Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-26
ECLI:NL:RBMNE:2026:1474
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,215 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1474 text/xml public 2026-05-01T11:21:49 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-26 UTR 25/2876 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1474 text/html public 2026-04-23T08:34:59 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1474 Rechtbank Midden-Nederland , 26-03-2026 / UTR 25/2876 Einduitspraak MK. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten de geconstateerde gebreken in voldoende mate hebben hersteld met het herstelbesluit en de daaraan ten grondslag liggende rapporten. Gedeputeerde staten hebben daarmee voldoende deugdelijk gemotiveerd dat er in de woningmarktregio, waar Soest toe behoort, behoefte is aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment en dat nieuwe woningen leiden tot verhuisbewegingen in de woningmarktregio. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat het weliswaar om een klein bouwproject gaat, maar dat daarmee ook in beperkte mate verstoring van het foerageergebied van de das plaatsvindt en er voor die verstoring mitigerende maatregelen worden getroffen. De tweede aangevoerde noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning hoeft door de rechtbank niet meer beoordeeld te worden. Ten slotte is voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat met minder verstrekkende gevolgen. Gelet op de tussenuitspraak is het beroep gegrond, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2876 einduitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen 1. [eiser 1] , en 2. [eiser 2] , beiden uit [plaats] , samen eisers, (gemachtigde van eiser 2.: eiser 1.), en het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder (gemachtigde: mr. S. Aperloo). Als derde partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V. (vergunninghoudster) (gemachtigde: mr. C. Schipperus). Partijen worden in deze uitspraak eisers, gedeputeerde staten en vergunninghoudster genoemd. Inleiding 1. Deze zaak gaat over de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (de omgevingsvergunning) die gedeputeerde staten aan vergunninghoudster hebben verleend voor het opzettelijk beschadigen en/of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026. Vergunninghoudster heeft deze omgevingsvergunning aangevraagd, omdat zij vijf grondgebonden koopwoningen wil ontwikkelen op een perceel dat is aangemerkt als foerageergebied van de das. Eisers wonen rondom het plangebied en hebben tegen de besluitvorming van gedeputeerde staten bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. 2. De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 tussenuitspraak gedaan in deze zaak. Voor een uitgebreide beschrijving van het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank gedeputeerde staten in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van 1 april 2025 te herstellen. 3. Bij brief van 5 december 2025 hebben gedeputeerde staten de rechtbank verzocht de in de tussenuitspraak gestelde termijn met vier weken te verlengen. Met de tweede tussenuitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank de termijn uit de eerste tussenuitspraak met vier weken verlengd tot 6 januari 2026. 4. Gedeputeerde staten hebben op 5 januari 2026 een herstelbesluit genomen. Eisers hebben op 28 januari 2026 hun zienswijze gegeven op dit herstelbesluit. Op 10 februari 2026 hebben gedeputeerde staten een aanvullende reactie gegeven. Vergunninghoudster heeft geen reactie gegeven. 5. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 11 februari 2026 gesloten. Overwegingen 6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. De tussenuitspraak 7. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat gedeputeerde staten niet deugdelijk en concreet hebben gemotiveerd dat de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in de lokale behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment in Soest. Gedeputeerde staten hebben daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom het nodig is de omgevingsvergunning te verlenen voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat gedeputeerde staten in hun besluitvorming onvoldoende hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn. Gedeputeerde staten kunnen de geconstateerde gebreken herstellen door: toereikend te onderbouwen dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Daarvoor is noodzakelijk dat gedeputeerde staten een specifiek op dit bouwproject toegesneden motivering geven van de kwalitatieve noodzaak van dit project en de effecten daarvan op andere segmenten van de woningmarkt in (de regio) Soest; en/of nader te onderbouwen dat het bouwplan noodzakelijk is in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden: en inzichtelijk te maken welke alternatieven gedeputeerde staten bij hun beoordeling hebben betrokken en waaruit volgt dat deze alternatieven niet of minder geschikt zijn dan het bestaande plan. Dit gebrek is hersteld als inzichtelijk is gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat die minder verstrekkende gevolgen heeft voor het essentieel foerageergebied van de das. Het herstelbesluit 8. Gedeputeerde staten hebben de noodzaak voor dit bouwproject in het herstelbesluit van 5 januari 2026 nader gemotiveerd. Gedeputeerde staten hebben zich daarvoor gebaseerd op het rapport ‘Onderbouwing Bouwplan 1e Heezerlaantje Soest’ van de Stec-Groep van 22 december 2025 ( het Stec-rapport ). Uit het Stec-rapport volgt dat de woningmarktregio, gelet op de inkomende verhuisbewegingen, bestaat uit Soest, Amersfoort, Utrecht, Zeist, Baarn en Hilversum. In de woningmarktregio zal het aantal huishoudens tot 2035 groeien met 38.125. Daarmee groeit ook de behoefte aan even zoveel nieuwe woningen, terwijl de bestaande woningbouwplannen daar niet volledig in kunnen voorzien. Er is dus een kwantitatieve behoefte in de woningmarktregio aan woningen. Vervolgens volgt uit het Stec-rapport dat het bouwplan ook voorziet in een kwalitatieve behoefte aan dure grondgebonden koopwoningen. Volgens het Stec-rapport gaat het daarbij om koopwoningen vanaf € 405.000,- . In het Stec-rapport wordt onderkend dat lokaal (in Soest) weliswaar geen behoefte bestaat aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment, maar in de woningmarktregio waar Soest deel van uitmaakt wél. Bovendien kan het aanbod aan grondgebonden koop in Soest niet volledig in de behoefte in de woningmarktregio voorzien, zodat het bouwplan daadwerkelijk voorziet in een behoefte en dus noodzakelijk is. Bovendien volgt uit het Stec-rapport dat het realiseren van nieuwe woningen leidt tot doorstroming op de woningmarkt, waarbij het bouwen van grondgebonden koopwoningen in het hoge segment leidt tot gemiddeld drie verhuisbewegingen. Hiervoor is gebruik gemaakt van het Stec-doorstroommodel. Gelet hierop kan het bouwplan in deze zaak ook bijdragen aan het oplossen van het tekort aan kleinere en betaalbare woningen in de woningmarktregio en biedt het dus kansen voor starters en sociale huurders. 9. In het herstelbesluit hebben gedeputeerde staten verder toegelicht dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn die minder verstrekkende gevolgen hebben voor het essentieel foerageergebied van de das. Gedeputeerde staten hebben zich daarbij gebaseerd op de bijlage bij het Stec-rapport. Daarin zijn 21 alternatieve locaties in Soest beoordeeld op zes gelijke onderdelen, te weten: ligging binnen de rode contour, bandbreedte, ontsluiting, kwalitatieve geschiktheid, beschikbaarheid en bestaande bestemming.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1474 text/xml public 2026-05-01T11:21:49 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-26 UTR 25/2876 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1474 text/html public 2026-04-23T08:34:59 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1474 Rechtbank Midden-Nederland , 26-03-2026 / UTR 25/2876 Einduitspraak MK. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten de geconstateerde gebreken in voldoende mate hebben hersteld met het herstelbesluit en de daaraan ten grondslag liggende rapporten. Gedeputeerde staten hebben daarmee voldoende deugdelijk gemotiveerd dat er in de woningmarktregio, waar Soest toe behoort, behoefte is aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment en dat nieuwe woningen leiden tot verhuisbewegingen in de woningmarktregio. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat het weliswaar om een klein bouwproject gaat, maar dat daarmee ook in beperkte mate verstoring van het foerageergebied van de das plaatsvindt en er voor die verstoring mitigerende maatregelen worden getroffen. De tweede aangevoerde noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning hoeft door de rechtbank niet meer beoordeeld te worden. Ten slotte is voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat met minder verstrekkende gevolgen. Gelet op de tussenuitspraak is het beroep gegrond, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2876 einduitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen 1. [eiser 1] , en 2. [eiser 2] , beiden uit [plaats] , samen eisers, (gemachtigde van eiser 2.: eiser 1.), en het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder (gemachtigde: mr. S. Aperloo). Als derde partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V. (vergunninghoudster) (gemachtigde: mr. C. Schipperus). Partijen worden in deze uitspraak eisers, gedeputeerde staten en vergunninghoudster genoemd. Inleiding 1. Deze zaak gaat over de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (de omgevingsvergunning) die gedeputeerde staten aan vergunninghoudster hebben verleend voor het opzettelijk beschadigen en/of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026. Vergunninghoudster heeft deze omgevingsvergunning aangevraagd, omdat zij vijf grondgebonden koopwoningen wil ontwikkelen op een perceel dat is aangemerkt als foerageergebied van de das. Eisers wonen rondom het plangebied en hebben tegen de besluitvorming van gedeputeerde staten bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. 2. De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 tussenuitspraak gedaan in deze zaak. Voor een uitgebreide beschrijving van het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank gedeputeerde staten in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van 1 april 2025 te herstellen. 3. Bij brief van 5 december 2025 hebben gedeputeerde staten de rechtbank verzocht de in de tussenuitspraak gestelde termijn met vier weken te verlengen. Met de tweede tussenuitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank de termijn uit de eerste tussenuitspraak met vier weken verlengd tot 6 januari 2026. 4. Gedeputeerde staten hebben op 5 januari 2026 een herstelbesluit genomen. Eisers hebben op 28 januari 2026 hun zienswijze gegeven op dit herstelbesluit. Op 10 februari 2026 hebben gedeputeerde staten een aanvullende reactie gegeven. Vergunninghoudster heeft geen reactie gegeven. 5. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 11 februari 2026 gesloten. Overwegingen 6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. De tussenuitspraak 7. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat gedeputeerde staten niet deugdelijk en concreet hebben gemotiveerd dat de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in de lokale behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment in Soest. Gedeputeerde staten hebben daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom het nodig is de omgevingsvergunning te verlenen voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat gedeputeerde staten in hun besluitvorming onvoldoende hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn. Gedeputeerde staten kunnen de geconstateerde gebreken herstellen door: toereikend te onderbouwen dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Daarvoor is noodzakelijk dat gedeputeerde staten een specifiek op dit bouwproject toegesneden motivering geven van de kwalitatieve noodzaak van dit project en de effecten daarvan op andere segmenten van de woningmarkt in (de regio) Soest; en/of nader te onderbouwen dat het bouwplan noodzakelijk is in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden: en inzichtelijk te maken welke alternatieven gedeputeerde staten bij hun beoordeling hebben betrokken en waaruit volgt dat deze alternatieven niet of minder geschikt zijn dan het bestaande plan. Dit gebrek is hersteld als inzichtelijk is gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat die minder verstrekkende gevolgen heeft voor het essentieel foerageergebied van de das. Het herstelbesluit 8. Gedeputeerde staten hebben de noodzaak voor dit bouwproject in het herstelbesluit van 5 januari 2026 nader gemotiveerd. Gedeputeerde staten hebben zich daarvoor gebaseerd op het rapport ‘Onderbouwing Bouwplan 1e Heezerlaantje Soest’ van de Stec-Groep van 22 december 2025 ( het Stec-rapport ). Uit het Stec-rapport volgt dat de woningmarktregio, gelet op de inkomende verhuisbewegingen, bestaat uit Soest, Amersfoort, Utrecht, Zeist, Baarn en Hilversum. In de woningmarktregio zal het aantal huishoudens tot 2035 groeien met 38.125. Daarmee groeit ook de behoefte aan even zoveel nieuwe woningen, terwijl de bestaande woningbouwplannen daar niet volledig in kunnen voorzien. Er is dus een kwantitatieve behoefte in de woningmarktregio aan woningen. Vervolgens volgt uit het Stec-rapport dat het bouwplan ook voorziet in een kwalitatieve behoefte aan dure grondgebonden koopwoningen. Volgens het Stec-rapport gaat het daarbij om koopwoningen vanaf € 405.000,- . In het Stec-rapport wordt onderkend dat lokaal (in Soest) weliswaar geen behoefte bestaat aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment, maar in de woningmarktregio waar Soest deel van uitmaakt wél. Bovendien kan het aanbod aan grondgebonden koop in Soest niet volledig in de behoefte in de woningmarktregio voorzien, zodat het bouwplan daadwerkelijk voorziet in een behoefte en dus noodzakelijk is. Bovendien volgt uit het Stec-rapport dat het realiseren van nieuwe woningen leidt tot doorstroming op de woningmarkt, waarbij het bouwen van grondgebonden koopwoningen in het hoge segment leidt tot gemiddeld drie verhuisbewegingen. Hiervoor is gebruik gemaakt van het Stec-doorstroommodel. Gelet hierop kan het bouwplan in deze zaak ook bijdragen aan het oplossen van het tekort aan kleinere en betaalbare woningen in de woningmarktregio en biedt het dus kansen voor starters en sociale huurders. 9. In het herstelbesluit hebben gedeputeerde staten verder toegelicht dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn die minder verstrekkende gevolgen hebben voor het essentieel foerageergebied van de das. Gedeputeerde staten hebben zich daarbij gebaseerd op de bijlage bij het Stec-rapport. Daarin zijn 21 alternatieve locaties in Soest beoordeeld op zes gelijke onderdelen, te weten: ligging binnen de rode contour, bandbreedte, ontsluiting, kwalitatieve geschiktheid, beschikbaarheid en bestaande bestemming.
Volledig
Uit dit overzicht volgt dat voor de meeste locaties geldt dat de functie ‘wonen’ op basis van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan. Voor twee locaties geldt dat deze al planologisch zijn vastgesteld voor een ander bouwplan. Op basis hiervan is de conclusie volgens gedeputeerde staten dat er geen redelijke, gelijkwaardige en op korte termijn realiseerbare alternatieve locatie beschikbaar is waarmee de doelstellingen van dit project kunnen worden gehaald. Gedeputeerde staten hebben er ten slotte nog op gewezen dat de negatieve effecten van het bouwplan zoveel mogelijk worden beperkt door alternatief foerageergebied te realiseren op korte afstand van het plangebied. De te treffen compenserende en mitigerende maatregelen zijn beschreven in het mitigatieplan van 25 juni 2024. De zienswijze van eisers 10. Eisers stellen zich op het standpunt dat gedeputeerde staten er met het herstelbesluit en het Stec-rapport niet in zijn geslaagd om de kwalitatieve noodzaak van het bouwproject te onderbouwen. Eisers voeren aan dat het Stec-rapport is opgesteld in opdracht van vergunninghoudster, zodat geen sprake is van een onafhankelijk onderzoek door gedeputeerde staten. Tegen het Stec-rapport hebben eisers aangevoerd dat daarin de woningmarktregio zeer ruim wordt vastgesteld, terwijl de verhuisbewegingen daartoe geen aanleiding geven. Uit het rapport volgt dat juist 40 procent van de verhuisbewegingen binnen Soest plaatsvindt en dat er een grote restcategorie is, die niet nader is gedefinieerd. Als uitgegaan zou moeten worden van de brede woningmarktregio dan is volgens eisers de vraag of de bouw van vijf woningen daadwerkelijk een groot openbaar belang is, terwijl daar de aantasting van essentieel foerageergebied van de das tegenover staat. Eisers wijzen er verder op dat het uitgangspunt in het Stec-rapport van een prijs van € 405.000,- voor een dure grondgebonden koopwoning niet bij het bouwplan in deze zaak past. Het voorgenomen bouwplan realiseert woningen die een vraagprijs hebben beginnend bij € 900.000,-, zodat met het rapport onvoldoende is gemotiveerd dat daar binnen de brede woningmarktregio wel vraag naar is. Eisers hebben ten slotte aangevoerd dat onvoldoende inzichtelijk is hoe het Stec-doorstroommodel werkt, zodat de uitkomsten daarvan voor eisers niet verifieerbaar zijn. Ten aanzien van de verhuisbewegingen is volgens eisers onvoldoende inzichtelijk gemaakt tot welke verhuisbewegingen het bouwproject in deze zaak leidt. 11. Over de andere bevredigende oplossingen hebben eisers aangevoerd dat gedeputeerde staten zich ten onrechte hebben beperkt tot een achteraf opgesteld rapport met de beoordeling van alternatieve locaties. De daarbij beoordeelde locaties zijn in sommige gevallen niet-realistisch of onvoldoende onderzocht op de haalbaarheid. Eisers wijzen er verder op dat de mogelijkheid van het realiseren van minder woningen op de huidige voorgenomen locatie niet als alternatief bij de beoordeling is betrokken. Beoordeling door de rechtbank De noodzaak 12. De rechtbank overweegt dat gedeputeerde staten zich voor de totstandkoming van het herstelbesluit hebben gebaseerd op het Stec-rapport. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan zich voor de motivering van een besluit in beginsel mag baseren op de inhoud van het rapport dat door een deskundige is opgesteld. Het bestuursorgaan moet daarvoor wel nagaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat gedeputeerde staten het Stec-rapport aan het herstelbesluit ten grondslag konden leggen. De stelling van eisers dat het Stec-rapport in opdracht van vergunninghoudster is uitgevoerd en door haar is gefinancierd brengt niet met zich dat gedeputeerde staten niet uit mochten gaan van de onafhankelijkheid en zorgvuldigheid van dit onderzoek. Als eisers de inhoudelijke overwegingen van het Stec-rapport willen betwisten dan ligt het op de weg van eisers om daarvoor een tegenrapport te laten opstellen. Dat hebben eisers niet gedaan. 13. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten met het herstelbesluit en het daaraan ten grondslag liggende Stec-rapport voldoende deugdelijk en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat het bouwproject voorziet in een kwalitatieve noodzaak en dat het realiseren van dit project een positief effect heeft op de verhuisbewegingen in de woningmarktregio. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt. 14. De rechtbank overweegt dat gedeputeerde staten zich voor de noodzaak van het bouwproject baseren op een dwingende reden van groot openbaar belang, gelegen in de behoefte aan woningbouw. Een behoefte aan woningbouw kan onder omstandigheden een dwingende reden van groot openbaar belang opleveren. Het belang moet dan zowel “openbaar” als “groot” zijn, wat impliceert dat dit belang zo groot is dat het kan worden afgewogen tegen de door de Habitatrichtlijn nagestreefde doelstelling van instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Voor deze zaak betekent dit dat de rechtbank moet beoordelen of de aard van de beoogde woningbouw en de door gedeputeerde staten aangevoerde belangen zodanig groot en openbaar zijn dat zij als voldoende zwaarwegend kunnen worden aangemerkt in verhouding tot de belangen die door artikel 8:74l, eerste lid, onder b, onder 3° van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) worden beschermd. De rechtbank sluit hiervoor aan bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarin zij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over dwingende redenen van groot openbaar belang in het kader van gebiedsbescherming bij toepassing van de Habitatrichtlijn, ook van toepassing verklaart in het kader van soortenbescherming. 15. In het herstelbesluit hebben gedeputeerde staten zich, anders dan in het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat er lokaal in Soest geen behoefte is grondgebonden koopwoningen in het hoge segment. Daarentegen is met het Stec-rapport inzichtelijk gemotiveerd dat deze behoefte in de woningmarktregio, waartoe Soest behoort, wel bestaat. Uit het Stec-rapport volgt dat ongeveer 24 procent van de verhuisbewegingen in de woningmarktregio plaatsvindt. Tezamen met de verhuisbewegingen in Soest vormt dit het overgrote deel van het aantal verhuisbewegingen in en naar Soest. De rechtbank kan daarmee volgen dat gedeputeerde staten zich voor hun onderbouwing hebben gebaseerd op de vastgestelde woningmarktregio voor de onderbouwing van de behoefte aan woningen. Dat de woningmarktregio volgens eisers ten onrechte te breed is vastgesteld om daarmee het belang van Soest als vestigingsplaats te benadrukken, volgt de rechtbank niet. Met de in het Stec-rapport weergegeven verhuisbewegingen is inzichtelijk gemaakt dat een relevant aandeel van de verhuisbewegingen plaatsvindt van omliggende gemeenten naar Soest. Dit is onderbouwd met data van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS). Gedeputeerde staten mochten zich in het herstelbesluit op de behoefte in de woningmarktregio baseren. Bij de rechtbank is geen rechtspraak bekend (en ook eisers hebben dat niet aangedragen) waaruit volgt dat een groot openbaar belang bij het realiseren van woningen uitsluitend kan worden onderbouwd door een bestaande lokale behoefte. Ook als het bouwproject in deze zaak uitsluitend in een regionale behoefte voorziet, kan daarmee nog steeds sprake zijn van een groot openbaar belang voor het realiseren van de woningen. Dat het realiseren van woningen in Soest voorziet in een regionale behoefte is met het Stec-rapport en de toelichting in het herstelbesluit voldoende deugdelijk gemotiveerd. 16. De rechtbank overweegt verder dat in het Stec-rapport ook een deugdelijke onderbouwing is gegeven voor de behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment. In het rapport is inzichtelijk gemotiveerd dat in de woningmarktregio behoefte bestaat aan grondgebonden koopwoningen, ook in het hoge segment. Het vergelijken van de behoefte met het aanbod aan dit type woningen maakt inzichtelijk dat er in de woningmarktregio een resterende behoefte bestaat.
Volledig
Uit dit overzicht volgt dat voor de meeste locaties geldt dat de functie ‘wonen’ op basis van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan. Voor twee locaties geldt dat deze al planologisch zijn vastgesteld voor een ander bouwplan. Op basis hiervan is de conclusie volgens gedeputeerde staten dat er geen redelijke, gelijkwaardige en op korte termijn realiseerbare alternatieve locatie beschikbaar is waarmee de doelstellingen van dit project kunnen worden gehaald. Gedeputeerde staten hebben er ten slotte nog op gewezen dat de negatieve effecten van het bouwplan zoveel mogelijk worden beperkt door alternatief foerageergebied te realiseren op korte afstand van het plangebied. De te treffen compenserende en mitigerende maatregelen zijn beschreven in het mitigatieplan van 25 juni 2024. De zienswijze van eisers 10. Eisers stellen zich op het standpunt dat gedeputeerde staten er met het herstelbesluit en het Stec-rapport niet in zijn geslaagd om de kwalitatieve noodzaak van het bouwproject te onderbouwen. Eisers voeren aan dat het Stec-rapport is opgesteld in opdracht van vergunninghoudster, zodat geen sprake is van een onafhankelijk onderzoek door gedeputeerde staten. Tegen het Stec-rapport hebben eisers aangevoerd dat daarin de woningmarktregio zeer ruim wordt vastgesteld, terwijl de verhuisbewegingen daartoe geen aanleiding geven. Uit het rapport volgt dat juist 40 procent van de verhuisbewegingen binnen Soest plaatsvindt en dat er een grote restcategorie is, die niet nader is gedefinieerd. Als uitgegaan zou moeten worden van de brede woningmarktregio dan is volgens eisers de vraag of de bouw van vijf woningen daadwerkelijk een groot openbaar belang is, terwijl daar de aantasting van essentieel foerageergebied van de das tegenover staat. Eisers wijzen er verder op dat het uitgangspunt in het Stec-rapport van een prijs van € 405.000,- voor een dure grondgebonden koopwoning niet bij het bouwplan in deze zaak past. Het voorgenomen bouwplan realiseert woningen die een vraagprijs hebben beginnend bij € 900.000,-, zodat met het rapport onvoldoende is gemotiveerd dat daar binnen de brede woningmarktregio wel vraag naar is. Eisers hebben ten slotte aangevoerd dat onvoldoende inzichtelijk is hoe het Stec-doorstroommodel werkt, zodat de uitkomsten daarvan voor eisers niet verifieerbaar zijn. Ten aanzien van de verhuisbewegingen is volgens eisers onvoldoende inzichtelijk gemaakt tot welke verhuisbewegingen het bouwproject in deze zaak leidt. 11. Over de andere bevredigende oplossingen hebben eisers aangevoerd dat gedeputeerde staten zich ten onrechte hebben beperkt tot een achteraf opgesteld rapport met de beoordeling van alternatieve locaties. De daarbij beoordeelde locaties zijn in sommige gevallen niet-realistisch of onvoldoende onderzocht op de haalbaarheid. Eisers wijzen er verder op dat de mogelijkheid van het realiseren van minder woningen op de huidige voorgenomen locatie niet als alternatief bij de beoordeling is betrokken. Beoordeling door de rechtbank De noodzaak 12. De rechtbank overweegt dat gedeputeerde staten zich voor de totstandkoming van het herstelbesluit hebben gebaseerd op het Stec-rapport. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan zich voor de motivering van een besluit in beginsel mag baseren op de inhoud van het rapport dat door een deskundige is opgesteld. Het bestuursorgaan moet daarvoor wel nagaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat gedeputeerde staten het Stec-rapport aan het herstelbesluit ten grondslag konden leggen. De stelling van eisers dat het Stec-rapport in opdracht van vergunninghoudster is uitgevoerd en door haar is gefinancierd brengt niet met zich dat gedeputeerde staten niet uit mochten gaan van de onafhankelijkheid en zorgvuldigheid van dit onderzoek. Als eisers de inhoudelijke overwegingen van het Stec-rapport willen betwisten dan ligt het op de weg van eisers om daarvoor een tegenrapport te laten opstellen. Dat hebben eisers niet gedaan. 13. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten met het herstelbesluit en het daaraan ten grondslag liggende Stec-rapport voldoende deugdelijk en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat het bouwproject voorziet in een kwalitatieve noodzaak en dat het realiseren van dit project een positief effect heeft op de verhuisbewegingen in de woningmarktregio. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt. 14. De rechtbank overweegt dat gedeputeerde staten zich voor de noodzaak van het bouwproject baseren op een dwingende reden van groot openbaar belang, gelegen in de behoefte aan woningbouw. Een behoefte aan woningbouw kan onder omstandigheden een dwingende reden van groot openbaar belang opleveren. Het belang moet dan zowel “openbaar” als “groot” zijn, wat impliceert dat dit belang zo groot is dat het kan worden afgewogen tegen de door de Habitatrichtlijn nagestreefde doelstelling van instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Voor deze zaak betekent dit dat de rechtbank moet beoordelen of de aard van de beoogde woningbouw en de door gedeputeerde staten aangevoerde belangen zodanig groot en openbaar zijn dat zij als voldoende zwaarwegend kunnen worden aangemerkt in verhouding tot de belangen die door artikel 8:74l, eerste lid, onder b, onder 3° van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) worden beschermd. De rechtbank sluit hiervoor aan bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarin zij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over dwingende redenen van groot openbaar belang in het kader van gebiedsbescherming bij toepassing van de Habitatrichtlijn, ook van toepassing verklaart in het kader van soortenbescherming. 15. In het herstelbesluit hebben gedeputeerde staten zich, anders dan in het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat er lokaal in Soest geen behoefte is grondgebonden koopwoningen in het hoge segment. Daarentegen is met het Stec-rapport inzichtelijk gemotiveerd dat deze behoefte in de woningmarktregio, waartoe Soest behoort, wel bestaat. Uit het Stec-rapport volgt dat ongeveer 24 procent van de verhuisbewegingen in de woningmarktregio plaatsvindt. Tezamen met de verhuisbewegingen in Soest vormt dit het overgrote deel van het aantal verhuisbewegingen in en naar Soest. De rechtbank kan daarmee volgen dat gedeputeerde staten zich voor hun onderbouwing hebben gebaseerd op de vastgestelde woningmarktregio voor de onderbouwing van de behoefte aan woningen. Dat de woningmarktregio volgens eisers ten onrechte te breed is vastgesteld om daarmee het belang van Soest als vestigingsplaats te benadrukken, volgt de rechtbank niet. Met de in het Stec-rapport weergegeven verhuisbewegingen is inzichtelijk gemaakt dat een relevant aandeel van de verhuisbewegingen plaatsvindt van omliggende gemeenten naar Soest. Dit is onderbouwd met data van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS). Gedeputeerde staten mochten zich in het herstelbesluit op de behoefte in de woningmarktregio baseren. Bij de rechtbank is geen rechtspraak bekend (en ook eisers hebben dat niet aangedragen) waaruit volgt dat een groot openbaar belang bij het realiseren van woningen uitsluitend kan worden onderbouwd door een bestaande lokale behoefte. Ook als het bouwproject in deze zaak uitsluitend in een regionale behoefte voorziet, kan daarmee nog steeds sprake zijn van een groot openbaar belang voor het realiseren van de woningen. Dat het realiseren van woningen in Soest voorziet in een regionale behoefte is met het Stec-rapport en de toelichting in het herstelbesluit voldoende deugdelijk gemotiveerd. 16. De rechtbank overweegt verder dat in het Stec-rapport ook een deugdelijke onderbouwing is gegeven voor de behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment. In het rapport is inzichtelijk gemotiveerd dat in de woningmarktregio behoefte bestaat aan grondgebonden koopwoningen, ook in het hoge segment. Het vergelijken van de behoefte met het aanbod aan dit type woningen maakt inzichtelijk dat er in de woningmarktregio een resterende behoefte bestaat.
Volledig
Het bouwproject in deze zaak kan daarin voorzien. Bovendien is inzichtelijk gemaakt dat het realiseren van dure, grondgebonden koopwoningen gemiddeld drie verhuisbewegingen oplevert. Het realiseren van woningen in het hoge segment draagt daarmee ook bij aan het verlagen van de druk op andere segmenten in de woningmarkt en dient daarmee het openbaar belang. Wat eisers tegen de kwalitatieve behoefte hebben ingebracht is onvoldoende voor een ander oordeel. Eisers hebben in algemene bewoordingen toegelicht waarom zij zich niet kunnen vinden in het Stec-rapport, maar hebben nagelaten om hun beweringen met een tegenrapport te onderbouwen. Dat de werking van het Stec-doorstroommodel onvoldoende is toegelicht volgt de rechtbank niet. In het Stec-rapport is een toelichting gegeven op de methode en de gegevens die door het model worden gebruikt. De rechtbank acht daarmee voldoende inzichtelijk op welke wijze de uitkomsten van het doorstroommodel tot stand zijn gekomen. 17. De rechtbank overweegt ten slotte dat zij bij haar beoordeling het belang van woningbouw moet wegen tegenover het belang van de das om ongestoord gebruik te maken van zijn foerageergebied. Daarbij betrekt de rechtbank dat het in deze zaak om een relatief klein bouwproject gaat waarin vijf woningen worden gerealiseerd. De bijdrage die het project levert aan de behoefte op de woningmarkt is daarmee beperkt. Gezien de beperkte omvang van het project is echter de verstoring van het beschermde foerageergebied van de das ook beperkt. De woningen worden gerealiseerd op één perceel in een landelijke omgeving, maar die wel al is omgeven door woningen. Bovendien wordt met de mitigerende maatregelen, in de vorm van vervangend foerageergebied nabij het bestaande foerageergebied, voldoende compensatie geboden voor de aantasting van het foerageergebied van de das. 18. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat gedeputeerde staten erin is geslaagd het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen voor zover dat ziet op de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit betekent dat het wettelijk belang voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in een regionale behoefte aan woningen en daarmee voorziet in een dwingende reden van groot openbaar belang. De rechtbank zal daarom niet meer ingaan op het wettelijk belang van de omgevingsvergunning voor zover dat ziet op de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Alternatieven 19. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten in het herstelbesluit ook voldoende concreet en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat met minder verstrekkende gevolgen. De rechtbank overweegt daarover dat gedeputeerde staten 21 alternatieve locaties op geschiktheid hebben onderzocht. Daarbij hebben gedeputeerde staten in redelijkheid als uitgangspunt genomen dat de alternatieve percelen geschikt moeten zijn voor het doel van het project, te weten het realiseren van nieuwe woningen om daarmee het woningtekort terug te brengen. Het onderzoek naar alternatieve locaties is opgenomen in de bijlage bij het hiervoor besproken Stec-rapport. Daarin is inzichtelijk gemaakt welke alternatieve locaties in Soest bij de beoordeling zijn betrokken, op welke variabelen de alternatieve locaties zijn beoordeeld en wat de uitkomst van deze beoordeling is. Uit de beoordeling volgt dat geen van de onderzochte locaties een redelijk en op korte termijn bruikbaar alternatief biedt. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Eisers hebben nog aangevoerd dat de bestemming van de beoordeelde percelen niet in de weg zou mogen staan aan de geschiktheid van het alternatief. Het huidige plangebied was oorspronkelijk immers ook niet bestemd voor woningbouw. Deze stelling van eisers leidt echter niet tot een ander oordeel. Een bestemmingsplanwijziging kan immers een tijdrovende procedure zijn waardoor een eventuele alternatieve locatie niet op korte termijn beschikbaar is. Bovendien kan de bereidheid van het college om mee te werken aan een bestemmingswijziging in de weg staan aan de bruikbaarheid van een alternatieve locatie. Dit betekent dat gedeputeerde staten de bestaande bestemming van de alternatieve locaties wel degelijk bij het beoordelen van de alternatieve locaties mochten betrekken. De rechtbank overweegt ten slotte dat gedeputeerde staten de mogelijkheid van het realiseren van minder woningen op de voorgenomen locatie in redelijkheid niet bij de beoordeling van de alternatieven hebben hoeven betrekken. Vergunninghoudster heeft al in een eerder stadium toegelicht dat het realiseren van minder woningen voor haar als ontwikkelaar geen optie is, omdat het project ook rendabel moet blijven. Gedeputeerde staten moeten de aanvraag beoordelen zoals deze door vergunninghoudster is ingediend. Dat het realiseren van minder woningen op het voorgenomen plangebied niet bij de beoordeling van de alternatieven is betrokken, leidt daarom niet tot een ander oordeel. 20. Uit het voorgaande volgt dat gedeputeerde staten met het herstelbesluit het geconstateerde gebrek voor zover dat ziet op de beoordeling van alternatieve locaties hebben hersteld. Conclusie en gevolgen 21. Uit de tussenuitspraak volgt dat het beroep van eisers gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit deze einduitspraak volgt vervolgens dat gedeputeerde staten de geconstateerde gebreken hebben hersteld en dat de resterende beroepsgronden niet slagen. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit om die reden in stand laten. Dit betekent dat de door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning voor het opzettelijk beschadigen en/of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026 in stand blijft. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning voor het beschadigen of vernielen van essentieel foerageergebied van de das in het kader van het door haar te realiseren woningbouwproject, overeenkomstig de door gedeputeerde staten gestelde voorwaarden en voorschriften. 22. Met deze einduitspraak vervalt de voorlopige voorziening die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft getroffen. Dit betekent dat de schorsing van de verleende omgevingsvergunning wordt opgeheven en dat vergunninghoudster gebruik mag maken van de aan haar verleende omgevingsvergunning. 23. Omdat het beroep gegrond is, moeten gedeputeerde staten het door eisers betaalde griffierecht vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 1 april 2025; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven; - draagt gedeputeerde staten op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. P. Mendelts, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RBMNE:2025:5410. ECLI:NL:RBMNE:2025:7504. Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
Volledig
Het bouwproject in deze zaak kan daarin voorzien. Bovendien is inzichtelijk gemaakt dat het realiseren van dure, grondgebonden koopwoningen gemiddeld drie verhuisbewegingen oplevert. Het realiseren van woningen in het hoge segment draagt daarmee ook bij aan het verlagen van de druk op andere segmenten in de woningmarkt en dient daarmee het openbaar belang. Wat eisers tegen de kwalitatieve behoefte hebben ingebracht is onvoldoende voor een ander oordeel. Eisers hebben in algemene bewoordingen toegelicht waarom zij zich niet kunnen vinden in het Stec-rapport, maar hebben nagelaten om hun beweringen met een tegenrapport te onderbouwen. Dat de werking van het Stec-doorstroommodel onvoldoende is toegelicht volgt de rechtbank niet. In het Stec-rapport is een toelichting gegeven op de methode en de gegevens die door het model worden gebruikt. De rechtbank acht daarmee voldoende inzichtelijk op welke wijze de uitkomsten van het doorstroommodel tot stand zijn gekomen. 17. De rechtbank overweegt ten slotte dat zij bij haar beoordeling het belang van woningbouw moet wegen tegenover het belang van de das om ongestoord gebruik te maken van zijn foerageergebied. Daarbij betrekt de rechtbank dat het in deze zaak om een relatief klein bouwproject gaat waarin vijf woningen worden gerealiseerd. De bijdrage die het project levert aan de behoefte op de woningmarkt is daarmee beperkt. Gezien de beperkte omvang van het project is echter de verstoring van het beschermde foerageergebied van de das ook beperkt. De woningen worden gerealiseerd op één perceel in een landelijke omgeving, maar die wel al is omgeven door woningen. Bovendien wordt met de mitigerende maatregelen, in de vorm van vervangend foerageergebied nabij het bestaande foerageergebied, voldoende compensatie geboden voor de aantasting van het foerageergebied van de das. 18. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat gedeputeerde staten erin is geslaagd het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen voor zover dat ziet op de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit betekent dat het wettelijk belang voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in een regionale behoefte aan woningen en daarmee voorziet in een dwingende reden van groot openbaar belang. De rechtbank zal daarom niet meer ingaan op het wettelijk belang van de omgevingsvergunning voor zover dat ziet op de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Alternatieven 19. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten in het herstelbesluit ook voldoende concreet en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat met minder verstrekkende gevolgen. De rechtbank overweegt daarover dat gedeputeerde staten 21 alternatieve locaties op geschiktheid hebben onderzocht. Daarbij hebben gedeputeerde staten in redelijkheid als uitgangspunt genomen dat de alternatieve percelen geschikt moeten zijn voor het doel van het project, te weten het realiseren van nieuwe woningen om daarmee het woningtekort terug te brengen. Het onderzoek naar alternatieve locaties is opgenomen in de bijlage bij het hiervoor besproken Stec-rapport. Daarin is inzichtelijk gemaakt welke alternatieve locaties in Soest bij de beoordeling zijn betrokken, op welke variabelen de alternatieve locaties zijn beoordeeld en wat de uitkomst van deze beoordeling is. Uit de beoordeling volgt dat geen van de onderzochte locaties een redelijk en op korte termijn bruikbaar alternatief biedt. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Eisers hebben nog aangevoerd dat de bestemming van de beoordeelde percelen niet in de weg zou mogen staan aan de geschiktheid van het alternatief. Het huidige plangebied was oorspronkelijk immers ook niet bestemd voor woningbouw. Deze stelling van eisers leidt echter niet tot een ander oordeel. Een bestemmingsplanwijziging kan immers een tijdrovende procedure zijn waardoor een eventuele alternatieve locatie niet op korte termijn beschikbaar is. Bovendien kan de bereidheid van het college om mee te werken aan een bestemmingswijziging in de weg staan aan de bruikbaarheid van een alternatieve locatie. Dit betekent dat gedeputeerde staten de bestaande bestemming van de alternatieve locaties wel degelijk bij het beoordelen van de alternatieve locaties mochten betrekken. De rechtbank overweegt ten slotte dat gedeputeerde staten de mogelijkheid van het realiseren van minder woningen op de voorgenomen locatie in redelijkheid niet bij de beoordeling van de alternatieven hebben hoeven betrekken. Vergunninghoudster heeft al in een eerder stadium toegelicht dat het realiseren van minder woningen voor haar als ontwikkelaar geen optie is, omdat het project ook rendabel moet blijven. Gedeputeerde staten moeten de aanvraag beoordelen zoals deze door vergunninghoudster is ingediend. Dat het realiseren van minder woningen op het voorgenomen plangebied niet bij de beoordeling van de alternatieven is betrokken, leidt daarom niet tot een ander oordeel. 20. Uit het voorgaande volgt dat gedeputeerde staten met het herstelbesluit het geconstateerde gebrek voor zover dat ziet op de beoordeling van alternatieve locaties hebben hersteld. Conclusie en gevolgen 21. Uit de tussenuitspraak volgt dat het beroep van eisers gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit deze einduitspraak volgt vervolgens dat gedeputeerde staten de geconstateerde gebreken hebben hersteld en dat de resterende beroepsgronden niet slagen. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit om die reden in stand laten. Dit betekent dat de door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning voor het opzettelijk beschadigen en/of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026 in stand blijft. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning voor het beschadigen of vernielen van essentieel foerageergebied van de das in het kader van het door haar te realiseren woningbouwproject, overeenkomstig de door gedeputeerde staten gestelde voorwaarden en voorschriften. 22. Met deze einduitspraak vervalt de voorlopige voorziening die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft getroffen. Dit betekent dat de schorsing van de verleende omgevingsvergunning wordt opgeheven en dat vergunninghoudster gebruik mag maken van de aan haar verleende omgevingsvergunning. 23. Omdat het beroep gegrond is, moeten gedeputeerde staten het door eisers betaalde griffierecht vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 1 april 2025; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven; - draagt gedeputeerde staten op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. P. Mendelts, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RBMNE:2025:5410. ECLI:NL:RBMNE:2025:7504. Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.