Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-17
ECLI:NL:RBMNE:2026:1609
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,862 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1609 text/xml public 2026-05-04T13:21:49 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-17 UTR 25/7379 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1609 text/html public 2026-05-04T13:21:24 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1609 Rechtbank Midden-Nederland , 17-04-2026 / UTR 25/7379 pkv RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/7379 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. S.K. Boelens), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv) , verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. 2. Op 5 november 2025 heeft het Uwv een beslissing op bezwaar genomen. In de beslissing op bezwaar heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 27 februari 2025, waarin staat dat verzoekster per 26 maart 2025 recht heeft op een WIA-uitkering, gehandhaafd. Verzoekster heeft op 15 december 2025 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Op 5 februari 2026 heeft het Uwv de beslissing op bezwaar van 5 november 2025 vervangen door een gewijzigde beslissing op bezwaar. Het Uwv heeft het bezwaar alsnog gegrond verklaard en geoordeeld dat verzoekster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom per 26 maart 2025 in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Het Uwv heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. 3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). 4. Het Uwv heeft op 11 maart 2026 gereageerd op het verzoek om vergoeding van de proceskosten en heeft aangegeven geen inhoudelijk commentaar te hebben. 5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die het Uwv moet betalen vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). 6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat het Uwv verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Het Uwv moet dit bedrag betalen aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1609 text/xml public 2026-05-04T13:21:49 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-17 UTR 25/7379 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1609 text/html public 2026-05-04T13:21:24 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1609 Rechtbank Midden-Nederland , 17-04-2026 / UTR 25/7379 pkv RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/7379 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. S.K. Boelens), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv) , verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. 2. Op 5 november 2025 heeft het Uwv een beslissing op bezwaar genomen. In de beslissing op bezwaar heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 27 februari 2025, waarin staat dat verzoekster per 26 maart 2025 recht heeft op een WIA-uitkering, gehandhaafd. Verzoekster heeft op 15 december 2025 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Op 5 februari 2026 heeft het Uwv de beslissing op bezwaar van 5 november 2025 vervangen door een gewijzigde beslissing op bezwaar. Het Uwv heeft het bezwaar alsnog gegrond verklaard en geoordeeld dat verzoekster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom per 26 maart 2025 in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Het Uwv heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. 3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). 4. Het Uwv heeft op 11 maart 2026 gereageerd op het verzoek om vergoeding van de proceskosten en heeft aangegeven geen inhoudelijk commentaar te hebben. 5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die het Uwv moet betalen vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). 6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat het Uwv verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Het Uwv moet dit bedrag betalen aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.