingen om weer het bedrijfspand binnen te gaan en dat die [slachtoffer 1] in dat bedrijfspand moest blijven totdat die [slachtoffer 2] weer terug was in dat bedrijfspand en die [slachtoffer 1] een tattoo op de rug te laten zien en daarbij te zeggen dat hij bij die bende hoort en dat die bende moordenaars zijn en vervolgens op een telefoon op internet de zoekresultaten te laten zien van ‘ [naam] ’ en ‘wat zijn [naam] ’ en te zeggen dat als [slachtoffer 1] naar de politie zou gaan hij [slachtoffer 1] zou a Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een lange taakstraf zouden daarom zeer ernstige gevolgen hebben voor niet alleen de verdachte, maar ook zijn gezin. Bij een eventuele veroordeling wordt verzocht hoogstens een korte taakstraf op te leggen en in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de periode die door de verdachte is doorgebracht in voorarrest. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst van de feiten [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben samen op 26 februari 2024 [slachtoffer 1] een behoorlijke tijd van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden en die [slachtoffer 1] met geweld gedwongen om klantgegevens op te schrijven en toe te zeggen een geldbedrag aan [medeverdachte 1] te betalen. Dit geldbedrag zou [slachtoffer 1] hebben verdiend door klanten van het bedrijf van [medeverdachte 1] te stelen. In plaats van dit via de civiele rechter te regelen, is ervoor gekozen om dit op volstrekt ontoelaatbare wijze op te lossen door het recht in eigen hand te nemen, waarbij ook aanzienlijk geweld is gebruikt. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt hoeveel impact deze situatie op hem heeft gehad en hoe hij nog steeds de gevolgen hiervan ondervindt. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 december 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte in 2021 veroordeeld is voor het telen van hennep, waarbij aan de verdachte een taakstraf opgelegd is. De straf De rechtbank is van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur recht doet aan de ernst van wat hier gebeurd is. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur rekening gehouden met de rol van de verdachte in het geheel. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. De rechtbank wijkt hiermee af van de eis van de officier van justitie omdat die eis onvoldoende recht doet aan de aard en ernst van wat er is gebeurd. Vrijheidsbeperkende maatregel De rechtbank ziet ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten aanleiding om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen als bedoeld in artikel 38v Sr. De rechtbank zal bevelen dat de verdachte op geen enkele wijze -direct of indirect- contact heeft of zoekt met [slachtoffer 1] , zoals nader omschreven in het dictum. De rechtbank zal deze vrijheidsbeperkende maatregel opleggen voor de duur van 3 jaar. Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van maximaal 1 week, met een maximale totale duur van zes maanden. Daarbij geldt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verdachte niet ontslaat van nakoming van deze maatregel. De rechtbank zal de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte en/of zijn mededaders opnieuw een strafbaar feit zullen plegen of zich belastend zullen gedragen jegens [slachtoffer 1] . De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod. De voorlopige hechtenis De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. 6 Vordering benadeelde partij 6.1 Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij. Hij vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 10.903.25, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 684,50 voor vergoeding van materiële schade en € 10.218,65 voor vergoeding van immateriële schade. Verder verzo Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van aan de Staat moet betalen. Dit bedrag bestaat uit € 684,50 aan materiële schade en € 8.175,- aan immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2024 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 80 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen. 7 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 282 en 317 Artikelen van het Wetboek van Strafrecht. 8 De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven; - verklaart het overige dat in de tenlastelegging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf en maatregel - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 2 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren; - beveelt dat verdachte op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal hebben met [slachtoffer 1] ; - beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is; - beveelt dat voor elke keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan 1 week hechtenis zal worden toegepast, met een maximum van zes maanden; vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij - wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 8.859,50; - veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2024 tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; - verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1 Hij, op of omstreeks 26 februari 2024 (tussen de cameratijden 09:14 en 09:44 uur) te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te vertellen dat zij/hij na een werkbespreking in het kantoor van het bedrijfspand moesten blijven zitten en/of de telefoons van [slachtoffer 1] enige tijd in te nemen en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meerdere malen tegen het lichaam en/of hoofd te slaan en/of te schoppen en/of de deur van het kantoor alwaar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gedwongen verbleven op slot te draaien, althans dat slot vast te pakken en/of te doen alsof de deur op slot werd gedraaid, althans de vrije doorgang telkens te blokkeren en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of zijn/hun familie meermaals met de dood te bedreigen en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] steeds in de gaten te houden en/of een dreigende houding jegens die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] aan te nemen en/of die [slachtoffer 1] steeds te dwingen om weer het bedrijfspand binnen te gaan en/of tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij niet mocht vluchten en/of te zeggen dat die [slachtoffer 1] in dat bedrijfspand moest blijven totdat die [slachtoffer 2] weer terug was in dat bedrijfspand en/of en/of die [slachtoffer 1] een tattoo op de rug te laten zien en/of (daarbij) te zeggen/insinueren dat hij bij die bende/gang hoort en dat die bende/gang moordenaars zijn en/of (vervolgens) op een telefoon op internet de zoekresultaten te laten zien van ‘ [naam] ’ en/of ‘wat zijn [naam] ’ en/of te zeggen dat als [slachtoffer 1] naar de politie zou gaan, hij [slachtoffer 1] zou afschieten met een blaffer en/of [slachtoffer 1] zijn gezin naar de knoppen zou gaan en/of te zeggen dat hij niet wist met wie [slachtoffer 1] te maken had en hij zijn blaffer zou meenemen en/of te zeggen dat hij in staat was om [slachtoffer 1] te vermoorden, ook al is het maar voor 100 euro, althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking en/of (vervolgens) [slachtoffer 1] op zijn achterhoofd te slaan; 2 Hij, op of omstreeks 26 februari 2024 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 25.000 euro althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n) en/of het aangaan van een schuld te weten het betalen van 25.000 euro althans enig geldbedrag en/of het gratis moet(en) werken totdat 25.000 euro althans enig geldbedrag was afgelost en/of het ter beschikking stellen van gegevens te weten een lijst met geldbedragen die door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in de buurt van de klanten van hem, verdachte, zijn/is verdiend door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meerdere malen tegen het lichaam en/of hoofd te slaan en/of te schoppen en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of zijn/hun familie meermaals met de dood te bedreigen en/of de deur van het kantoor waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevonden op slot te draaien, althans dat slot vast te pakken en/of te doen alsof de deur op slot werd gedraaid, althans de vrije doorgang telkens te blokkeren en/of met een postbakje te slaan/gooien op/in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of met een pen een stekende beweging in de richting van het gezicht van [slachtoffer 1] te maken en met een pen met kracht op de papieren op het bureau te slaan en/of die [slachtoffer 1] steeds in de gaten te houden en die [slachtoffer 1] steeds te dwingen om weer het bedrijfspand binnen te gaan en/of tegen die [ nemen en/of heeft gezegd dat hij in staat was om [slachtoffer 1] te vermoorden, ook al is het maar voor 100 euro, althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking en/of (vervolgens) [slachtoffer 1] op zijn achterhoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Bijlage II: Bewijsmiddelen Een proces-verbaal van bevindingen In belang van het onderzoek is op 26 februari 2024 de telefoon van verdachte [medeverdachte 1] in beslaggenomen. Ik zag dat [medeverdachte 1] op 24 februari 2024 een WhatsAppbericht stuurde naar [C] ’. Ik zag dat [C] gebruik maakt van telefoonnummer + [telefoonnummer] . Ik zag dat dit telefoonnummer in gebruik is bij [C] , geboren [geboortedatum] -1997 te [geboorteplaats] . [bedrijf] B.V. Heb weer een probleem met [slachtoffer 2] en die broertje stelen weer. Maandag even afstraffen. Ik zag dat er op 25 februari 2024 een WhatsApp gesprek plaatsvond tussen [medeverdachte 1] en ‘ [accountnaam] ’. Ik zag dat [accountnaam] gebruik maakt van telefoonnummer + [telefoonnummer] . Het is verbalisant ambtshalve bekend dat [medeverdachte 3] op de dag van de gijzeling een trui met [accountnaam] aanheeft en is aan komen rijden in een bus met bedrukking [accountnaam] . Het is hierdoor zeer aannemelijk dat het Whatsapp gesprek plaatsvindt tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . [bedrijf] B.V . Kan jij morgen vroeg om 7 uur bij mijn op de zaak zijn Ik heb hem betrapt Zwarte klus [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] Weet welke klant en hoe [accountnaam] Komt goed doen we [bedrijf] B.V Nu kan je mijn even helpen haha plaats van boekhouden Jij bent nu accountant Hij doet elke keer kaartje van zich zelf achter laten Zeker 11 klanten Het is wel [slachtoffer 1] [accountnaam] Maar wat wil je dat ze gaan doen? Moeten ze klappen krijgen Uitkleden Of rustig praten [bedrijf] B.V. Terug betalen en door werken [accountnaam] Alles in leveren [bedrijf] B.V . [slachtoffer 1] gaat stoer doen let maar op [accountnaam] Die krijgt gelijk een paar [bedrijf] B.V. Je kent hem Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] V: Op welk moment heb jij iets gehoord van de voorbereidingen dat ze [slachtoffer 1] wilden confronteren?A: Volgens mij een dag daarvoor. [medeverdachte 1] heeft me toen gebeld. Hij vertelde wat er gaande was, en dat hij daarom een gesprek wilde de volgende dag. Ik moest sowieso bij de vergadering zijn. Hij heeft iedereen gebeld met de vraag of het klopt dat er gestolen werd. Hij vroeg ook: wist jij dat [slachtoffer 1] zijn kaartje geeft aan mijn klanten? (…) Dat was dus op zondag of zaterdag. Een proces-verbaal van bevindingen Op 26 februari 2024 waren wij, [verbalisant] en [verbalisant] , werkzaam voor de politie Eenheid Midden- Nederland als opgeleid en gecertificeerd politieonderhandelaars. Op 26 februari 2024, omstreeks 12:00 hrs zijn wij in gesprek getreden met de melder, [slachtoffer 2] , van de wederechtelijke vrijheidsberoving van zijn broertje, [slachtoffer 1] . Wij zagen dat [slachtoffer 2] bij ons in de auto stapte en ons de volgende zaken vertelde: - Dat hij vanochtend samen met zijn broertje [slachtoffer 1] naar hun werk was gegaan, op de [adres 2] te [plaats] . - Hij daar met zijn broertje werd vastgehouden tegen hun wil door 4 a 5 anderen naast voornoemde [medeverdachte 1] . - Dat hij zag dat zijn broertje klappen kreeg van de onbekende mannen - Hij daarop ingreep en toen zelf een aantal vuistslagen kreeg en geschopt werd tegen zijn ribben. - Hij vervolgens is gevlucht uit de loods en met zijn auto is vertrokken. Hierna heeft hij de politie gebeld. - In de tussentijd zou [slachtoffer 2] meerdere keren zijn gebeld door het telefoonnummer van zijn broertje, maar dan hoorde hij andere mannen het gesprek voeren. Ze zeiden hem dat hij moest terugkomen naar de loods om te praten. Wij zagen dat [slachtoffer 2] gedurende het gesprek meerdere malen tranen in zijn ogen ontwikkelde en met gebroken stem sprak. Wij hoorden hem zeggen dat hij zich zorgen maakte Ik moet 25 duizend euro aan [medeverdachte 1] betalen, omdat ik dan zogenaamd zijn klanten heb afgepakt. Maar ik heb dat never nooit verdiend. Ik heb dit vanochtend van [medeverdachte 1] gehoord dat ik dat bedrag aan [medeverdachte 1] moest betalen. Ik heb tegen [medeverdachte 1] gezegd dat ik dat wel op wilde lossen, Ik heb geen zin in gezeik. Maar wat ik aan dat soort klussen heb verdiend is nog geen 6.500 euro. [medeverdachte 1] heeft dat bedrag gewoon verdriedubbeld en dat moet ik terugbetalen. Ik mag daar jaren over doen, maar het moet wel betaald worden, ander heb ik problemen. Ik moet ook morgen weer om 07.00 uur aan de [adres 2] zijn, anders heb ik weer problemen. Ik heb daar mee ingestemd, omdat ik op dat moment weg wilde. Ik dacht op dat moment alleen maar aan mijn eigen veiligheid. Nadat ik eigenlijk min of meer had ingestemd, ben ik door een collega [A] naar huis gebracht. Ik kon wel naar buiten om te roken, maar dan kwam [verdachte] achter mij aan om mij in de gaten te houden. [verdachte] dwong mij ook steeds om weer naar binnen te gaan. Als ik mij om zou keren om weg te gaan, dan zou ik klappen krijgen. Ik mocht niet vluchten want dan zou [verdachte] achter mij aan gaan. Ik heb toen maar braaf gedaan wat ze wilden. Ik wilde niet nog meer klappen. Het hele voorval heeft geduurd van ongeveer 08.00 uur tot en met ongeveer 14.00 uur. Ik mocht namelijk niet eerder weg totdat [slachtoffer 2] er weer was. [slachtoffer 2] is denk ik om 08.45 uur weggegaan. Hij is niet meer teruggekomen. Mijn telefoons hebben ze in het begin van mij afgenomen en later weer aan mij teruggeven. Verder hebben ze niets van mij weggenomen. [medeverdachte 1] heeft mijn werktelefoon doorgespit op klanten en nummers om te kijken of deze overeenkwamen met zijn klantenbestand. Daar kwamen twee klanten uit die in dezelfde straat waren waar [medeverdachte 1] een klus had. Aan de hand daarvan moest ik dat geldbedrag betalen. [medeverdachte 1] heeft tegen mij gezegd dat ik morgen gewoon weer om 07.00 uur moet beginnen anders komt [verdachte] mij halen en dan blijft het niet bij een blauw. Dit heeft [verdachte] tegen mij gezegd. Ik moet dan net doen of er niets gebeurd is. Zoals ik al eerder heb verklaard, heeft [verdachte] een tattoo op zijn rug van een gang. Hij heeft op internet aan mij laten zien wat voor gang dit is. Ik als dat deze gang moordenaars zijn. Dus ik ben best wel bang. Vandaar dat ik ook zelf de politie niet heb gebeld. Ik voelde mij bedreigd en bang dat mijn gezin of mij iets zou worden aangedaan als ik niet instemde met het te betalen geldbedrag. [verdachte] kwam op mij over als zeer imposant persoon. Een geneeskundige verklaring van 26 februari 2024, opgemaakt door dr. G.D.J. van Olden (chirurg) Medische informatie betreffende: Achternaam : [slachtoffer 1] Voornamen : [slachtoffer 1] Geboren : [geboortedatum] 1997 Omschrijving van het letsel A. Uitwendig waargenomen letsel 1) trauma capitis 2) pijnlijke schouder rechts 3) contusie pols rechts D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 26 februari 2024 F. Geschatte duur van de genezing: 2 weken Een proces-verbaal van bevindingen (uitkijken camerabeelden) Op 26 februari 2024 waren de gebroeders [familienaam] bij het dakdekkersbedrijf van [medeverdachte 1] , gelegen aan de [adres 2] in [plaats] . Op 26 februari 2024 werd voornoemd bedrijfspand doorzocht. Tijdens deze doorzoeking werd op grond van artikel 94 lid 1 Wetboek van Strafvordering, ter waarheidsvinding, een gegevensdrager van het camerasysteem in beslag genomen. Het zichtbeeld van camera 1. Ik zag, tijdens de doorzoeking, dat de camera aan de muur in kantoor 1 bevestigd zat. Ik zag dat de camerabeelden niet op atoomtijd geregistreerd werden. Ik zag dat in proces-verbaal van bevindingen 2024061133-15 staat dat de Dienst Speciale Interventies om 14.10 uur een interventie deed in het pand gelegen aan de [adres 2] te [plaats] . Ik zag op de camerabeelden dat de tijd die geregistreerd werd op het moment dat de Dienst Spe Ik zag dat [getuige] weg was gelopen vanachter het bureau en midden in kantoor 1 stond.Ik zag om 09.14 uur dat [slachtoffer 2] onderin uit beeld verdweenIk zag dat [medeverdachte 2] bleef uithalen in de richting van [slachtoffer 2] en dat [slachtoffer 2] zichzelf probeerde te verdedigen. Ik zag dat [slachtoffer 2] zijn armen uitstak naar [medeverdachte 2] . Ik zag dat [medeverdachte 2] hem naar de camera toe duwde en nogmaals met kracht uithaalde. Ik zag dat [medeverdachte 1] eveneens in beeld verscheen. Ik zag om 09.14 uur dat [medeverdachte 3] in beeld kwam en dat hij een sweater droeg met op de rug de opdruk [naam] . Ik zag om 09.15 uur dat [medeverdachte 1] zich op de plek bevond waar [slachtoffer 2] gevallen was en dat hij naar beneden keek. Ik zag dat [medeverdachte 1] een stap opzijzette, bukte en zijn rechterarm naar achter zijn lichaam bewoog, zijn hand balde tot een vuist en vervolgens op hoge snelheid een slaande beweging maakte in de richting van de plaats waar [slachtoffer 2] gevallen was. Daarna maakte [medeverdachte 1] op dezelfde manier een slaande beweging met zijn linker vuist en nogmaals met zijn rechtervuist. Ik zag om 09.15 uur dat [H] , NNMO5 en 16 het kantoor verlieten en dat [A] en [medeverdachte 1] de deur dichtduwden. Ik zag dat [medeverdachte 3] op de plaats stond waar [slachtoffer 2] gevallen was en naar beneden keek. Ik zag om 09.16 uur dat [medeverdachte 3] drie voorwerpen op het eerste bureau neerlegde, de voorwerpen zijn gelijkend aan een Stanleymes. Ik zag dat hij zich vervolgens omdraaide naar de plek waar [slachtoffer 2] eerder gevallen was en dat zijn bovenlichaam en armen bewogen alsof hij een harde trap gaf. Ik zag om 09.16 uur dat [medeverdachte 2] een postvakje met daarin een perforator en wat papier oppakte, boven zijn hoofd tilde en vervolgens met kracht naar de plaats gooide waar [slachtoffer 2] eerder gevallen was. Ik zag om 09.18 uur dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] praatten en dat [medeverdachte 3] wees in de richting waar [slachtoffer 2] gevallen was. Ik zag om 09.18 uur dat [medeverdachte 1] naar de deur liep, met zijn linkerhand richting de slotplaat bewoog, zijn hand daar gedurende ongeveer een seconde hield, waarna hij de deurklink vastpakte en de deur opende. Ik zag vervolgens dat [medeverdachte 1] , [A] , [E] en [medeverdachte 2] het kantoor uitliepen. Ik zag om 09.20 uur dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de deuropening van het kantoor stonden. Ik zag om 09.20 uur dat [medeverdachte 3] het kantoor inliep, in de richting van het voorste bureau liep, onderweg in de hoek rechtsonder wees terwijl hij praatte, een pen oppakte en deze op de velletjes papier gooide die op het bureau lagen. Ik zag om 09.20 uur dat [slachtoffer 1] vanaf onder in beeld kwam, vanaf de plaats waar [slachtoffer 2] gevallen was. Ik zag dat [medeverdachte 3] voor hem stond met een pen in zijn rechterhand. Ik zag dat [medeverdachte 3] met de pen in de richting van [slachtoffer 1] wees. Ik zag om 09.20 uur dat [medeverdachte 3] zijn hand balde tot vuist, de pen in zijn vuist vasthield, zijn vuist naast zijn gezicht hield, waarna hij een stekende beweging met de pen maakte in de richting van het gezicht van [slachtoffer 1] . Ik zag dat [slachtoffer 1] zijn gezicht afwendde. Ik zag om 09.20 uur dat [medeverdachte 3] de pen met kracht op de papieren vellen op het bureau sloeg. Ik zag dat [slachtoffer 1] op de bureaustoel plaatsnam, de pen vastpakte om vervolgens, zo leek het, iets op het papier te schrijven. Ik zag om 09.20 uur dat [F] het kantoor niet betrad en dat [E] de deur van het kantoor dicht deed. Ik zag om 09.22 uur dat [medeverdachte 3] op het bureau aan de rechterkant zat. Ik zag dat [slachtoffer 1] zo nu en dan iets op het papier schreef. Ik zag dat er personen in de deuropening van het kantoor stonden en dat de deur een stukje openstond. Ik zag dat de deur sinds de start van het slaan niet onbemand was geweest. Ik zag om 09.24 uur dat [medeverdachte 1] , [A] en [medeverdachte Het was een kennis van [medeverdachte 3] . Die jongen die er later bij kwam was niet bij het hele gebeuren aanwezig, maar wist wel precies waar hij zijn moest. Ik vermoed wel dat hij gebeld is. Hij zal er wel heen gevraagd zijn met een rede. [slachtoffer 1] belt mij soms als hij wat werk heeft en dan ga ik mee om wat bij te verdienen. Dit weekend kreeg ik vragen daarover van meneer [medeverdachte 1] . In eerste instantie wilde ik hier eigenlijk geen antwoord op geven, aangezien ik mijn vriend hiermee zou naaien. Maar op een gegeven moment heeft meneer [medeverdachte 1] mij apart genomen om kort een gesprek te hebben. Toen heb ik hem wel verteld waar we allemaal zijn geweest, maar geen straatnamen. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op zondagavond voor het incident op de [adres 2] . Ik zag dat [medeverdachte 1] een foto liet zien van een klant waarvan ik weet dat [slachtoffer 1] daar een klusje gedaan had. Ik heb toen wel gezegd dat ik deze vrouw ken en dat ik hier ben geweest. Toen begon [medeverdachte 3] zich heel agressief op te stellen. Ik hoorde dat [medeverdachte 3] zijn stem te verhief, ik zag dat z'n lichaamshouding agressief werd en hij ging staan en zich groot maakte. Ik hoorde dat elke keer als [slachtoffer 1] iets zei hij hier met een agressieve toon op reageerde. Ik zag dat het op een gegeven moment escaleerde en dat [medeverdachte 3] [slachtoffer 1] een duw gaf als het ware. En ik zag dat daarna het hele gevecht begon. Ik zag dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich tegen de achtermuur bevonden. [slachtoffer 1] leunde in eerste instantie links achterin tegen het aanrechtblad aan. Toen het gevecht bezig was bevonden ze zich meer richting het midden van de kamer, maar wel nog steeds bij de achtermuur. En daar zijn ze gewoon in elkaar geslagen eigenlijk. Ik heb gezien dat de volgende personen feitelijk hebben mishandeld: - [medeverdachte 3] ; - [A] ; - [medeverdachte 1] ; - [medeverdachte 2] ; Ik zag dat [slachtoffer 1] vooral door [medeverdachte 3] en een andere Marokkaanse collega geschopt, geslagen en tegen de grond aan gewerkt is. Ik zag dat [medeverdachte 1] zich op een gegeven moment ook met het gevecht ging bemoeien. Ik zag dat het geweld voornamelijk bestond uit het slaan en het schoppen. Ik zag dat ze sloegen en schopten met de vuisten en met de schoenen. Ik zag dat [slachtoffer 1] in het begin twee keer een klap in zijn gezicht kreeg van [medeverdachte 3] . [slachtoffer 1] kon zich niet verweren tegen de klappen en schoppen, want ze waren met z'n drieën. Je kon de klappen en schoppen horen, dus dat is best wel hard. De laatste keer dat ik [slachtoffer 1] zag zat hij nog het een en ander op papier te zetten. Mishandeling [slachtoffer 2] Ik zag dat [medeverdachte 2] hem van achteren bij zijn armen pakte. Ik zag dat de broers hierna als het waren tegen elkaar aan werden gegooid en op de grond werden gegooid. Ik zag dat hierna iedereen begon te vechten. In eerste instantie waren het [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die [slachtoffer 2] vastpakte, sloegen en naar de grond werkte. Toen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beide op de grond lagen zag ik dat ze nog werden geschopt en geslagen. Ik heb toen geroepen dat het genoeg was, maar ik zag dat ze door bleven gaan. Ik zag dat ze allemaal bleven doorgaan. Vooropgezet plan De vergadering was al wel de bedoeling die ochtend. Dat [medeverdachte 3] naar binnen kwam en de rest naar buiten werd gestuurd gaf mij het idee dat er iets niet in de haak was. Dat [medeverdachte 3] bij elk antwoord dat [slachtoffer 1] gaf zich erin mengde op een agressieve manier gaf mij het idee dat hij al van plan was om iets te doen. Door die houding kreeg ik het idee dat hij niet alleen vragen wilde stellen. Bij het gesprek op zondag hoorde ik [medeverdachte 1] mij vragen waar ik dit weekend was geweest. Dreigementen Tegen de broers zijn de volgende bedreigingen geroepen: - Dit doe je nooit meer; - Blijf liggen. Een proces-verbaal van verhoor [A] [medeverdachte 1] belde mij dat de jo