Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-24
ECLI:NL:RBMNE:2026:1588
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5103 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder (gemachtigde: mr. M. Santing). Waar gaat deze zaak over? Eiser heeft verzocht om zijn studiebeurs om te zetten in een gift. De minister heeft dit verzoek met het besluit van 20 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Beoordeling door de rechtbank 1. De rechtbank is van oordeel dat de minister het verzoek om de tempobeurs om te zetten in een gift terecht heeft afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom. 2. De rechtbank stelt voorop dat eiser voor zijn gehele opleiding, van 1 september 1995 tot 1 januari 2003, een tempobeurs heeft gehad op grond van de Wet op de studiefinanciering (Wsf). Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie. De tempobeurs hield in dat de studiefinanciering voorwaardelijk als gift werd toegekend. Elk studiejaar moest een student een aantal studiepunten halen om de gift behouden. Bij voldoende behaalde punten werd een studiejaar omgezet in een gift. Omdat eiser niet elk jaar voldoende studiepunten heeft behaald, is er een lening die eiser moet terugbetalen. Vanaf 1 januari 2005 is de aflosfase ingegaan en moet eiser zijn studieschuld aflossen. 3. Eiser heeft verzocht om zijn beurs om te zetten in een gift vanwege een structurele medische omstandigheid, namelijk de omstandigheid dat eiser ADHD heeft. Dit is pas in 2014 vastgesteld. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek. Eiser vindt dat het voor hem oneerlijk uitpakt ten opzichte van studenten die in 1996 zijn begonnen met studeren. Eiser is volledig afgestudeerd en zou als hij een prestatiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) zou hebben gekregen, de volledige beurs als gift hebben gehad. Volgens eiser moet de hardheidsclausule worden toegepast. 4. In de Wsf 2000 is een voorziening opgenomen voor studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden niet in staat zijn binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen (artikel 5.16, eerste en tweede lid, van de Wsf 2000). Daaronder vallen medische omstandigheden van zowel tijdelijke als structurele aard. Dit is van toepassing op studenten die een de prestatiebeurs hebben gekregen en op wie de Wsf 2000 van toepassing is. Eiser heeft geen recht op deze voorziening omdat de Wsf 2000 niet op hem van toepassing is. 5. Alle studenten die na 31 juli 1991 en voor 1 september 1996 zijn begonnen met studeren kregen een tempobeurs. Op het moment dat de prestatiebeurs vanaf 1 september 1996 is ingevoerd, behielden de hiervoor genoemde studenten de tempobeurs. Er is bij de overgang van de tempobeurs naar de prestatiebeurs geen overgangsrecht gemaakt dat de nieuwe regels ook voor de tempobeursstudenten gelden. Daardoor kunnen studenten die onder de tempobeurs vallen geen beroep doen op artikel 5.16 van de Wsf 2000. Het is ook de bedoeling geweest van de wetgever om de twee verschillende systemen van studiefinanciering in stand te laten. Omdat de wetgever heeft nagedacht over de verschillende soorten studiefinanciering, is geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Ook is er geen sprake van een zeer bijzondere omstandigheid van individuele aard waarin de