Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-14
ECLI:NL:RBMNE:2026:1595
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,162 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1595 text/xml public 2026-05-06T09:27:08 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-14 UTR_22_5690 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1595 text/html public 2026-05-06T09:26:25 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1595 Rechtbank Midden-Nederland , 14-04-2026 / UTR_22_5690 Beroep gegrond. Last onder dwangsom. Eiser moet erfverhardingen en een opslagloods verwijderen. Het college moet een nieuw besluit nemen. Het college moet dit besluit toetsen aan het juiste bestemmingsplan. Verder moet het college in het nieuwe besluit alle in aanmerking te nemen belangen kenbaar betrekken en tegen elkaar afwegen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/5690 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. T.E.P.A. Lam), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht , het college (gemachtigde: C. Brons). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] , uit [plaats] (omwonenden), (gemachtigde: mr. J.P.H. de Bruijn). Inleiding 1. Eiser is eigenaar van het perceel [adres 1] in [plaats] , kadastraal bekend als [nummer] en [nummer] (het perceel). Hij woont op het perceel en verhuurt dit aan [bedrijf] B.V. 2. Op 19 januari 2021 hebben [belanghebbende 1] ( [adres 2] ), [belanghebbende 2] ( [adres 3] ) en [belanghebbende 3] ( [adres 4] ) een verzoek om handhaving gedaan omdat op het perceel zonder daartoe verleende vergunning betonnen verhardingen zijn aangelegd en één of meer opslagplaatsen zijn gebouwd. 3. Op 10 februari 2021 heeft een toezichthouder van de gemeente Stichtse Vecht een controle uitgevoerd. Daarbij is geconstateerd dat er op het perceel zonder daartoe verleende vergunningen erfverhardingen waren aangelegd, opslag van goederen plaatsvond en containers stonden. 4. Op 19 mei 2021 heeft het college een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan eiser gestuurd. Eiser moest de erfverhardingen, de opslag van goederen en de containers verwijderen. 5. Op 25 augustus 2021 vond een hercontrole plaats. Daarbij werd geconstateerd dat de erfverhardingen nog aanwezig zijn. Er vindt geen opslag van goederen meer plaats en de containers zijn verwijderd. 6. In een besluit van 30 augustus 2021 (het primaire besluit) heeft het college een last onder dwangsom aan eiser opgelegd, inhoudende dat hij voor 1 november 2021 de (erf)verhardingen in de percelen met de bestemmingen “Bos” en “Agrarisch met waarden” (met beiden de dubbelbestemming “Waarde-Cultuurhistorie, landschap en natuur”) moet verwijderen en verwijderd houden. Voor iedere week dat eiser in overtreding blijft, moet hij € 10.000,- betalen, met een maximum van € 20.000,-. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 7. De adviescommissie bezwaarschriften heeft het college op 31 augustus 2022 geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen, een nieuw besluit op het handhavingsverzoek te nemen en een nieuwe last onder dwangsom op te leggen. 7.1. Volgens de bezwaarschriftencommissie heeft het college getoetst aan een verkeerd planologisch kader en heeft het college daaruit onjuiste conclusies getrokken met betrekking tot het verzoek om handhaving. Verder moet het beoordelen in hoeverre op het perceel verhardingen zijn aangebracht. Voor zover het handhavingsverzoek ziet op de opslag van goederen en aanwezige opslagplaatsen moet het college bezien welke bebouwing er op het perceel aanwezig is, hoe lang deze bebouwing aanwezig is en of het is toegestaan volgens het bestemmingsplan. Verder heeft het college volgens de commissie ten onrechte geen onderzoek gedaan naar gebruiksovergangsrecht. 8. Op 15 september 2022 heeft er weer een controle op het perceel plaatsgevonden. Daarbij zijn de volgende erfverhardingen op het perceel waargenomen: gebied 1: ca 900 m² erfverharding, aangelegd 2009-2010; gebied 2: ca 350 m² erfverharding, aangelegd 2009-2010; gebied 3: ca 320 m² erfverharding, aangelegd 2009-2012; gebied 4: ca 190 m² erfverharding, aangelegd 2015-2016; gebied 5: ca 430 m² erfverharding, aangelegd 2021-2022; gebied 6: ca 380 m² erfverharding, aangelegd 2009-2022; gebied 7: ca 80 m² erfverharding, aangelegd 2015-2022; gebied 8: ca 90 m² erfverharding, aangelegd 2020-2022; gebied 9: ca 50 m² erfverharding, aangelegd 2022; gebied 10: ca 220 m² erfverharding, aangelegd ca 2009, gewijzigd tot 2022; gebied 11: verhard pad deels in afwijking van verleende omgevingsvergunning gerealiseerd. Verder is op het perceel een opslagloods aanwezig met een oppervlakte van 108,8 m² en een totale hoogte van 3,1 m. 9. In een besluit van 27 oktober 2022 (de beslissing op bezwaar) heeft het college een nieuwe last onder dwangsom aan eiser opgelegd. Deze last houdt in dat eiser uiterlijk op 1 januari 2022: - de (erf)verhardingen in de percelen met de bestemming “Agrarische doeleinden tevens cultuurhistorisch, landschappelijk- en natuurwetenschappelijk waardevol gebied” en “Waardevolle houtopstanden” moet verwijderen en verwijderd houden De last ziet niet op de erfverharding in gebied 10 omdat dit op de bestemming “Bedrijven” ligt. De last ziet ook niet op het deel van gebied 3 dat op de bestemming “Bedrijven” ligt; - de opslagruimte moet verwijderen en verwijderd houden; Voor iedere week dat eiser in overtreding blijft, moet hij voor de (erf)verhardingen een dwangsom van € 10.000,- betalen, met een maximum van € 20.000,-. Voor de opslagruimte geldt een dwangsom van € 2.500,- per week, met een maximum van € 5.000,-. 10. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. In een brief van 22 december 2022 heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom opgeschort tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 11. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2025. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens het college zijn ook aanwezig [A] (vergunningverlener) en [B] (planoloog). Derde-partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verder was namens derde-partijen mede-buurtbewoner [C] aanwezig. 12. Op de zitting heeft de rechtbank het college de opdracht gegeven om te onderzoeken aan welke onderdelen van de last onder dwangsom inmiddels is voldaan. Verder moet het college bekijken of er, gelet op de toelichting van eiser op de zitting, aanleiding is om het beroep op het overgangsrecht anders te beoordelen. 13. Het college heeft op 7 juli 2025 een schriftelijke reactie ingebracht met als bijlagen een constateringsrapport van 7 juli 2025, luchtfoto’s, een intentieovereenkomst van 1 juli 2025 en een stuk getiteld “Historische wegen” van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. In deze reactie heeft het college er op gewezen dat partijen met elkaar in gesprek willen gaan over een mogelijke minnelijke oplossing. De rechtbank heeft diverse malen bij partijen geïnformeerd naar de stand van zaken van dit overleg. Op 12 december 2025 heeft de gemachtigde van derde-partijen aan de rechtbank laten weten dat het minnelijk overleg tussen partijen is gestaakt. Overwegingen Beoordelingskader 14. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum een bestuurlijke sanctie is opgelegd dan wel het handhavingsverzoek is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. 15. De rechtbank stelt vast dat het college het bestreden besluit heeft getoetst aan een onjuist bestemmingsplan. Het besluit is gebaseerd op het bestemmingsplan “Landelijk Gebied rondom de Vecht”.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1595 text/xml public 2026-05-06T09:27:08 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-14 UTR_22_5690 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1595 text/html public 2026-05-06T09:26:25 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1595 Rechtbank Midden-Nederland , 14-04-2026 / UTR_22_5690 Beroep gegrond. Last onder dwangsom. Eiser moet erfverhardingen en een opslagloods verwijderen. Het college moet een nieuw besluit nemen. Het college moet dit besluit toetsen aan het juiste bestemmingsplan. Verder moet het college in het nieuwe besluit alle in aanmerking te nemen belangen kenbaar betrekken en tegen elkaar afwegen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/5690 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. T.E.P.A. Lam), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht , het college (gemachtigde: C. Brons). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] , uit [plaats] (omwonenden), (gemachtigde: mr. J.P.H. de Bruijn). Inleiding 1. Eiser is eigenaar van het perceel [adres 1] in [plaats] , kadastraal bekend als [nummer] en [nummer] (het perceel). Hij woont op het perceel en verhuurt dit aan [bedrijf] B.V. 2. Op 19 januari 2021 hebben [belanghebbende 1] ( [adres 2] ), [belanghebbende 2] ( [adres 3] ) en [belanghebbende 3] ( [adres 4] ) een verzoek om handhaving gedaan omdat op het perceel zonder daartoe verleende vergunning betonnen verhardingen zijn aangelegd en één of meer opslagplaatsen zijn gebouwd. 3. Op 10 februari 2021 heeft een toezichthouder van de gemeente Stichtse Vecht een controle uitgevoerd. Daarbij is geconstateerd dat er op het perceel zonder daartoe verleende vergunningen erfverhardingen waren aangelegd, opslag van goederen plaatsvond en containers stonden. 4. Op 19 mei 2021 heeft het college een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan eiser gestuurd. Eiser moest de erfverhardingen, de opslag van goederen en de containers verwijderen. 5. Op 25 augustus 2021 vond een hercontrole plaats. Daarbij werd geconstateerd dat de erfverhardingen nog aanwezig zijn. Er vindt geen opslag van goederen meer plaats en de containers zijn verwijderd. 6. In een besluit van 30 augustus 2021 (het primaire besluit) heeft het college een last onder dwangsom aan eiser opgelegd, inhoudende dat hij voor 1 november 2021 de (erf)verhardingen in de percelen met de bestemmingen “Bos” en “Agrarisch met waarden” (met beiden de dubbelbestemming “Waarde-Cultuurhistorie, landschap en natuur”) moet verwijderen en verwijderd houden. Voor iedere week dat eiser in overtreding blijft, moet hij € 10.000,- betalen, met een maximum van € 20.000,-. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 7. De adviescommissie bezwaarschriften heeft het college op 31 augustus 2022 geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen, een nieuw besluit op het handhavingsverzoek te nemen en een nieuwe last onder dwangsom op te leggen. 7.1. Volgens de bezwaarschriftencommissie heeft het college getoetst aan een verkeerd planologisch kader en heeft het college daaruit onjuiste conclusies getrokken met betrekking tot het verzoek om handhaving. Verder moet het beoordelen in hoeverre op het perceel verhardingen zijn aangebracht. Voor zover het handhavingsverzoek ziet op de opslag van goederen en aanwezige opslagplaatsen moet het college bezien welke bebouwing er op het perceel aanwezig is, hoe lang deze bebouwing aanwezig is en of het is toegestaan volgens het bestemmingsplan. Verder heeft het college volgens de commissie ten onrechte geen onderzoek gedaan naar gebruiksovergangsrecht. 8. Op 15 september 2022 heeft er weer een controle op het perceel plaatsgevonden. Daarbij zijn de volgende erfverhardingen op het perceel waargenomen: gebied 1: ca 900 m² erfverharding, aangelegd 2009-2010; gebied 2: ca 350 m² erfverharding, aangelegd 2009-2010; gebied 3: ca 320 m² erfverharding, aangelegd 2009-2012; gebied 4: ca 190 m² erfverharding, aangelegd 2015-2016; gebied 5: ca 430 m² erfverharding, aangelegd 2021-2022; gebied 6: ca 380 m² erfverharding, aangelegd 2009-2022; gebied 7: ca 80 m² erfverharding, aangelegd 2015-2022; gebied 8: ca 90 m² erfverharding, aangelegd 2020-2022; gebied 9: ca 50 m² erfverharding, aangelegd 2022; gebied 10: ca 220 m² erfverharding, aangelegd ca 2009, gewijzigd tot 2022; gebied 11: verhard pad deels in afwijking van verleende omgevingsvergunning gerealiseerd. Verder is op het perceel een opslagloods aanwezig met een oppervlakte van 108,8 m² en een totale hoogte van 3,1 m. 9. In een besluit van 27 oktober 2022 (de beslissing op bezwaar) heeft het college een nieuwe last onder dwangsom aan eiser opgelegd. Deze last houdt in dat eiser uiterlijk op 1 januari 2022: - de (erf)verhardingen in de percelen met de bestemming “Agrarische doeleinden tevens cultuurhistorisch, landschappelijk- en natuurwetenschappelijk waardevol gebied” en “Waardevolle houtopstanden” moet verwijderen en verwijderd houden De last ziet niet op de erfverharding in gebied 10 omdat dit op de bestemming “Bedrijven” ligt. De last ziet ook niet op het deel van gebied 3 dat op de bestemming “Bedrijven” ligt; - de opslagruimte moet verwijderen en verwijderd houden; Voor iedere week dat eiser in overtreding blijft, moet hij voor de (erf)verhardingen een dwangsom van € 10.000,- betalen, met een maximum van € 20.000,-. Voor de opslagruimte geldt een dwangsom van € 2.500,- per week, met een maximum van € 5.000,-. 10. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. In een brief van 22 december 2022 heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom opgeschort tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 11. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2025. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens het college zijn ook aanwezig [A] (vergunningverlener) en [B] (planoloog). Derde-partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verder was namens derde-partijen mede-buurtbewoner [C] aanwezig. 12. Op de zitting heeft de rechtbank het college de opdracht gegeven om te onderzoeken aan welke onderdelen van de last onder dwangsom inmiddels is voldaan. Verder moet het college bekijken of er, gelet op de toelichting van eiser op de zitting, aanleiding is om het beroep op het overgangsrecht anders te beoordelen. 13. Het college heeft op 7 juli 2025 een schriftelijke reactie ingebracht met als bijlagen een constateringsrapport van 7 juli 2025, luchtfoto’s, een intentieovereenkomst van 1 juli 2025 en een stuk getiteld “Historische wegen” van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. In deze reactie heeft het college er op gewezen dat partijen met elkaar in gesprek willen gaan over een mogelijke minnelijke oplossing. De rechtbank heeft diverse malen bij partijen geïnformeerd naar de stand van zaken van dit overleg. Op 12 december 2025 heeft de gemachtigde van derde-partijen aan de rechtbank laten weten dat het minnelijk overleg tussen partijen is gestaakt. Overwegingen Beoordelingskader 14. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum een bestuurlijke sanctie is opgelegd dan wel het handhavingsverzoek is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. 15. De rechtbank stelt vast dat het college het bestreden besluit heeft getoetst aan een onjuist bestemmingsplan. Het besluit is gebaseerd op het bestemmingsplan “Landelijk Gebied rondom de Vecht”.
Volledig
Het bestreden besluit van 27 oktober 2022 had echter aan het aan het bestemmingsplan “Landelijk gebied rondom de Vecht” uit 2006 moeten worden getoetst, omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 9 december 2020 het bestemmingsplan “Rondom de Vecht”, voor zover dat betrekking heeft op het perceel van eiser aan het [adres 1] in [plaats] , heeft vernietigd. Het daarop volgende bestemmingsplan “Rondom de Vecht, reparatie 2021” is na het bestreden besluit op 1 november 2022 vastgesteld. Dit gold dus nog niet ten tijde van het bestreden besluit. Daarmee heeft het college een onjuist bestemmingsplan aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Dit levert een gebrek op in het bestreden besluit. 16. De rechtbank constateert dat de planregels uit het bestemmingsplan “Landelijk gebied rondom de Vecht” uit 2006 inhoudelijk hetzelfde luiden als de betreffende planregels in het bestemmingsplan “Landelijk Gebied rondom de Vecht” waar het college aan heeft getoetst. De rechtbank zal het beroep daarom inhoudelijk beoordelen en zal aan het eind van deze uitspraak beoordelen wat de gevolgen van dit gebrek moeten zijn. Omvang van het geschil 17. In deze zaak beoordeelt de rechtbank de vraag of het college terecht de last onder dwangsom van 27 oktober 2022 (het bestreden besluit) aan eiser heeft opgelegd. In deze last staat dat eiser de illegale erfverhardingen in de gebieden 1 tot en met 9 en 11 van het perceel moet verwijderen. Hij moet ook de opslagloods verwijderen. 18. Het college heeft op 7 juli 2025 aan de rechtbank laten weten dat de in de last onder dwangsom genoemde erfverhardingen in de gebieden 1, 5, 7, 8, 9, 10 en 11 geen overtreding (meer) opleveren, omdat: voor de verhardingen in de gebieden 1 en 5 een aanlegvergunning is verleend; de verhardingen in gebied 7, 8 en 9 zijn verwijderd; de verharding in gebied 10 binnen het bestemmingsplan past; en de verharding in gebied 11 is aangepast conform de daartoe verleende aanlegvergunning. De erfverhardingen in deze gebieden zijn niet meer in geschil. 19. De rechtbank beoordeelt hierna alleen nog of het college ten aanzien van de erfverhardingen in de gebieden 2, 3, 4 en 6 en de opslagruimte terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd. Ingetrokken beroepsgronden 20. Eiser heeft op de zitting de beroepsgrond ingetrokken dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het college de last onder dwangsom met terugwerkende kracht heeft opgelegd. Verder heeft eiser de beroepsgrond ingetrokken dat de last onder dwangsom zoals die in het bestreden besluit is opgelegd verder strekt dan de last onder dwangsom die met het primaire besluit is opgelegd. Eiser heeft op de zitting ook laten weten geen beroep meer te doen op het overgangsrecht ten aan zien van de verhardingen in de gebieden 2, 3 en 4. De rechtbank zal deze beroepsgronden daarom niet nader bespreken. Is de last onder dwangsom voldoende duidelijk? 21. Eiser voert aan dat de last onder dwangsom te ruim is geformuleerd zonder verdere detaillering. Eiser moet kennelijk zelf beoordelen welke erfverharding moet worden verwijderd. 22. De rechtbank is het hier niet mee eens. Uit de last onder dwangsom van 27 oktober 2022 volgt dat er in de gebieden 1 tot en met 9 en 11 zonder daartoe verleende vergunningen erfverhardingen zijn aangelegd. Ook wordt in de last vermeld dat de opslagruimte in strijd met het bestemmingsplan is. Verder is de rechtbank het met het college eens dat de last onder dwangsom in samenhang met het constateringsrapport van 25 oktober 2022 moet worden bezien. Daarmee is de last zodanig duidelijk en concreet dat eiser niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan of nagelaten moet worden om de overtredingen te beëindigen. De beroepsgrond slaagt niet. Overtredingen 23. De erfverharding in gebied 2 ligt op de bestemming “Agrarische doeleinden, tevens cultuurhistorisch, landschappelijk en natuurwetenschappelijk waardevol gebied” (ACLN). Artikel 7, negende lid, onder a, van het bestemmingsplan “Landelijk gebied rondom de Vecht” uit 2006 (hierna: het bestemmingsplan) bepaalt dat hiervoor een aanlegvergunning is vereist voor het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zoals parkeerplaatsen en kavelpaden. 24. De erfverhardingen in gebieden 3 en 4 liggen deels op de bestemming “Bedrijven” en deels op de bestemming ACLN. De delen van deze erfverhardingen die op de bestemming “Bedrijven” liggen zijn niet vergunningplichtig. Voor de verhardingen die op de bestemming ACLN liggen is wel een aanlegvergunning vereist . 25. De erfverharding in gebied 6 ligt deels op de bestemming ACLN en deels op de bestemming “Waardevolle houtopstanden (dubbelbestemming)”. Voor het deel dat op de bestemming ACLN ligt, geldt dat hiervoor een aanlegvergunning is vereist. Voor het deel dat op de bestemming “Waardevolle houtopstanden (dubbelbestemming)” ligt, geldt ook dat een aanlegvergunning nodig is voor het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zoals parkeerplaatsen en kavelpaden. 26. De opslagloods ligt op de bestemming “Waardevolle houtopstanden (dubbelbestemming)”. Artikel 26, tweede lid, van het bestemmingsplan bepaalt dat op deze gronden niets mag worden gebouwd. Het college heeft nimmer een vergunning voor de opslagruimte op het perceel afgegeven. 27. Het college heeft aan eiser geen aanlegvergunning of omgevingsvergunning voor de hiervoor genoemde erfverhardingen en de opslagloods verleend. Dit betekent dat deze verhardingen en loods overtredingen van het bestemmingsplan opleveren. Overgangsrecht 28. Eiser beroept zich met betrekking tot de erfverharding in gebied 6 en de opslagloods op het overgangsrecht. Hij voert aan dat deze erfverharding en loods al meer dan 50 jaar geleden zijn gerealiseerd en daarom onder het overgangsrecht vallen. Deze erfverharding is in al die jaren nodig geweest om met machines in het najaar in de boomgaarden te kunnen komen, aldus eiser. 29. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling rust op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. 30. Uit het constateringsrapport van 25 oktober 2022 en de luchtfoto’s die het college in productie B bij zijn reactie van 7 juli 2025 heeft gevoegd, is te zien dat de verharding in gebied 6 later is gerealiseerd dan eiser stelt. Uit deze stukken blijkt namelijk dat deze verharding is aangelegd en uitgebreid in de jaren 2009-2022. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de erfverharding in gebied 6 ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan op 31 januari 2006 bestond en daarna is voortgezet. 31. Ten aanzien van de opslagloods verwijst eiser naar een luchtfoto uit 1967 en een foto uit 1955 waarop de opslagruimte te zien zou zijn. Hiermee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank echter de relevante feitelijke situatie voorafgaand aan de inwerkingtreding van het bestemmingsplan onvoldoende onderbouwd. 32. Het beroep op het overgangsrecht slaagt niet. Beginselplicht tot handhaving 33. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Concreet zicht op legalisatie 34. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen concreet zicht op legalisatie is, omdat eiser geen aanlegvergunning heeft aangevraagd voor de erfverhardingen in de gebieden 2, 3, 4 en 6 voor zover die een overtreding opleveren. Eiser heeft ook geen omgevingsvergunning aangevraagd voor de opslagloods. 35.
Volledig
Het bestreden besluit van 27 oktober 2022 had echter aan het aan het bestemmingsplan “Landelijk gebied rondom de Vecht” uit 2006 moeten worden getoetst, omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 9 december 2020 het bestemmingsplan “Rondom de Vecht”, voor zover dat betrekking heeft op het perceel van eiser aan het [adres 1] in [plaats] , heeft vernietigd. Het daarop volgende bestemmingsplan “Rondom de Vecht, reparatie 2021” is na het bestreden besluit op 1 november 2022 vastgesteld. Dit gold dus nog niet ten tijde van het bestreden besluit. Daarmee heeft het college een onjuist bestemmingsplan aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Dit levert een gebrek op in het bestreden besluit. 16. De rechtbank constateert dat de planregels uit het bestemmingsplan “Landelijk gebied rondom de Vecht” uit 2006 inhoudelijk hetzelfde luiden als de betreffende planregels in het bestemmingsplan “Landelijk Gebied rondom de Vecht” waar het college aan heeft getoetst. De rechtbank zal het beroep daarom inhoudelijk beoordelen en zal aan het eind van deze uitspraak beoordelen wat de gevolgen van dit gebrek moeten zijn. Omvang van het geschil 17. In deze zaak beoordeelt de rechtbank de vraag of het college terecht de last onder dwangsom van 27 oktober 2022 (het bestreden besluit) aan eiser heeft opgelegd. In deze last staat dat eiser de illegale erfverhardingen in de gebieden 1 tot en met 9 en 11 van het perceel moet verwijderen. Hij moet ook de opslagloods verwijderen. 18. Het college heeft op 7 juli 2025 aan de rechtbank laten weten dat de in de last onder dwangsom genoemde erfverhardingen in de gebieden 1, 5, 7, 8, 9, 10 en 11 geen overtreding (meer) opleveren, omdat: voor de verhardingen in de gebieden 1 en 5 een aanlegvergunning is verleend; de verhardingen in gebied 7, 8 en 9 zijn verwijderd; de verharding in gebied 10 binnen het bestemmingsplan past; en de verharding in gebied 11 is aangepast conform de daartoe verleende aanlegvergunning. De erfverhardingen in deze gebieden zijn niet meer in geschil. 19. De rechtbank beoordeelt hierna alleen nog of het college ten aanzien van de erfverhardingen in de gebieden 2, 3, 4 en 6 en de opslagruimte terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd. Ingetrokken beroepsgronden 20. Eiser heeft op de zitting de beroepsgrond ingetrokken dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het college de last onder dwangsom met terugwerkende kracht heeft opgelegd. Verder heeft eiser de beroepsgrond ingetrokken dat de last onder dwangsom zoals die in het bestreden besluit is opgelegd verder strekt dan de last onder dwangsom die met het primaire besluit is opgelegd. Eiser heeft op de zitting ook laten weten geen beroep meer te doen op het overgangsrecht ten aan zien van de verhardingen in de gebieden 2, 3 en 4. De rechtbank zal deze beroepsgronden daarom niet nader bespreken. Is de last onder dwangsom voldoende duidelijk? 21. Eiser voert aan dat de last onder dwangsom te ruim is geformuleerd zonder verdere detaillering. Eiser moet kennelijk zelf beoordelen welke erfverharding moet worden verwijderd. 22. De rechtbank is het hier niet mee eens. Uit de last onder dwangsom van 27 oktober 2022 volgt dat er in de gebieden 1 tot en met 9 en 11 zonder daartoe verleende vergunningen erfverhardingen zijn aangelegd. Ook wordt in de last vermeld dat de opslagruimte in strijd met het bestemmingsplan is. Verder is de rechtbank het met het college eens dat de last onder dwangsom in samenhang met het constateringsrapport van 25 oktober 2022 moet worden bezien. Daarmee is de last zodanig duidelijk en concreet dat eiser niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan of nagelaten moet worden om de overtredingen te beëindigen. De beroepsgrond slaagt niet. Overtredingen 23. De erfverharding in gebied 2 ligt op de bestemming “Agrarische doeleinden, tevens cultuurhistorisch, landschappelijk en natuurwetenschappelijk waardevol gebied” (ACLN). Artikel 7, negende lid, onder a, van het bestemmingsplan “Landelijk gebied rondom de Vecht” uit 2006 (hierna: het bestemmingsplan) bepaalt dat hiervoor een aanlegvergunning is vereist voor het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zoals parkeerplaatsen en kavelpaden. 24. De erfverhardingen in gebieden 3 en 4 liggen deels op de bestemming “Bedrijven” en deels op de bestemming ACLN. De delen van deze erfverhardingen die op de bestemming “Bedrijven” liggen zijn niet vergunningplichtig. Voor de verhardingen die op de bestemming ACLN liggen is wel een aanlegvergunning vereist . 25. De erfverharding in gebied 6 ligt deels op de bestemming ACLN en deels op de bestemming “Waardevolle houtopstanden (dubbelbestemming)”. Voor het deel dat op de bestemming ACLN ligt, geldt dat hiervoor een aanlegvergunning is vereist. Voor het deel dat op de bestemming “Waardevolle houtopstanden (dubbelbestemming)” ligt, geldt ook dat een aanlegvergunning nodig is voor het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zoals parkeerplaatsen en kavelpaden. 26. De opslagloods ligt op de bestemming “Waardevolle houtopstanden (dubbelbestemming)”. Artikel 26, tweede lid, van het bestemmingsplan bepaalt dat op deze gronden niets mag worden gebouwd. Het college heeft nimmer een vergunning voor de opslagruimte op het perceel afgegeven. 27. Het college heeft aan eiser geen aanlegvergunning of omgevingsvergunning voor de hiervoor genoemde erfverhardingen en de opslagloods verleend. Dit betekent dat deze verhardingen en loods overtredingen van het bestemmingsplan opleveren. Overgangsrecht 28. Eiser beroept zich met betrekking tot de erfverharding in gebied 6 en de opslagloods op het overgangsrecht. Hij voert aan dat deze erfverharding en loods al meer dan 50 jaar geleden zijn gerealiseerd en daarom onder het overgangsrecht vallen. Deze erfverharding is in al die jaren nodig geweest om met machines in het najaar in de boomgaarden te kunnen komen, aldus eiser. 29. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling rust op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. 30. Uit het constateringsrapport van 25 oktober 2022 en de luchtfoto’s die het college in productie B bij zijn reactie van 7 juli 2025 heeft gevoegd, is te zien dat de verharding in gebied 6 later is gerealiseerd dan eiser stelt. Uit deze stukken blijkt namelijk dat deze verharding is aangelegd en uitgebreid in de jaren 2009-2022. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de erfverharding in gebied 6 ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan op 31 januari 2006 bestond en daarna is voortgezet. 31. Ten aanzien van de opslagloods verwijst eiser naar een luchtfoto uit 1967 en een foto uit 1955 waarop de opslagruimte te zien zou zijn. Hiermee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank echter de relevante feitelijke situatie voorafgaand aan de inwerkingtreding van het bestemmingsplan onvoldoende onderbouwd. 32. Het beroep op het overgangsrecht slaagt niet. Beginselplicht tot handhaving 33. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Concreet zicht op legalisatie 34. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen concreet zicht op legalisatie is, omdat eiser geen aanlegvergunning heeft aangevraagd voor de erfverhardingen in de gebieden 2, 3, 4 en 6 voor zover die een overtreding opleveren. Eiser heeft ook geen omgevingsvergunning aangevraagd voor de opslagloods. 35.
Volledig
Eiser voert aan dat het college nader had moeten onderzoeken of er concreet zicht op legalisatie bestaat. Het college had aan eiser moeten laten weten of het aanvragen van een vergunning zinvol zou zijn. 36. De rechtbank is het hier niet mee eens. Het toetsingskader voor het college bij een aanvraag voor een omgevings- of aanlegvergunning voor de betreffende verhardingen en opslagloods vergt niet alleen dat er moet worden getoetst aan het bestemmingsplan. Het vraagt ook om nadere advisering omtrent de vraag of de agrarische, cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden en/of de waarden van houdtopstanden niet in onevenredige mate worden of kunnen worden aangetast. Dit maakt dat niet in redelijkheid van het college kan worden gevraagd om op voorhand concrete uitlatingen te doen over de kans van slagen op verlening van een vergunning in deze handhavingsprocedure. Daarvoor moet er eerst een vergunningaanvraag liggen. Dat is niet het geval. De rechtbank kan het college dan ook volgen in zijn standpunt dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van concreet zicht op legalisering. De beroepsgrond slaagt niet. Belangenafweging 37. Eiser voert aan dat handhavend optreden onevenredig is. Hij vindt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn bedrijfsbelang. 38. Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat er geen zwaarwegende belangen bekend zijn die handhavend optreden in het geval van eiser onevenredig maken. 39. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft bij de belangenafweging niet kenbaar het bedrijfsbelang van eiser tegenover de belangen van omwonenden afgewogen. Eiser stelt dat de erfverhardingen in de gebieden 2, 3, 4 en 6 en de opslagloods onmisbaar zijn voor de activiteiten van het bedrijf [bedrijf] B.V. op het perceel en dat de betreffende activiteiten aan de achterzijde van het bedrijfsgebouw worden verricht, hetgeen de ruimtelijke uitstraling aan de voorzijde van het bedrijfsgebouw beperkt. Deze belangen heeft het college niet bij zijn belangenafweging betrokken. Dit levert een gebrek op in het bestreden besluit. 40. De rechtbank wijst er daarbij op dat de overtredingen in de gebieden 2, 3 en 4 kleine stukjes grond betreffen. De rechtbank heeft hieronder luchtfoto’s uit het constateringsrapport van 7 juli 2025 van de gebieden 2, 3 en 4 opgenomen. De toezichthouder heeft met een rood vlak de overtredingen in de gebieden 3 en 4 aangegeven. Uit deze afbeeldingen blijkt de geringe omvang van de overtredingen in deze gebieden. In hoeverre dit van belang is bij het afwegen van de belangen van eisers bij handhaving is evenmin door verweerder meegenomen in de besluitvorming. Conclusie en gevolgen 41. Het beroep is gegrond omdat het college het bestreden besluit heeft getoetst aan het onjuiste bestemmingsplan, “Landelijk Gebied rondom de Vecht”. Verder is het beroep gegrond omdat het college de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.. 42. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Concreet betekent dit dat het college het te nemen nieuwe besluit moet toetsen aan het juiste bestemmingsplan. Aangezien inmiddels het bestemmingsplan “Rondom de Vecht, reparatie 2021” geldt, zal het college aan dit bestemmingsplan moeten toetsen. Zoals eerder opgemerkt verschilt dit bestemmingsplan inhoudelijk niet van de eerdere bestemmingsplannen, zodat dat op zichzelf niet tot een ander oordeel van het college hoeft te leiden. Wel moet het college in het nieuwe besluit alle in aanmerking te nemen belangen bij zijn beslissing kenbaar betrekken en tegen elkaar afwegen. 43. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 27 oktober 2022; - draagt het college op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Constateringsrapport van 25 oktober 2022. Dt volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet. Vastgesteld op 31 januari 2006. ECLI:NL:RVS:2020:2909, r.o. 61. Op grond van artikel 7, negende lid, onder a, van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 7, negende lid, onder a, van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 26, vierde lid, onder a, van het bestemmingsplan. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1495. Bladzijde 11 van het beroepschrift. Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1752.
Volledig
Eiser voert aan dat het college nader had moeten onderzoeken of er concreet zicht op legalisatie bestaat. Het college had aan eiser moeten laten weten of het aanvragen van een vergunning zinvol zou zijn. 36. De rechtbank is het hier niet mee eens. Het toetsingskader voor het college bij een aanvraag voor een omgevings- of aanlegvergunning voor de betreffende verhardingen en opslagloods vergt niet alleen dat er moet worden getoetst aan het bestemmingsplan. Het vraagt ook om nadere advisering omtrent de vraag of de agrarische, cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden en/of de waarden van houdtopstanden niet in onevenredige mate worden of kunnen worden aangetast. Dit maakt dat niet in redelijkheid van het college kan worden gevraagd om op voorhand concrete uitlatingen te doen over de kans van slagen op verlening van een vergunning in deze handhavingsprocedure. Daarvoor moet er eerst een vergunningaanvraag liggen. Dat is niet het geval. De rechtbank kan het college dan ook volgen in zijn standpunt dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van concreet zicht op legalisering. De beroepsgrond slaagt niet. Belangenafweging 37. Eiser voert aan dat handhavend optreden onevenredig is. Hij vindt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn bedrijfsbelang. 38. Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat er geen zwaarwegende belangen bekend zijn die handhavend optreden in het geval van eiser onevenredig maken. 39. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft bij de belangenafweging niet kenbaar het bedrijfsbelang van eiser tegenover de belangen van omwonenden afgewogen. Eiser stelt dat de erfverhardingen in de gebieden 2, 3, 4 en 6 en de opslagloods onmisbaar zijn voor de activiteiten van het bedrijf [bedrijf] B.V. op het perceel en dat de betreffende activiteiten aan de achterzijde van het bedrijfsgebouw worden verricht, hetgeen de ruimtelijke uitstraling aan de voorzijde van het bedrijfsgebouw beperkt. Deze belangen heeft het college niet bij zijn belangenafweging betrokken. Dit levert een gebrek op in het bestreden besluit. 40. De rechtbank wijst er daarbij op dat de overtredingen in de gebieden 2, 3 en 4 kleine stukjes grond betreffen. De rechtbank heeft hieronder luchtfoto’s uit het constateringsrapport van 7 juli 2025 van de gebieden 2, 3 en 4 opgenomen. De toezichthouder heeft met een rood vlak de overtredingen in de gebieden 3 en 4 aangegeven. Uit deze afbeeldingen blijkt de geringe omvang van de overtredingen in deze gebieden. In hoeverre dit van belang is bij het afwegen van de belangen van eisers bij handhaving is evenmin door verweerder meegenomen in de besluitvorming. Conclusie en gevolgen 41. Het beroep is gegrond omdat het college het bestreden besluit heeft getoetst aan het onjuiste bestemmingsplan, “Landelijk Gebied rondom de Vecht”. Verder is het beroep gegrond omdat het college de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.. 42. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Concreet betekent dit dat het college het te nemen nieuwe besluit moet toetsen aan het juiste bestemmingsplan. Aangezien inmiddels het bestemmingsplan “Rondom de Vecht, reparatie 2021” geldt, zal het college aan dit bestemmingsplan moeten toetsen. Zoals eerder opgemerkt verschilt dit bestemmingsplan inhoudelijk niet van de eerdere bestemmingsplannen, zodat dat op zichzelf niet tot een ander oordeel van het college hoeft te leiden. Wel moet het college in het nieuwe besluit alle in aanmerking te nemen belangen bij zijn beslissing kenbaar betrekken en tegen elkaar afwegen. 43. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 27 oktober 2022; - draagt het college op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Constateringsrapport van 25 oktober 2022. Dt volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet. Vastgesteld op 31 januari 2006. ECLI:NL:RVS:2020:2909, r.o. 61. Op grond van artikel 7, negende lid, onder a, van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 7, negende lid, onder a, van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 26, vierde lid, onder a, van het bestemmingsplan. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1495. Bladzijde 11 van het beroepschrift. Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1752.