Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-25
ECLI:NL:RBMNE:2026:1352
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,039 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1352 text/xml public 2026-04-08T09:38:15 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-25 11876032 \ AC EXPL 25-2007 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amersfoort Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1352 text/html public 2026-04-08T09:32:02 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1352 Rechtbank Midden-Nederland , 25-03-2026 / 11876032 \ AC EXPL 25-2007 Natuurlijke verbintenis is omgezet in een overeenkomst. Artikel 6:5 BW. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer: 11876032 \ AC EXPL 25-2007 Vonnis van 25 maart 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: Recht op Juristen, tegen [gedaagde] B.V. , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: Looijmans Juristen B.V.. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 16 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt - de akte van [eiser] - de akte van [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De kern 2.1. [eiser] heeft een arbeidsovereenkomst met [gedaagde] . [gedaagde] heeft voor [eiser] een deel van de kosten betaald van een ingeschakelde advocaat voor een tuchtprocedure tegen een zorgverlener van [eiser] . De rest van deze kosten wilde [gedaagde] niet vergoeden. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van die verdere advocaatkosten. De natuurlijke verbintenis daartoe van [gedaagde] is namelijk omgezet in een afdwingbare verbintenis. 3 De achtergrond 3.1. [eiser] werkt sinds 1 april 2020 bij [gedaagde] . Zij was van 14 maart 2022 tot 4 april 2023 en van 6 tot 25 november 2023 arbeidsongeschikt. Na hervatting van haar werkzaamheden bleef [eiser] kwetsbaar om opnieuw arbeidsongeschikt te raken. Op het moment van de mondelinge behandeling was [eiser] ook arbeidsongeschikt, zo heeft zij verklaard. 3.2. Vanaf in ieder geval 2023 hebben [gedaagde] en [eiser] gesprekken gehad om te inventariseren welke factoren meespeelden bij de belastbaarheid van [eiser] . Ook werd gesproken over mogelijkheden van [gedaagde] om [eiser] te ondersteunen bij haar herstel. In een van de gesprekken in 2023 heeft [eiser] aan haar leidinggevende bij [gedaagde] , [A] , verteld dat zij slachtoffer is geworden van misbruik door haar psycholoog. [A] heeft [eiser] gezegd haar (financieel) te willen ondersteunen - hoe precies, is onderwerp van dit geschil. Duidelijk is wel dat [gedaagde] in totaal ruim € 11.000,00 heeft betaald voor psychologische en juridische kosten. De juridische kosten zijn gemaakt om een tuchtzaak aan te spannen tegen de psycholoog die - aldus [eiser] - haar misbruikt heeft. [eiser] is daarin bijgestaan door een advocaat (hierna ook: de advocaat). 3.3. Op 12 februari 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] meegedeeld niet langer de kosten voor de advocaat te willen vergoeden. Vervolgens heeft [eiser] de advocaat opdracht gegeven voor het verrichten van verdere werkzaamheden in de tuchtprocedure. Deze kosten heeft de advocaat bij [eiser] in rekening gebracht. [eiser] wil dat [gedaagde] de door haar betaalde advocaatkosten vergoed, omdat zij erop mocht vertrouwen dat [gedaagde] de kosten van de hele tuchtzaak zou vergoeden. 4 De beoordeling [eiser] wil betaling van € 4.862,38 4.1. [eiser] eist van [gedaagde] betaling van een hoofdsom van € 4.862,38. Dit zijn de niet door [gedaagde] betaalde van de tuchtzaak, vanaf februari 2025. Volgens [eiser] moet [gedaagde] alle kosten betalen voor de tuchtzaak en horen deze kosten daar nog bij. [gedaagde] heeft een toezegging gedaan 4.2. De stelling van [eiser] dat zij ervan uit mocht gaan dat [gedaagde] haar zou ondersteunen bij de (volledige) tuchtprocedure vindt voldoende steun in de volgende stukken. De opdrachtbevestiging van de advocaat van 8 januari 2024 is gericht aan [eiser] en aan [e-mailadres] . In de opdrachtbevestiging is beschreven dat de advocaat advies zal geven over “ het handelen van uw hulpverlener en in welke mate dit tuchtrechtelijk verwijtbaar is. (…) Aan de hand van mijn advies kan een keuze worden gemaakt tot het wel of niet indienen van een tuchtklacht.” Het opstellen van het advies schat de advocaat in op een tijdbesteding van 15 uren tegen een uurtarief van € 332,75 inclusief btw en de bijkomende kosten. Er zal maandelijks worden gedeclareerd en gefactureerd aan [gedaagde] . In een mail van 26 maart 2024 vraagt [eiser] aan de advocaat: “Verder nog even voor de duidelijkheid voor mijzelf dat de opdracht van [A] is dat je mij ondersteunt in het klaagschrift en niet in de aansprakelijkheidsstelling van [de hulpverlener]. Dit heb ik toch goed begrepen?” Waarop de advocaat antwoordt: “ Het klopt dat ik op dit moment alleen een opdracht heb om een klaagschrift in te dienen en geen expliciete opdracht heb om aansprakelijkheidsstelling richting [psycholoog] vanuit jouw werkgever verder op te pakken.” Op 19 november 2024 mailt [A] aan [eiser] onder meer: “Stap Nu blijft je (juridisch) ondersteunen in jouw lopend proces , en als het (bedrijfseconomisch) kan een 2e zaak opstarten. Wij willen er alles aan doen om je te ondersteunen, in gesprek te blijven en de juiste dingen te doen.” Op 28 november 2024 was er een werkoverleg met onder andere [eiser] en [A] . In het verslag van dat overleg staat: “ [A] [ [A] , toevoeging kantonrechter] : Tuchtraad. Continueren van de steun aan [eiser] . [ [eiser] , toevoeging kantonrechter] ” 4.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] gesteld dat met [eiser] is besproken zoveel mogelijk zelf te doen om de kosten zo laag mogelijk te houden. [eiser] erkent dat. Zij hoefde er echter geen rekening mee te houden dat de ondersteuning met het opstellen en indienen van het klaagschrift klaar zou zijn. Zij mocht op grond van wat hierboven is weergegeven verwachten dat de advocaat haar gedurende die hele tuchtprocedure zou steunen en (bijvoorbeeld) ook mee zou gaan naar de zitting. Wel is duidelijk een grens getrokken bij werkzaamheden voor een aansprakelijkstelling van de psycholoog; die vielen erbuiten en dat staat tussen partijen ook niet ter discussie. De toezegging tot betalen is gebaseerd op een natuurlijke verbintenis 4.4. Vervolgens is de vraag hoe de hiervoor weergegeven - herhaaldelijke - toezeggingen van [gedaagde] tot het betalen van de kosten voor de medische tuchtprocedure juridisch gekwalificeerd moet worden. [eiser] wijst daarvoor op de eisen van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), op het vertrouwensbeginsel van artikel 3:35 BW en op het goed werkgeverschap zoals omschreven in artikel 7:611 BW. Maar geen van deze artikelen biedt een zelfstandige grondslag voor zo’n verplichting. 4.5. Uit de overgelegde correspondentie en de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling volgt naar het oordeel van de kantonrechter, dat bij [gedaagde] (lees: bij [A] ) een dringende morele plicht werd gevoeld om [eiser] te ondersteunen in haar strijd tegen haar behandelend psycholoog. In juridische termen wordt het voldoen aan een dringende morele verplichting gekwalificeerd als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. [gedaagde] heeft onverplicht - er bestaat immers geen wet of rechtsregel, die een werkgever verplicht om de kosten van een medische tuchtzaak van een werknemer te vergoeden - deze hulp aan [eiser] aangeboden. Dit aanbod is door [eiser] geaccepteerd en [gedaagde] heeft een langere periode hieraan uitvoering gegeven en een substantieel bedrag aan de advocaat van [eiser] betaald. Bij het De natuurlijke verbintenis is omgezet in een afdwingbare overeenkomst 4.6. Een natuurlijke verbintenis is niet in een procedure afdwingbaar. Dat verandert als de natuurlijke verbintenis wordt omgezet in een overeenkomst. En dat is hier gebeurd. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1352 text/xml public 2026-04-08T09:38:15 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-25 11876032 \ AC EXPL 25-2007 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amersfoort Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1352 text/html public 2026-04-08T09:32:02 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1352 Rechtbank Midden-Nederland , 25-03-2026 / 11876032 \ AC EXPL 25-2007 Natuurlijke verbintenis is omgezet in een overeenkomst. Artikel 6:5 BW. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer: 11876032 \ AC EXPL 25-2007 Vonnis van 25 maart 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: Recht op Juristen, tegen [gedaagde] B.V. , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: Looijmans Juristen B.V.. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 16 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt - de akte van [eiser] - de akte van [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De kern 2.1. [eiser] heeft een arbeidsovereenkomst met [gedaagde] . [gedaagde] heeft voor [eiser] een deel van de kosten betaald van een ingeschakelde advocaat voor een tuchtprocedure tegen een zorgverlener van [eiser] . De rest van deze kosten wilde [gedaagde] niet vergoeden. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van die verdere advocaatkosten. De natuurlijke verbintenis daartoe van [gedaagde] is namelijk omgezet in een afdwingbare verbintenis. 3 De achtergrond 3.1. [eiser] werkt sinds 1 april 2020 bij [gedaagde] . Zij was van 14 maart 2022 tot 4 april 2023 en van 6 tot 25 november 2023 arbeidsongeschikt. Na hervatting van haar werkzaamheden bleef [eiser] kwetsbaar om opnieuw arbeidsongeschikt te raken. Op het moment van de mondelinge behandeling was [eiser] ook arbeidsongeschikt, zo heeft zij verklaard. 3.2. Vanaf in ieder geval 2023 hebben [gedaagde] en [eiser] gesprekken gehad om te inventariseren welke factoren meespeelden bij de belastbaarheid van [eiser] . Ook werd gesproken over mogelijkheden van [gedaagde] om [eiser] te ondersteunen bij haar herstel. In een van de gesprekken in 2023 heeft [eiser] aan haar leidinggevende bij [gedaagde] , [A] , verteld dat zij slachtoffer is geworden van misbruik door haar psycholoog. [A] heeft [eiser] gezegd haar (financieel) te willen ondersteunen - hoe precies, is onderwerp van dit geschil. Duidelijk is wel dat [gedaagde] in totaal ruim € 11.000,00 heeft betaald voor psychologische en juridische kosten. De juridische kosten zijn gemaakt om een tuchtzaak aan te spannen tegen de psycholoog die - aldus [eiser] - haar misbruikt heeft. [eiser] is daarin bijgestaan door een advocaat (hierna ook: de advocaat). 3.3. Op 12 februari 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] meegedeeld niet langer de kosten voor de advocaat te willen vergoeden. Vervolgens heeft [eiser] de advocaat opdracht gegeven voor het verrichten van verdere werkzaamheden in de tuchtprocedure. Deze kosten heeft de advocaat bij [eiser] in rekening gebracht. [eiser] wil dat [gedaagde] de door haar betaalde advocaatkosten vergoed, omdat zij erop mocht vertrouwen dat [gedaagde] de kosten van de hele tuchtzaak zou vergoeden. 4 De beoordeling [eiser] wil betaling van € 4.862,38 4.1. [eiser] eist van [gedaagde] betaling van een hoofdsom van € 4.862,38. Dit zijn de niet door [gedaagde] betaalde van de tuchtzaak, vanaf februari 2025. Volgens [eiser] moet [gedaagde] alle kosten betalen voor de tuchtzaak en horen deze kosten daar nog bij. [gedaagde] heeft een toezegging gedaan 4.2. De stelling van [eiser] dat zij ervan uit mocht gaan dat [gedaagde] haar zou ondersteunen bij de (volledige) tuchtprocedure vindt voldoende steun in de volgende stukken. De opdrachtbevestiging van de advocaat van 8 januari 2024 is gericht aan [eiser] en aan [e-mailadres] . In de opdrachtbevestiging is beschreven dat de advocaat advies zal geven over “ het handelen van uw hulpverlener en in welke mate dit tuchtrechtelijk verwijtbaar is. (…) Aan de hand van mijn advies kan een keuze worden gemaakt tot het wel of niet indienen van een tuchtklacht.” Het opstellen van het advies schat de advocaat in op een tijdbesteding van 15 uren tegen een uurtarief van € 332,75 inclusief btw en de bijkomende kosten. Er zal maandelijks worden gedeclareerd en gefactureerd aan [gedaagde] . In een mail van 26 maart 2024 vraagt [eiser] aan de advocaat: “Verder nog even voor de duidelijkheid voor mijzelf dat de opdracht van [A] is dat je mij ondersteunt in het klaagschrift en niet in de aansprakelijkheidsstelling van [de hulpverlener]. Dit heb ik toch goed begrepen?” Waarop de advocaat antwoordt: “ Het klopt dat ik op dit moment alleen een opdracht heb om een klaagschrift in te dienen en geen expliciete opdracht heb om aansprakelijkheidsstelling richting [psycholoog] vanuit jouw werkgever verder op te pakken.” Op 19 november 2024 mailt [A] aan [eiser] onder meer: “Stap Nu blijft je (juridisch) ondersteunen in jouw lopend proces , en als het (bedrijfseconomisch) kan een 2e zaak opstarten. Wij willen er alles aan doen om je te ondersteunen, in gesprek te blijven en de juiste dingen te doen.” Op 28 november 2024 was er een werkoverleg met onder andere [eiser] en [A] . In het verslag van dat overleg staat: “ [A] [ [A] , toevoeging kantonrechter] : Tuchtraad. Continueren van de steun aan [eiser] . [ [eiser] , toevoeging kantonrechter] ” 4.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] gesteld dat met [eiser] is besproken zoveel mogelijk zelf te doen om de kosten zo laag mogelijk te houden. [eiser] erkent dat. Zij hoefde er echter geen rekening mee te houden dat de ondersteuning met het opstellen en indienen van het klaagschrift klaar zou zijn. Zij mocht op grond van wat hierboven is weergegeven verwachten dat de advocaat haar gedurende die hele tuchtprocedure zou steunen en (bijvoorbeeld) ook mee zou gaan naar de zitting. Wel is duidelijk een grens getrokken bij werkzaamheden voor een aansprakelijkstelling van de psycholoog; die vielen erbuiten en dat staat tussen partijen ook niet ter discussie. De toezegging tot betalen is gebaseerd op een natuurlijke verbintenis 4.4. Vervolgens is de vraag hoe de hiervoor weergegeven - herhaaldelijke - toezeggingen van [gedaagde] tot het betalen van de kosten voor de medische tuchtprocedure juridisch gekwalificeerd moet worden. [eiser] wijst daarvoor op de eisen van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), op het vertrouwensbeginsel van artikel 3:35 BW en op het goed werkgeverschap zoals omschreven in artikel 7:611 BW. Maar geen van deze artikelen biedt een zelfstandige grondslag voor zo’n verplichting. 4.5. Uit de overgelegde correspondentie en de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling volgt naar het oordeel van de kantonrechter, dat bij [gedaagde] (lees: bij [A] ) een dringende morele plicht werd gevoeld om [eiser] te ondersteunen in haar strijd tegen haar behandelend psycholoog. In juridische termen wordt het voldoen aan een dringende morele verplichting gekwalificeerd als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. [gedaagde] heeft onverplicht - er bestaat immers geen wet of rechtsregel, die een werkgever verplicht om de kosten van een medische tuchtzaak van een werknemer te vergoeden - deze hulp aan [eiser] aangeboden. Dit aanbod is door [eiser] geaccepteerd en [gedaagde] heeft een langere periode hieraan uitvoering gegeven en een substantieel bedrag aan de advocaat van [eiser] betaald. Bij het De natuurlijke verbintenis is omgezet in een afdwingbare overeenkomst 4.6. Een natuurlijke verbintenis is niet in een procedure afdwingbaar. Dat verandert als de natuurlijke verbintenis wordt omgezet in een overeenkomst. En dat is hier gebeurd. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding.