Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-19
ECLI:NL:RBMNE:2026:138
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2301 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: R.J.F. van den Wijngaard), en De Minister van Justitie en Veiligheid, de minister (gemachtigde: mr. I.M. Touwen). Procesverloop 1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een ontheffing voor de beoefening van de airsoftsport. De minister heeft deze ontheffing met het besluit van 30 januari 2024 verleend. 1.1. Met het bestreden besluit van 11 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven. 1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de minister heeft daarop gereageerd met een verweerschrift. 1.3. Op 2 september 2025 heeft eiser aanvullende stukken ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser (per Teams-verbinding) en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig. 1.5. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht twaalf weken later uitspraak te doen. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 2. Eiser wil de airsoftsport beoefenen. Airsoftapparaten zijn wapens die vallen onder categorie I, onderdeel 7, van de Wet wapens en munitie. Eiser heeft op 6 juli 2023 een ontheffing van het in artikel 13, eerste lid van de Wwm opgenomen verbod tot het voorhanden hebben, vervoeren, dragen, doen binnenkomen en doen uitgaan van categorie I wapens en daarmee airsoftapparaten gevraagd. Artikel 4, aanhef en onder e, van de Wwm geeft de minister de bevoegdheid vrijstelling of ontheffing van dat verbod te verlenen voor het beoefenen van de airsoftsport. In artikel 17a en verder van de Rwm is een vrijstellingsregeling opgenomen. Die is nader uitgewerkt in de Circulaire wapens en munitie (Cwm). Vrijstelling wordt verleend aan personen die lid zijn van een door de minister erkende vereniging. Tot voor kort was dit alleen de NABV. Inmiddels is ook Airsoft Combat Association (ACA) een door de minister erkende vereniging. Eiser heeft ontheffing gevraagd, omdat hij geen lid van een vereniging wilde worden en daardoor niet voor de vrijstellingsregeling in aanmerking kan komen. Hij was op het moment van de aanvraag geen lid van een vereniging. Op 30 januari 2024 heeft de minister de ontheffing op grond van artikel 4, aanhef en onder e, van de Wwm verleend. Procesbelang 3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de ontheffing die aan hem is verleend. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat hij inmiddels bij de door de minister erkende vereniging ACA is aangesloten. Dit roept de vraag op of eiser nog belang heeft bij de uitkomst van deze procedure. 4. De rechtbank neemt procesbelang aan. De ontheffing waar eiser beroep tegen heeft ingesteld, liep weliswaar tot 30 januari 2025, maar eiser heeft aangevoerd dat hij het voor het beoefenen van zijn sport niet eens is met de gestelde eis van lidmaatschap van een vereniging. De omstandigheid dat hij er kennelijk nu wel voor heeft gekozen lid te zijn van een vereniging, betekent niet dat hij geen belang heeft gehouden bij de vraag of dit vereiste mocht worden gesteld. De rechtbank zal daarom het beroep inhoudelijk behandelen. De grondslag van de opgelegde beperkingen en voorschriften 5. De minister heeft op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwm ontheffing verleend van het in artikel 13, eerste lid, van de Wwm neergelegde verbod. Op grond van artikel 6 van de Wwm is de minister bevoegd om de ontheffing onder beperkingen te verlenen. Ook kan de minister volgens dit wetsartikel aan de ontheffing voorschriften verbinden. 6. De rechtbank stelt vast dat niet is betwist dat de aan de ontheffing verbonden beperkingen en voorschriften zijn grondslag vinden in wettelijke bepalingen. Eise De verenigingsstructuur en -setting maken dat de controle meer in beeld van de vereniging is. Daargelaten of deze bevoegdheden aan de vereniging konden worden overgedragen, brengen deze randvoorwaarden met zich mee dat aan een buiten verenigingsverband afgegeven ontheffing strengere beperkingen en voorschriften kunnen worden verbonden. 10. De rechtbank zal hieronder nog apart ingaan op de beperkingen en voorschriften waartegen eiser bezwaren heeft geuit. Betrouwbaarheid 11. Dat de screening voor een individuele ontheffingshouder onterecht zwaarder is dan de procedure van het verenigingslid, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank gelet op het bovenstaande niet. Een ontheffingshouder moet een WM32-formulier aanleveren. Dat is een formulier waarmee informatie wordt opgevraagd waaruit volgt of er redenen zijn om te vrezen dat een aanvrager het onder zich hebben van een airsoftapparaat niet kan worden toevertrouwd. Het betreft een individuele ontheffinghouder, zodat er verder geen controle of toezicht is op dit punt. Door inzicht te verschaffen in de inlichtingen van het WM32-formulier toont de ontheffinghouder aan dat hij met de verantwoordelijkheid van de airsoftsport om kan gaan. Hiermee ontstaat controle en toezicht en worden risico’s voor de samenleving met het oog op potentieel misbruik beperkt. Een verenigingslid moet aan de vereniging een VOG aanleveren. Ook een VOG is bedoeld om de betrouwbaarheid van een verenigingslid te toetsen. Met een VOG ontstaat ook controle en toezicht. Dat dit via een andere aanvraagmanier moet plaatsvinden, is te rechtvaardigen omdat een verenigingslid immers onder meer (sociale) controle staat dan een individuele ontheffingshouder. Duur van de ontheffing 12. De minister kan een ontheffing voor ten hoogste vijf jaren verlenen. Dit betekent dat de minister ook voor een kortere periode een ontheffing kan verlenen als hij daarvoor aanleiding ziet. Dat de minister aansluiting heeft gezocht bij een vereniging en dat daardoor in beide gevallen een termijn van een jaar geldt, is gelet op het belang van toezicht op de airsoftsport te rechtvaardigen. Dat daardoor financiële verschillen volgen, maakt dit oordeel niet anders. Een ontheffingshouder betaalt jaarlijks legeskosten, waar een verenigingslid ieder jaar voor het verenigingslidmaatschap betaalt. Inleveren wapen 13. Dat een ontheffingshouder bij intrekking van de ontheffing het airsoftapparaat aan de korpschef moet inleveren (beperking 9), is naar het oordeel van de rechtbank geen andere beperking of voorschrift dan die voor een verenigingslid geldt. Het is een verenigingslid namelijk zonder lidmaatschap, net als eenieder zonder vrijstelling of ontheffing, verboden om een airsoftapparaat tot zijn beschikking te hebben. Reden waarom ook een verenigingslid het airsoftapparaat zal moeten inleveren of anders een individuele ontheffing zal moeten aanvragen. Overdracht airsoftapparaat 14. Dat een ontheffingshouder een airsoftapparaat alleen aan een verenigingslid kan overdragen is een te beperkte lezing van beperking 11 van eiser. Een airsoftapparaat kan ingevolge de beperking immers ook aan ontheffinghouders worden overgedragen. Aan anderen dan ontheffinghouders en verenigingsleden mag een ontheffinghouder bovendien in het geheel geen airsoftapparaat overdragen. Het bezit van een airsoftapparaat is immers verboden en een ontheffinghouder en verenigingslid bevinden zich in een uitzonderingspositie. Leges 15. Eiser verbindt aan beperking 17, de ontheffinghouder moet bij verhuizing de ontheffing onmiddellijk ter wijziging aan de minister aanbieden, het gevolg dat hij daardoor leges moet betalen. Dat eiser bij een wijziging leges moet betalen volgt uit de wet en houdt geen verband met de vraag of de beperking op zichzelf te rechtvaardigen valt. Een verenigingslid kan een wijziging doorgeven aan de vereniging, waar een ontheffinghouder dit niet kan en daarom is het doorgeven van een verhuizing aan de minister gerechtvaardigd. Het betalen van leges geeft geen a