Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-14
ECLI:NL:RBMNE:2026:1591
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,254 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1591 text/xml public 2026-04-16T10:32:50 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-14 16/269326-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Lelystad Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1591 text/html public 2026-04-16T10:32:11 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1591 Rechtbank Midden-Nederland , 14-04-2026 / 16/269326-25 Jeugdstrafrecht. Vrijspraak poging doodslag en poging zware mishandeling. Bewezenverklaring openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel tot gevolg. De rechtbank legt aan de verdachte op een werkstraf van 120 uur, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en met oplegging van bijzondere voorwaarden. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/269326-25 (P) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] te [plaats] , hierna: [verdachte] . 1 Zitting De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 31 maart 2026. Op de zitting waren aanwezig: [verdachte] ; de officier van justitie: mr. J. Boon; de advocaat van [verdachte] : mr. M.S. Rozenbeek (hierna: de advocaat); de ouders van [verdachte] ; de opa en oma van [verdachte] [A] van Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ); de moeder van [slachtoffer] ; de jeugdreclasseerder bij Samen Veilig (hierna: SAVE). 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat zij, samengevat: op 24 augustus 2025 in Almere samen met anderen meermalen op/tegen het hoofd, in elk geval het lichaam, van [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt/geschopt (terwijl zij op de grond lag); dit is primair tenlastegelegd als een poging tot doodslag, subsidiair als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als het openlijk in vereniging geweld plegen met enig lichamelijk letsel tot gevolg. De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De officier van justitie acht het subsidiair tenlastegelegde wel wettig en overtuigend te bewijzen. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Vrijspraak van het primair tenlastegelegde De rechtbank oordeelt dat het primair tenlastegelegde niet is bewezen en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren. 3.3.2. Vrijspraak subsidiair tenlastegelegde Bij een poging tot zware mishandeling moet komen vast te staan dat [verdachte] opzet heeft gehad, eventueel in voorwaardelijke zin, om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [verdachte] de bewuste bedoeling had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). De volgende vraag is dan of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Dat is het geval wanneer sprake is van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zwaar gewond raakt en [verdachte] die kans bewust heeft aanvaard. Uit de beelden en de overige bevindingen in het dossier vallen de kracht en de impact van de klappen en de trappen niet te herleiden, terwijl deze aspecten juist cruciaal zijn om de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel objectief te beoordelen. Ook uit het lichamelijk letsel dat bij [slachtoffer] is ontstaan, kan deze informatie niet worden afgeleid. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat het handelen van [verdachte] of de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt. Gelet hierop komt de rechtbank – vanwege het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet – niet tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. 3.3.3. Bewijsmiddelen van het meer subsidiair tenlastegelegde [verdachte] bekent dat zij het meer subsidiair tenlastegelegde heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door haar of namens haar is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 31 maart 2026; een proces-verbaal van aangifte van 6 oktober 2025, betreffende de verklaring van [slachtoffer] ; - een proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2025, dat gaat over het lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] : op 24 augustus 2025 te Almere op de [straat] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit: - het meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan - het aan de haren naar achteren en beneden trekken - die [slachtoffer] vervolgens meermalen tegen het hoofd te schoppen terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. 4.2. Strafbaarheid feit en verdachte Het feit en [verdachte] zijn strafbaar. 5 Straf 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot: - een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 uur, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 75 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze werkstraf niet of niet goed uitvoert, waarvan een gedeelte van 40 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geformuleerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en SAVE, met als aanvullende bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] . 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat heeft de rechtbank verzocht de straf ten opzichte van de eis van de officier van justitie te matigen, omdat volgens hem alleen het meer subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder [verdachte] dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en haar persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van het feit Op 24 augustus 2025 is [slachtoffer] als [leeftijd] slachtoffer geworden van zinloos geweld gepleegd door onder meer [verdachte] . In een overtal situatie van drie tegen één heeft [slachtoffer] meerdere klappen en trappen tegen haar lichaam en hoofd moeten doorstaan. Niet alleen heeft dat haar pijn gedaan en heeft zij daar lichamelijk letsel aan overgehouden, het geweld heeft ook voor angst en gevoelens van vernedering gezorgd. Het incident is zelfs in het bijzijn van joelende omstanders gefilmd en vervolgens online geplaatst. De moeder van [slachtoffer] kon haar dochter enige tijd niet meer naar school brengen, omdat zij daar de veiligheid van haar dochter niet kon garanderen.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1591 text/xml public 2026-04-16T10:32:50 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-14 16/269326-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Lelystad Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1591 text/html public 2026-04-16T10:32:11 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1591 Rechtbank Midden-Nederland , 14-04-2026 / 16/269326-25 Jeugdstrafrecht. Vrijspraak poging doodslag en poging zware mishandeling. Bewezenverklaring openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel tot gevolg. De rechtbank legt aan de verdachte op een werkstraf van 120 uur, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en met oplegging van bijzondere voorwaarden. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/269326-25 (P) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] te [plaats] , hierna: [verdachte] . 1 Zitting De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 31 maart 2026. Op de zitting waren aanwezig: [verdachte] ; de officier van justitie: mr. J. Boon; de advocaat van [verdachte] : mr. M.S. Rozenbeek (hierna: de advocaat); de ouders van [verdachte] ; de opa en oma van [verdachte] [A] van Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ); de moeder van [slachtoffer] ; de jeugdreclasseerder bij Samen Veilig (hierna: SAVE). 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat zij, samengevat: op 24 augustus 2025 in Almere samen met anderen meermalen op/tegen het hoofd, in elk geval het lichaam, van [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt/geschopt (terwijl zij op de grond lag); dit is primair tenlastegelegd als een poging tot doodslag, subsidiair als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als het openlijk in vereniging geweld plegen met enig lichamelijk letsel tot gevolg. De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De officier van justitie acht het subsidiair tenlastegelegde wel wettig en overtuigend te bewijzen. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Vrijspraak van het primair tenlastegelegde De rechtbank oordeelt dat het primair tenlastegelegde niet is bewezen en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren. 3.3.2. Vrijspraak subsidiair tenlastegelegde Bij een poging tot zware mishandeling moet komen vast te staan dat [verdachte] opzet heeft gehad, eventueel in voorwaardelijke zin, om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [verdachte] de bewuste bedoeling had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). De volgende vraag is dan of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Dat is het geval wanneer sprake is van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zwaar gewond raakt en [verdachte] die kans bewust heeft aanvaard. Uit de beelden en de overige bevindingen in het dossier vallen de kracht en de impact van de klappen en de trappen niet te herleiden, terwijl deze aspecten juist cruciaal zijn om de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel objectief te beoordelen. Ook uit het lichamelijk letsel dat bij [slachtoffer] is ontstaan, kan deze informatie niet worden afgeleid. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat het handelen van [verdachte] of de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt. Gelet hierop komt de rechtbank – vanwege het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet – niet tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. 3.3.3. Bewijsmiddelen van het meer subsidiair tenlastegelegde [verdachte] bekent dat zij het meer subsidiair tenlastegelegde heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door haar of namens haar is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 31 maart 2026; een proces-verbaal van aangifte van 6 oktober 2025, betreffende de verklaring van [slachtoffer] ; - een proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2025, dat gaat over het lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] : op 24 augustus 2025 te Almere op de [straat] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit: - het meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan - het aan de haren naar achteren en beneden trekken - die [slachtoffer] vervolgens meermalen tegen het hoofd te schoppen terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. 4.2. Strafbaarheid feit en verdachte Het feit en [verdachte] zijn strafbaar. 5 Straf 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot: - een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 uur, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 75 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze werkstraf niet of niet goed uitvoert, waarvan een gedeelte van 40 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geformuleerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en SAVE, met als aanvullende bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] . 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat heeft de rechtbank verzocht de straf ten opzichte van de eis van de officier van justitie te matigen, omdat volgens hem alleen het meer subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder [verdachte] dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en haar persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van het feit Op 24 augustus 2025 is [slachtoffer] als [leeftijd] slachtoffer geworden van zinloos geweld gepleegd door onder meer [verdachte] . In een overtal situatie van drie tegen één heeft [slachtoffer] meerdere klappen en trappen tegen haar lichaam en hoofd moeten doorstaan. Niet alleen heeft dat haar pijn gedaan en heeft zij daar lichamelijk letsel aan overgehouden, het geweld heeft ook voor angst en gevoelens van vernedering gezorgd. Het incident is zelfs in het bijzijn van joelende omstanders gefilmd en vervolgens online geplaatst. De moeder van [slachtoffer] kon haar dochter enige tijd niet meer naar school brengen, omdat zij daar de veiligheid van haar dochter niet kon garanderen.
Volledig
[slachtoffer] heeft ook stressklachten zoals hartkloppingen en benauwdheid aan het incident overgehouden. Het vertrouwen van [slachtoffer] in haar medemens is door dit alles flink geschaad. [verdachte] heeft op de zitting verklaard dat zij geen excuses aan [slachtoffer] heeft aangeboden, omdat zij geen behoefte heeft om het met haar in gesprek te gaan. De rechtbank vindt dit een gemiste kans. [verdachte] had beter moeten nadenken over hoe [slachtoffer] zich hierbij zou voelen. Persoonlijke omstandigheden van [verdachte] De rechtbank heeft over [verdachte] kennisgenomen van: - haar strafblad van 17 februari 2026; - een advies van de Raad van 24 maart 2026; - een rapportage van SAVE van 30 maart 2026; - wat de deskundige van SAVE op de zitting heeft gezegd. Justitiële documentatie Uit het strafblad van [verdachte] blijkt dat zij op 29 februari 2024 eerder is veroordeeld voor mishandeling. De kinderrechter heeft toen aan [verdachte] een leerstraf opgelegd voor de duur van 25 uren. Dat deze veroordeling en de uitgevoerde leerstraf [verdachte] er niet van hebben weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen, is voor de rechtbank reden om dit strafverzwarend mee te wegen. Het advies van de Raad Uit het onderzoek van de Raad volgt dat het risico op herhaling wordt ingeschat als laag. [verdachte] heeft een positieve ontwikkeling laten zien. [verdachte] stelt zich op school beleefd op richting docenten, haalt goede resultaten en is over het algemeen positief aanwezig. Toch is er in de afgelopen periode sprake geweest van te veel schoolverzuim. Hierin, en ook in andere situaties, kan [verdachte] nog beter leren om juiste keuzes te maken. De Raad is van mening dat het belangrijk is dat de jeugdreclassering toezicht blijft houden op [verdachte] . De begeleiding kan zich onder meer verder richten op het invullen van een positieve vrijetijdsbesteding en het vinden van een passende hulpverlening voor de sociaal- emotionele ontwikkeling van [verdachte] . [verdachte] kan namelijk soms nog emoties onderdrukken en moeilijk met teleurstellingen omgaan. De Raad adviseert om aan [verdachte] een deels onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Aan de voorwaardelijke werkstraf dienen bijzondere voorwaarden gekoppeld te worden om recidive te voorkomen. De rapportage van SAVE Uit de rapportage van SAVE volgt dat [verdachte] zich grotendeels heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden. [verdachte] heeft wel een officiële waarschuwing gekregen voor haar schoolverzuim, maar heeft daarna haar schoolgang weer opgepakt. [verdachte] werkt mee met de ambulante begeleiding die is opgestart vanuit [instelling] . Vanwege een grote wachtlijst, kon dit pas op 27 februari 2026 starten. [instelling] zal na de kennismakingsfase onder andere met [verdachte] gaan kickboksen en met ademhalingstechnieken gaan werken om zo haar eigen lichaam en de reactie daarvan te leren kennen. Vervolgens zal [verdachte] handvatten krijgen om te leren omgaan met bijvoorbeeld stress en onrechtvaardigheid. Over de strafoplegging sluit SAVE zich aan bij het rapport van de Raad. Deskundigenverklaring Op de zitting heeft de deskundige van SAVE verklaard dat vanuit haar eigen ervaring [verdachte] altijd haar afspraken is nagekomen. [verdachte] heeft ook geen moeite gehad met de avondklok. Vanuit SAVE zal worden gewerkt aan het omgaan met emoties en agressiecontrole. Strafkader Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank met name gelet op wat hiervoor is overwogen over de ernst en omstandigheden van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Verder weegt de rechtbank mee dat [verdachte] eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit. De rechtbank zal in strafverminderende zin afwijken van de eis van de officier van justitie, omdat zij – anders dan de officier van justitie – niet is gekomen tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan [verdachte] op een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 120 uren, met aftrek van het voorarrest, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met toepassing van de bijzondere voorwaarden, zoals deze zijn geadviseerd door de Raad en SAVE. Met een onvoorwaardelijke en een voorwaardelijke werkstraf zal [verdachte] enerzijds de gevolgen van haar strafbaar handelen direct ondervinden en kan er anderzijds verder worden gegaan met de noodzakelijke ambulante begeleiding vanuit de jeugdreclassering. De rechtbank zal aan [verdachte] niet het door de officier van justitie geëiste contactverbod met [slachtoffer] opleggen, omdat zij geen aanwijzingen ziet voor een nieuw conflict tussen [verdachte] en [slachtoffer] . De voorlopige hechtenis Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen. 6 Vordering benadeelde partij 6.1. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 600,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 6.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [slachtoffer] in zijn geheel (hoofdelijk) toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 6.3. Standpunt van de verdediging De advocaat heeft zich over de vordering van [slachtoffer] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 6.4. Oordeel van de rechtbank De immateriële schade Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat [slachtoffer] lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank weegt daarbij de ernst van het incident mee, dat werd gekenmerkt door vele klappen en trappen in het bijzijn van meerdere anderen die joelend schreeuwden. De rechtbank wijst de vordering van [slachtoffer] dan ook geheel toe. De wettelijke rente De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 24 augustus 2025 tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald. De proceskosten Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil. De schadevergoedingsmaatregel De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) [slachtoffer] de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 600,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald. Als [verdachte] niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen. De hoofdelijkheid Omdat [verdachte] het feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk).
Volledig
[slachtoffer] heeft ook stressklachten zoals hartkloppingen en benauwdheid aan het incident overgehouden. Het vertrouwen van [slachtoffer] in haar medemens is door dit alles flink geschaad. [verdachte] heeft op de zitting verklaard dat zij geen excuses aan [slachtoffer] heeft aangeboden, omdat zij geen behoefte heeft om het met haar in gesprek te gaan. De rechtbank vindt dit een gemiste kans. [verdachte] had beter moeten nadenken over hoe [slachtoffer] zich hierbij zou voelen. Persoonlijke omstandigheden van [verdachte] De rechtbank heeft over [verdachte] kennisgenomen van: - haar strafblad van 17 februari 2026; - een advies van de Raad van 24 maart 2026; - een rapportage van SAVE van 30 maart 2026; - wat de deskundige van SAVE op de zitting heeft gezegd. Justitiële documentatie Uit het strafblad van [verdachte] blijkt dat zij op 29 februari 2024 eerder is veroordeeld voor mishandeling. De kinderrechter heeft toen aan [verdachte] een leerstraf opgelegd voor de duur van 25 uren. Dat deze veroordeling en de uitgevoerde leerstraf [verdachte] er niet van hebben weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen, is voor de rechtbank reden om dit strafverzwarend mee te wegen. Het advies van de Raad Uit het onderzoek van de Raad volgt dat het risico op herhaling wordt ingeschat als laag. [verdachte] heeft een positieve ontwikkeling laten zien. [verdachte] stelt zich op school beleefd op richting docenten, haalt goede resultaten en is over het algemeen positief aanwezig. Toch is er in de afgelopen periode sprake geweest van te veel schoolverzuim. Hierin, en ook in andere situaties, kan [verdachte] nog beter leren om juiste keuzes te maken. De Raad is van mening dat het belangrijk is dat de jeugdreclassering toezicht blijft houden op [verdachte] . De begeleiding kan zich onder meer verder richten op het invullen van een positieve vrijetijdsbesteding en het vinden van een passende hulpverlening voor de sociaal- emotionele ontwikkeling van [verdachte] . [verdachte] kan namelijk soms nog emoties onderdrukken en moeilijk met teleurstellingen omgaan. De Raad adviseert om aan [verdachte] een deels onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Aan de voorwaardelijke werkstraf dienen bijzondere voorwaarden gekoppeld te worden om recidive te voorkomen. De rapportage van SAVE Uit de rapportage van SAVE volgt dat [verdachte] zich grotendeels heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden. [verdachte] heeft wel een officiële waarschuwing gekregen voor haar schoolverzuim, maar heeft daarna haar schoolgang weer opgepakt. [verdachte] werkt mee met de ambulante begeleiding die is opgestart vanuit [instelling] . Vanwege een grote wachtlijst, kon dit pas op 27 februari 2026 starten. [instelling] zal na de kennismakingsfase onder andere met [verdachte] gaan kickboksen en met ademhalingstechnieken gaan werken om zo haar eigen lichaam en de reactie daarvan te leren kennen. Vervolgens zal [verdachte] handvatten krijgen om te leren omgaan met bijvoorbeeld stress en onrechtvaardigheid. Over de strafoplegging sluit SAVE zich aan bij het rapport van de Raad. Deskundigenverklaring Op de zitting heeft de deskundige van SAVE verklaard dat vanuit haar eigen ervaring [verdachte] altijd haar afspraken is nagekomen. [verdachte] heeft ook geen moeite gehad met de avondklok. Vanuit SAVE zal worden gewerkt aan het omgaan met emoties en agressiecontrole. Strafkader Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank met name gelet op wat hiervoor is overwogen over de ernst en omstandigheden van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Verder weegt de rechtbank mee dat [verdachte] eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit. De rechtbank zal in strafverminderende zin afwijken van de eis van de officier van justitie, omdat zij – anders dan de officier van justitie – niet is gekomen tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan [verdachte] op een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 120 uren, met aftrek van het voorarrest, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met toepassing van de bijzondere voorwaarden, zoals deze zijn geadviseerd door de Raad en SAVE. Met een onvoorwaardelijke en een voorwaardelijke werkstraf zal [verdachte] enerzijds de gevolgen van haar strafbaar handelen direct ondervinden en kan er anderzijds verder worden gegaan met de noodzakelijke ambulante begeleiding vanuit de jeugdreclassering. De rechtbank zal aan [verdachte] niet het door de officier van justitie geëiste contactverbod met [slachtoffer] opleggen, omdat zij geen aanwijzingen ziet voor een nieuw conflict tussen [verdachte] en [slachtoffer] . De voorlopige hechtenis Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen. 6 Vordering benadeelde partij 6.1. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 600,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 6.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [slachtoffer] in zijn geheel (hoofdelijk) toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 6.3. Standpunt van de verdediging De advocaat heeft zich over de vordering van [slachtoffer] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 6.4. Oordeel van de rechtbank De immateriële schade Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat [slachtoffer] lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank weegt daarbij de ernst van het incident mee, dat werd gekenmerkt door vele klappen en trappen in het bijzijn van meerdere anderen die joelend schreeuwden. De rechtbank wijst de vordering van [slachtoffer] dan ook geheel toe. De wettelijke rente De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 24 augustus 2025 tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald. De proceskosten Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil. De schadevergoedingsmaatregel De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) [slachtoffer] de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 600,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald. Als [verdachte] niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen. De hoofdelijkheid Omdat [verdachte] het feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk).
Volledig
Daarbij wordt in dit geval één uitzondering gemaakt, te weten voor mededader [medeverdachte] . Uit haar strafzaak blijkt namelijk dat zij al een bedrag van € 300,- heeft vergoed, waardoor de vordering in die strafzaak is ingetrokken en de vordering in de strafzaak van [verdachte] is verlaagd van € 900,- naar € 600,-. De rechtbank oordeelt dat het onwenselijk is dat [medeverdachte] door de Staat wordt aangesproken voor de betaling van de resterende € 600,- terwijl zij al € 300,- heeft vergoed. Tot slot geldt dat voor zover een van de mededaders een bedrag aan [slachtoffer] of aan de Staat heeft betaald, [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan [slachtoffer] of aan de Staat hoeft te betalen. 7 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en de schadevergoedingsmaatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: - artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht. 8 De beslissing De rechtbank: vrijspraak - verklaart het primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij; bewezenverklaring verklaart bewezen dat [verdachte] het meer subsidiair tenlastegelegde heeft gepleegd, zoals in paragraaf 3.4 is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij; strafbaarheid feit verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart [verdachte] strafbaar voor het meer subsidiair bewezenverklaarde; straf veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uur ; beveelt dat voor het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, de werkstraf wordt vervangen door 60 jeugddetentie ; bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag; - bepaalt dat van de werkstraf een gedeelte van 40 uren , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - beveelt dat, als [verdachte] het voorwaardelijk deel van de werkstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen jeugddetentie ; - als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] : zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd: meewerkt aan het hebben en behouden van een positieve dag invulling in de vorm van school, een vervangend schooltraject en/of werk, waarbij zij volgens rooster aanwezig is en zich volgens de gedrags- en omgangsnormen positief zal gedragen; meewerkt aan het hebben en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van werk en/of sport; meewerkt aan ambulante begeleiding vanuit [instelling] , indien de jeugdreclassering dit nodig acht zal dit worden doorgezet door de Waag of een soortgelijke instelling; zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat [verdachte] zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of bepaalde instantie zal stellen zoals de Waag Flevoland of soortgelijke instelling; - waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten SAVE Midden Nederland te Flevoland, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden; vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] wijst de vordering van [slachtoffer] geheel toe tot een bedrag van € 600,- , bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade; veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling; veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 600,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling zal geen gijzeling worden toegepast; bepaalt dat [verdachte] van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen; bepaalt dat [verdachte] van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en/of een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter en kinderrechter, mr. V.A. Groeneveld en mr. S. Shukrula, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.L. Sterkenburg als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026. De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Volledig
Daarbij wordt in dit geval één uitzondering gemaakt, te weten voor mededader [medeverdachte] . Uit haar strafzaak blijkt namelijk dat zij al een bedrag van € 300,- heeft vergoed, waardoor de vordering in die strafzaak is ingetrokken en de vordering in de strafzaak van [verdachte] is verlaagd van € 900,- naar € 600,-. De rechtbank oordeelt dat het onwenselijk is dat [medeverdachte] door de Staat wordt aangesproken voor de betaling van de resterende € 600,- terwijl zij al € 300,- heeft vergoed. Tot slot geldt dat voor zover een van de mededaders een bedrag aan [slachtoffer] of aan de Staat heeft betaald, [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan [slachtoffer] of aan de Staat hoeft te betalen. 7 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en de schadevergoedingsmaatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: - artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht. 8 De beslissing De rechtbank: vrijspraak - verklaart het primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij; bewezenverklaring verklaart bewezen dat [verdachte] het meer subsidiair tenlastegelegde heeft gepleegd, zoals in paragraaf 3.4 is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij; strafbaarheid feit verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart [verdachte] strafbaar voor het meer subsidiair bewezenverklaarde; straf veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uur ; beveelt dat voor het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, de werkstraf wordt vervangen door 60 jeugddetentie ; bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag; - bepaalt dat van de werkstraf een gedeelte van 40 uren , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - beveelt dat, als [verdachte] het voorwaardelijk deel van de werkstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen jeugddetentie ; - als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] : zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd: meewerkt aan het hebben en behouden van een positieve dag invulling in de vorm van school, een vervangend schooltraject en/of werk, waarbij zij volgens rooster aanwezig is en zich volgens de gedrags- en omgangsnormen positief zal gedragen; meewerkt aan het hebben en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van werk en/of sport; meewerkt aan ambulante begeleiding vanuit [instelling] , indien de jeugdreclassering dit nodig acht zal dit worden doorgezet door de Waag of een soortgelijke instelling; zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat [verdachte] zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of bepaalde instantie zal stellen zoals de Waag Flevoland of soortgelijke instelling; - waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten SAVE Midden Nederland te Flevoland, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden; vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] wijst de vordering van [slachtoffer] geheel toe tot een bedrag van € 600,- , bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade; veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling; veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 600,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling zal geen gijzeling worden toegepast; bepaalt dat [verdachte] van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen; bepaalt dat [verdachte] van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en/of een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter en kinderrechter, mr. V.A. Groeneveld en mr. S. Shukrula, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.L. Sterkenburg als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026. De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.