Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-14
ECLI:NL:RBMNE:2026:1592
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,047 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1592 text/xml public 2026-04-16T10:40:20 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-14 16/269321-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Lelystad Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1592 text/html public 2026-04-16T10:39:59 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1592 Rechtbank Midden-Nederland , 14-04-2026 / 16/269321-25 Jeugdstrafrecht. Vrijspraak poging doodslag en poging zware mishandeling. Bewezenverklaring openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel tot gevolg. De rechtbank legt aan de verdachte op een werkstraf van 90 uur, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, en met oplegging van bijzondere voorwaarden. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/269321-25 (P) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de strafzaak van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] te [plaats] , hierna: [verdachte] . 1 Zitting De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 31 maart 2026. Op de zitting waren aanwezig: [verdachte] ; de officier van justitie: mr. J. Boon; de advocaat van [verdachte] : mr. D. Wiedeman (hierna: de advocaat); de ouders van [verdachte] ; [A] van Slachtofferhulp Nederland, namens het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ); de moeder van [slachtoffer] ; de jeugdreclasseerder bij Samen Veilig (hierna: SAVE). 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat zij, samengevat: op 24 augustus 2025 in Almere samen met anderen meermalen op/tegen het hoofd, in elk geval het lichaam, van [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt/geschopt (terwijl zij op de grond lag); dit is primair tenlastegelegd als een poging tot doodslag, subsidiair als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als het openlijk in vereniging geweld plegen met enig lichamelijk letsel tot gevolg. De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De officier van justitie acht het subsidiair tenlastegelegde wel wettig en overtuigend te bewijzen. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Vrijspraak van het primair tenlastegelegde De rechtbank oordeelt dat het primair tenlastegelegde niet is bewezen en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren. 3.3.2. Vrijspraak subsidiair tenlastegelegde Bij een poging tot zware mishandeling moet komen vast te staan dat [verdachte] opzet heeft gehad, eventueel in voorwaardelijke zin, om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [verdachte] de bewuste bedoeling had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). De volgende vraag is dan of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Dat is het geval wanneer sprake is van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zwaar gewond raakt en [verdachte] die kans bewust heeft aanvaard. Uit de beelden en de overige bevindingen in het dossier vallen de kracht en de impact van de klappen en de trappen niet te herleiden, terwijl deze aspecten juist cruciaal zijn om de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel objectief te beoordelen. Ook uit het lichamelijk letsel dat bij [slachtoffer] is ontstaan, kan deze informatie niet worden afgeleid. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat het handelen van [verdachte] of de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt. Gelet hierop komt de rechtbank – vanwege het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet – niet tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. 3.3.3. Bewijsmiddelen van het meer subsidiair tenlastegelegde [verdachte] bekent dat zij het meer subsidiair tenlastegelegde heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door haar of namens haar is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 31 maart 2026; een proces-verbaal van aangifte van 6 oktober 2025, betreffende de verklaring van [slachtoffer] ; - een proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2025, dat gaat over het lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] : op 24 augustus 2025 te Almere op de [straat] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit: - het meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan - het aan de haren naar achteren en beneden trekken - die [slachtoffer] vervolgens meermalen tegen het hoofd te schoppen terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. 4.2. Strafbaarheid feit en verdachte Het feit en [verdachte] zijn strafbaar. 5 Straf 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot: - een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uur, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 60 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze werkstraf niet of niet goed uitvoert, waarvan een gedeelte van 40 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geformuleerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en SAVE. 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat heeft de rechtbank verzocht de straf ten opzichte van de eis van de officier van justitie te matigen, omdat volgens haar alleen het meer subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder [verdachte] dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en haar persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van het feit Op 24 augustus 2025 is [slachtoffer] als [leeftijd] slachtoffer geworden van zinloos geweld gepleegd door onder meer [verdachte] . In een overtal situatie van drie tegen één heeft [slachtoffer] meerdere klappen en trappen tegen haar lichaam en hoofd moeten doorstaan. Niet alleen heeft dat haar pijn gedaan en heeft zij daar lichamelijk letsel aan overgehouden, het geweld heeft ook voor angst en gevoelens van vernedering gezorgd. Het incident is zelfs in het bijzijn van joelende omstanders gefilmd en vervolgens online geplaatst. De moeder van [slachtoffer] kon haar dochter enige tijd niet meer naar school brengen, omdat zij daar de veiligheid van haar dochter niet kon garanderen. [slachtoffer] heeft ook stressklachten zoals hartkloppingen en benauwdheid aan het incident overgehouden.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1592 text/xml public 2026-04-16T10:40:20 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-14 16/269321-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Lelystad Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1592 text/html public 2026-04-16T10:39:59 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1592 Rechtbank Midden-Nederland , 14-04-2026 / 16/269321-25 Jeugdstrafrecht. Vrijspraak poging doodslag en poging zware mishandeling. Bewezenverklaring openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel tot gevolg. De rechtbank legt aan de verdachte op een werkstraf van 90 uur, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, en met oplegging van bijzondere voorwaarden. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/269321-25 (P) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de strafzaak van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] te [plaats] , hierna: [verdachte] . 1 Zitting De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 31 maart 2026. Op de zitting waren aanwezig: [verdachte] ; de officier van justitie: mr. J. Boon; de advocaat van [verdachte] : mr. D. Wiedeman (hierna: de advocaat); de ouders van [verdachte] ; [A] van Slachtofferhulp Nederland, namens het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ); de moeder van [slachtoffer] ; de jeugdreclasseerder bij Samen Veilig (hierna: SAVE). 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat zij, samengevat: op 24 augustus 2025 in Almere samen met anderen meermalen op/tegen het hoofd, in elk geval het lichaam, van [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt/geschopt (terwijl zij op de grond lag); dit is primair tenlastegelegd als een poging tot doodslag, subsidiair als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als het openlijk in vereniging geweld plegen met enig lichamelijk letsel tot gevolg. De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De officier van justitie acht het subsidiair tenlastegelegde wel wettig en overtuigend te bewijzen. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Vrijspraak van het primair tenlastegelegde De rechtbank oordeelt dat het primair tenlastegelegde niet is bewezen en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren. 3.3.2. Vrijspraak subsidiair tenlastegelegde Bij een poging tot zware mishandeling moet komen vast te staan dat [verdachte] opzet heeft gehad, eventueel in voorwaardelijke zin, om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [verdachte] de bewuste bedoeling had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). De volgende vraag is dan of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Dat is het geval wanneer sprake is van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zwaar gewond raakt en [verdachte] die kans bewust heeft aanvaard. Uit de beelden en de overige bevindingen in het dossier vallen de kracht en de impact van de klappen en de trappen niet te herleiden, terwijl deze aspecten juist cruciaal zijn om de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel objectief te beoordelen. Ook uit het lichamelijk letsel dat bij [slachtoffer] is ontstaan, kan deze informatie niet worden afgeleid. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat het handelen van [verdachte] of de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt. Gelet hierop komt de rechtbank – vanwege het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet – niet tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. 3.3.3. Bewijsmiddelen van het meer subsidiair tenlastegelegde [verdachte] bekent dat zij het meer subsidiair tenlastegelegde heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door haar of namens haar is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 31 maart 2026; een proces-verbaal van aangifte van 6 oktober 2025, betreffende de verklaring van [slachtoffer] ; - een proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2025, dat gaat over het lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] : op 24 augustus 2025 te Almere op de [straat] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit: - het meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan - het aan de haren naar achteren en beneden trekken - die [slachtoffer] vervolgens meermalen tegen het hoofd te schoppen terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. 4.2. Strafbaarheid feit en verdachte Het feit en [verdachte] zijn strafbaar. 5 Straf 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot: - een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uur, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 60 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze werkstraf niet of niet goed uitvoert, waarvan een gedeelte van 40 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geformuleerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en SAVE. 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat heeft de rechtbank verzocht de straf ten opzichte van de eis van de officier van justitie te matigen, omdat volgens haar alleen het meer subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder [verdachte] dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en haar persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van het feit Op 24 augustus 2025 is [slachtoffer] als [leeftijd] slachtoffer geworden van zinloos geweld gepleegd door onder meer [verdachte] . In een overtal situatie van drie tegen één heeft [slachtoffer] meerdere klappen en trappen tegen haar lichaam en hoofd moeten doorstaan. Niet alleen heeft dat haar pijn gedaan en heeft zij daar lichamelijk letsel aan overgehouden, het geweld heeft ook voor angst en gevoelens van vernedering gezorgd. Het incident is zelfs in het bijzijn van joelende omstanders gefilmd en vervolgens online geplaatst. De moeder van [slachtoffer] kon haar dochter enige tijd niet meer naar school brengen, omdat zij daar de veiligheid van haar dochter niet kon garanderen. [slachtoffer] heeft ook stressklachten zoals hartkloppingen en benauwdheid aan het incident overgehouden.
Volledig
Het vertrouwen van [slachtoffer] in haar medemens is door dit alles flink geschaad, des te meer omdat zij en [verdachte] vóór het incident goede vriendinnen waren. Hoewel [verdachte] tijdens de zitting toch weer beweerde dat zij zich moest verdedigen, heeft [verdachte] wel spijt betuigd. Ook heeft een succesvol mediationtraject plaatsgevonden. [verdachte] heeft aan [slachtoffer] haar excuses aangeboden, wat [slachtoffer] als prettig heeft ervaren. De rechtbank vindt het goed van [verdachte] dat zij dit heeft gedaan. Persoonlijke omstandigheden van [verdachte] De rechtbank heeft over [verdachte] kennisgenomen van: - haar strafblad van 17 februari 2026; - een rapportage van SAVE van 23 maart 2026; - een advies van de Raad van 26 maart 2026; - wat de deskundige van SAVE op de zitting heeft gezegd. Justitiële documentatie Uit het strafblad van [verdachte] blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit is niet strafverzwarend, maar ook niet strafverminderend. De rapportage van SAVE Uit de rapportage van SAVE volgt dat [verdachte] zich uitstekend heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden en goed heeft samengewerkt met de jeugdreclassering. [verdachte] doet het ook beter op school. Het baart SAVE wel zorgen dat [verdachte] , ondanks de beschermende factoren in haar leven, zoals haar betrokken ouders, toch een verdachte is geworden van een ernstig strafbaar feit. SAVE adviseert om aan [verdachte] een deels onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Aan de voorwaardelijke werkstraf dienen bijzondere voorwaarden gekoppeld te worden om recidive te voorkomen. Een proeftijd van één jaar volstaat. Het advies van de Raad Uit het onderzoek van de Raad volgt dat de kans op herhaling van strafbare feiten als heel laag wordt gezien. Ook de Raad is veelal positief over [verdachte] . Als risicofactor is wel naar voren gekomen dat [verdachte] last kan hebben van haar boosheid en dat zij niet goed weet wat zij dan moet doen. Omdat [verdachte] nog veel baat heeft bij de ondersteuning die de jeugdreclassering biedt, is het volgens de Raad nodig dat de jeugdreclassering toezicht op [verdachte] blijft houden voor de duur van één jaar. Over de strafoplegging sluit de Raad zich aan bij het rapport van SAVE. Deskundigenverklaring Op de zitting heeft de deskundige van SAVE benadrukt dat [verdachte] weet dat wat zij heeft gedaan niet door de beugel kan. [verdachte] beschouwt zichzelf als impulsief en wil weten waarom dat is. [verdachte] is daarom aangemeld bij [instelling] , een instelling van GGZ. Een intakegesprek moet nog plaatsvinden en [verdachte] staat op de wachtlijst. Strafkader Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank met name gelet op wat hiervoor is overwogen over de ernst en omstandigheden van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank zal in strafverminderende zin afwijken van de eis van de officier van justitie, omdat zij – anders dan de officier van justitie – niet is gekomen tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde. Verder weegt de rechtbank ook in strafverminderende zin mee dat tussen [verdachte] en [slachtoffer] een succesvol mediationtraject heeft plaatsgevonden, waarbij [verdachte] aan [slachtoffer] haar excuses heeft aangeboden. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan [verdachte] op een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 90 uren, met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en met toepassing van de bijzondere voorwaarden, zoals deze zijn geadviseerd door de Raad en SAVE. Met een onvoorwaardelijke en een voorwaardelijke werkstraf zal [verdachte] enerzijds de gevolgen van haar strafbaar handelen direct ondervinden en kan er anderzijds verder worden gegaan met de noodzakelijke ambulante begeleiding vanuit de jeugdreclassering. Het voorwaardelijke gedeelte van de werkstraf is lager dan geëist door de officier van justitie, omdat de rechtbank uit de rapportages van de Raad en SAVE opmaakt dat de begeleiding goed verloopt en de kans op het plegen van een nieuw strafbaar feit klein is. Om die redenen volstaat een minder grote stok achter de deur. De voorlopige hechtenis Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen. 6 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen: - artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht. 7 De beslissing vrijspraak - verklaart het primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij; bewezenverklaring verklaart bewezen dat [verdachte] het meer subsidiair tenlastegelegde heeft gepleegd, zoals in paragraaf 3.4 is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij; strafbaarheid feit verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart [verdachte] strafbaar voor het meer subsidiair bewezenverklaarde; straf veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 90 uur ; beveelt dat voor het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, de werkstraf wordt vervangen door 45 dagen jeugddetentie ; bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag; - bepaalt dat van de werkstraf een gedeelte van 30 uren , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast; - beveelt dat, als [verdachte] het voorwaardelijk deel van de werkstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 15 dagen jeugddetentie ; - als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] : zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd: meewerkt aan het jeugdreclasseringstoezicht van de gecertificeerde instelling, te weten Samen Veilig Midden-Nederland te Flevoland; behandeling volgt bij [instelling] of een soortgelijke instantie, gericht op de impulsiviteit en emotie-regulatie problematiek; meewerkt aan aanvullende hulpverlening indien de jeugdreclassering dit nodig acht; meewerkt aan het organiseren en behouden van een positieve dag- en vrijetijdsbesteding in de vorm van werk, school en/of sport; - waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten SAVE Midden Nederland te Flevoland, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden; voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter en kinderrechter, mr. V.A. Groeneveld en mr. S. Shukrula, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.L. Sterkenburg als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026. De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Volledig
Het vertrouwen van [slachtoffer] in haar medemens is door dit alles flink geschaad, des te meer omdat zij en [verdachte] vóór het incident goede vriendinnen waren. Hoewel [verdachte] tijdens de zitting toch weer beweerde dat zij zich moest verdedigen, heeft [verdachte] wel spijt betuigd. Ook heeft een succesvol mediationtraject plaatsgevonden. [verdachte] heeft aan [slachtoffer] haar excuses aangeboden, wat [slachtoffer] als prettig heeft ervaren. De rechtbank vindt het goed van [verdachte] dat zij dit heeft gedaan. Persoonlijke omstandigheden van [verdachte] De rechtbank heeft over [verdachte] kennisgenomen van: - haar strafblad van 17 februari 2026; - een rapportage van SAVE van 23 maart 2026; - een advies van de Raad van 26 maart 2026; - wat de deskundige van SAVE op de zitting heeft gezegd. Justitiële documentatie Uit het strafblad van [verdachte] blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit is niet strafverzwarend, maar ook niet strafverminderend. De rapportage van SAVE Uit de rapportage van SAVE volgt dat [verdachte] zich uitstekend heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden en goed heeft samengewerkt met de jeugdreclassering. [verdachte] doet het ook beter op school. Het baart SAVE wel zorgen dat [verdachte] , ondanks de beschermende factoren in haar leven, zoals haar betrokken ouders, toch een verdachte is geworden van een ernstig strafbaar feit. SAVE adviseert om aan [verdachte] een deels onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Aan de voorwaardelijke werkstraf dienen bijzondere voorwaarden gekoppeld te worden om recidive te voorkomen. Een proeftijd van één jaar volstaat. Het advies van de Raad Uit het onderzoek van de Raad volgt dat de kans op herhaling van strafbare feiten als heel laag wordt gezien. Ook de Raad is veelal positief over [verdachte] . Als risicofactor is wel naar voren gekomen dat [verdachte] last kan hebben van haar boosheid en dat zij niet goed weet wat zij dan moet doen. Omdat [verdachte] nog veel baat heeft bij de ondersteuning die de jeugdreclassering biedt, is het volgens de Raad nodig dat de jeugdreclassering toezicht op [verdachte] blijft houden voor de duur van één jaar. Over de strafoplegging sluit de Raad zich aan bij het rapport van SAVE. Deskundigenverklaring Op de zitting heeft de deskundige van SAVE benadrukt dat [verdachte] weet dat wat zij heeft gedaan niet door de beugel kan. [verdachte] beschouwt zichzelf als impulsief en wil weten waarom dat is. [verdachte] is daarom aangemeld bij [instelling] , een instelling van GGZ. Een intakegesprek moet nog plaatsvinden en [verdachte] staat op de wachtlijst. Strafkader Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank met name gelet op wat hiervoor is overwogen over de ernst en omstandigheden van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank zal in strafverminderende zin afwijken van de eis van de officier van justitie, omdat zij – anders dan de officier van justitie – niet is gekomen tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde. Verder weegt de rechtbank ook in strafverminderende zin mee dat tussen [verdachte] en [slachtoffer] een succesvol mediationtraject heeft plaatsgevonden, waarbij [verdachte] aan [slachtoffer] haar excuses heeft aangeboden. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan [verdachte] op een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 90 uren, met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en met toepassing van de bijzondere voorwaarden, zoals deze zijn geadviseerd door de Raad en SAVE. Met een onvoorwaardelijke en een voorwaardelijke werkstraf zal [verdachte] enerzijds de gevolgen van haar strafbaar handelen direct ondervinden en kan er anderzijds verder worden gegaan met de noodzakelijke ambulante begeleiding vanuit de jeugdreclassering. Het voorwaardelijke gedeelte van de werkstraf is lager dan geëist door de officier van justitie, omdat de rechtbank uit de rapportages van de Raad en SAVE opmaakt dat de begeleiding goed verloopt en de kans op het plegen van een nieuw strafbaar feit klein is. Om die redenen volstaat een minder grote stok achter de deur. De voorlopige hechtenis Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen. 6 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen: - artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht. 7 De beslissing vrijspraak - verklaart het primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij; bewezenverklaring verklaart bewezen dat [verdachte] het meer subsidiair tenlastegelegde heeft gepleegd, zoals in paragraaf 3.4 is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij; strafbaarheid feit verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart [verdachte] strafbaar voor het meer subsidiair bewezenverklaarde; straf veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 90 uur ; beveelt dat voor het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, de werkstraf wordt vervangen door 45 dagen jeugddetentie ; bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag; - bepaalt dat van de werkstraf een gedeelte van 30 uren , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast; - beveelt dat, als [verdachte] het voorwaardelijk deel van de werkstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 15 dagen jeugddetentie ; - als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] : zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd: meewerkt aan het jeugdreclasseringstoezicht van de gecertificeerde instelling, te weten Samen Veilig Midden-Nederland te Flevoland; behandeling volgt bij [instelling] of een soortgelijke instantie, gericht op de impulsiviteit en emotie-regulatie problematiek; meewerkt aan aanvullende hulpverlening indien de jeugdreclassering dit nodig acht; meewerkt aan het organiseren en behouden van een positieve dag- en vrijetijdsbesteding in de vorm van werk, school en/of sport; - waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten SAVE Midden Nederland te Flevoland, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden; voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter en kinderrechter, mr. V.A. Groeneveld en mr. S. Shukrula, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.L. Sterkenburg als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026. De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.