Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-10
ECLI:NL:RBMNE:2026:1461
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,537 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1461 text/xml public 2026-04-29T12:52:46 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-10 UTR_24_3664 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1461 text/html public 2026-04-29T12:52:09 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1461 Rechtbank Midden-Nederland , 10-04-2026 / UTR_24_3664 Afwijzing verzoek PKV na intrekking beroep. Het college is volledig tegemoetgekomen aan het beroep van eiseres. Geen proceshandelingen die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/3664 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. M.C.H. van de Ven), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort , het college (gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2] (gemachtigde: mr. K.A. Luehof) en [derde belanghebbende 3] (gemachtigde: mr. E.H.M. Teeuw). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. 1.1. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 6 mei 2024. Met het besluit van 8 januari 2026 heeft het college een gewijzigde beslissing op bezwaar afgegeven. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. 1.2. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat er geen aanleiding is voor het vergoeden van proceskosten omdat er geen sprake is van proceshandelingen die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen. Overwegingen 2. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen. 3. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. 4. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Het college heeft in een beslissing op bezwaar van 6 mei 2024 een eerder aan verzoekster verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakterras geweigerd. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Op 8 januari 2026 heeft het college de omgevingsvergunning in een nieuwe beslissing op bezwaar alsnog in stand gelaten. Dit besluit vervangt het besluit van 6 mei 2024. Met dit nieuwe besluit is het college tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. 5. Het college is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat er geen sprake is van proceshandelingen die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. De gemachtigde van verzoekster is op 6 november 2025 in deze zaak in beeld gekomen. Dat is na de indiening van het beroep op 10 mei 2024 en de zitting op 6 maart 2025. Zij heeft sindsdien geen proceshandelingen verricht die op grond van het Bpb in aanmerking komen voor vergoeding. Gelet hierop, wijst de rechtbank het verzoek als kennelijk ongegrond af. 6. De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 187,- te vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1461 text/xml public 2026-04-29T12:52:46 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-10 UTR_24_3664 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1461 text/html public 2026-04-29T12:52:09 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1461 Rechtbank Midden-Nederland , 10-04-2026 / UTR_24_3664 Afwijzing verzoek PKV na intrekking beroep. Het college is volledig tegemoetgekomen aan het beroep van eiseres. Geen proceshandelingen die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/3664 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. M.C.H. van de Ven), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort , het college (gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2] (gemachtigde: mr. K.A. Luehof) en [derde belanghebbende 3] (gemachtigde: mr. E.H.M. Teeuw). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. 1.1. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 6 mei 2024. Met het besluit van 8 januari 2026 heeft het college een gewijzigde beslissing op bezwaar afgegeven. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. 1.2. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat er geen aanleiding is voor het vergoeden van proceskosten omdat er geen sprake is van proceshandelingen die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen. Overwegingen 2. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen. 3. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. 4. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Het college heeft in een beslissing op bezwaar van 6 mei 2024 een eerder aan verzoekster verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakterras geweigerd. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Op 8 januari 2026 heeft het college de omgevingsvergunning in een nieuwe beslissing op bezwaar alsnog in stand gelaten. Dit besluit vervangt het besluit van 6 mei 2024. Met dit nieuwe besluit is het college tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. 5. Het college is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat er geen sprake is van proceshandelingen die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. De gemachtigde van verzoekster is op 6 november 2025 in deze zaak in beeld gekomen. Dat is na de indiening van het beroep op 10 mei 2024 en de zitting op 6 maart 2025. Zij heeft sindsdien geen proceshandelingen verricht die op grond van het Bpb in aanmerking komen voor vergoeding. Gelet hierop, wijst de rechtbank het verzoek als kennelijk ongegrond af. 6. De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 187,- te vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.