Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-14
ECLI:NL:RBMNE:2026:1545
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,393 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1545 text/xml public 2026-05-04T14:16:49 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-14 UTR 25/7119 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1545 text/html public 2026-05-04T14:16:14 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1545 Rechtbank Midden-Nederland , 14-04-2026 / UTR 25/7119 BNT; gegrond; RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/7119 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser, (gemachtigde: mr. M.L. Santokhi), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht , verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 30 april 2025. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiser heeft zijn pro forma bezwaarschrift ingediend op 30 april 2025. Op 20 mei 2025 heeft eiser de gronden van het bezwaarschrift ingediend. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn is verstreken. Omdat er een adviescommissie is geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. Dat staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb. Verweerder heeft de termijn bij brief van 24 juli 2025, verzonden op 25 juli 2025 verlengd met zes weken tot uiterlijk 25 september 2025. 4. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 25 september 2025 nog steeds niet had beslist. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 1 oktober 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. 5. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak (artikel 8:55d, lid 1, Awb). 6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -. 7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). 8 . Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt 467,-. 9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -; - bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser hebben betaald moet betalen; - veroordeelt verweerder tot betaling van €467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan de eiser. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026. de griffier de rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1545 text/xml public 2026-05-04T14:16:49 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-14 UTR 25/7119 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1545 text/html public 2026-05-04T14:16:14 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1545 Rechtbank Midden-Nederland , 14-04-2026 / UTR 25/7119 BNT; gegrond; RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/7119 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser, (gemachtigde: mr. M.L. Santokhi), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht , verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 30 april 2025. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiser heeft zijn pro forma bezwaarschrift ingediend op 30 april 2025. Op 20 mei 2025 heeft eiser de gronden van het bezwaarschrift ingediend. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn is verstreken. Omdat er een adviescommissie is geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. Dat staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb. Verweerder heeft de termijn bij brief van 24 juli 2025, verzonden op 25 juli 2025 verlengd met zes weken tot uiterlijk 25 september 2025. 4. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 25 september 2025 nog steeds niet had beslist. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 1 oktober 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. 5. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak (artikel 8:55d, lid 1, Awb). 6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -. 7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). 8 . Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt 467,-. 9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -; - bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser hebben betaald moet betalen; - veroordeelt verweerder tot betaling van €467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan de eiser. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026. de griffier de rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.