Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-26
ECLI:NL:RBMNE:2026:1580
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/1483 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster, (gemachtigde: mr. K. Cras), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de staatssecretaris, (gemachtigde: mr. R.P. Steenhouwer). Inleiding 1.1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om een verklaring omtrent het gedrag met politiegegevens (VOG P) af te geven. 1.2. Verzoekster heeft op 21 november 2025 een aanvraag ingediend voor een VOG P. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 5 februari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen op 20 februari 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. De staatssecretaris heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. S. Wetsema als waarnemer van mr. K. Cras, en de gemachtigde van de staatssecretaris. 1.5. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster of de staatssecretaris het belang van het beschermen van de samenleving zwaarder mocht laten wegen dan het belang van verzoekster. Vrijstelling griffierecht 3. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Verzoekster heeft aannemelijk gemaakt dat zij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om in staat te zijn het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Het spoedeisend belang 4. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de voorzieningenrechter staat vast dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. De voorlopige rechtmatigheid 5. Verzoekster voert aan dat haar bezwaar een reële kans van slagen heeft. Zij stelt dat de staatssecretaris de belangenafweging onder het subjectieve criterium in het voordeel van verzoekster had moeten laten uitvallen. Verzoekster geeft aan dat de politiegegevens die de staatssecretaris bij de afwijzing heeft betrokken, vooral verband houden met een buurvrouw die regelmatig het conflict zocht met de bewoners van een woongroep waar ook verzoekster woonde. Ook geeft zij aan dat de politieregistraties voortkomen uit gedrag dat in groepsverband is gepleegd, dat verzoekster nog jong was, en ook verband hielden met de toenmalige woonomgeving. Inmiddels woont verzoekster in een andere stad en maakt zij een persoonlijke ontwikkeling door, zij treedt vaak de-escalerend op en heeft geleerd om met spanningen en emoties om te gaan. Verzoekster voert aan dat de meldingen een andere context hebben dan volgt uit de politieregistraties en dat dit niet goed door de staatssecretaris is meegenomen in de beoordeling. Ze heeft voor zichzelf als doel gesteld om te gaan werken bij de politie. Dat is haar droombaan. De functie als [functie] , waar de VOG P voor gevraagd is, is een belangrijke stap in die richting. Zij heeft dan ook een zwaarwegend persoonlijk belang. 6. Op grond van artikel 35a van de Wet op de justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) kan een VOG voor bepaalde aang